Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


7 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `iEMAND MET`

  1. dat is iEMAND MET een gebruiksaanwijzing (=dat is iemand waarvan je weet hoe je met diegene om moet gaan)
  2. iEMAND MET de nek aankijken (=iemand niet als volwaardig beschouwen)
  3. iEMAND MET de neus op de feiten drukken (=iemand iets zó onder de aandacht brengen, dat hij het niet langer kan negeren)
  4. iEMAND MET een zwarte kool tekenen (=iemand erg ongunstig voorstellen)
  5. iEMAND MET open ogen bedriegen (=iemand bedriegen terwijl hij erbij staat)
  6. iEMAND MET schele ogen aankijken (=iemand afgunstig bekijken)
  7. zich met iEMAND METen (=met iemand wedijveren)

7 betekenissen bevatten `iEMAND MET`

  1. een krakende wagen (=een onzekere zaak - iEMAND MET een zwakke gezondheid)
  2. een kind van Laban (=iEMAND MET een blanke huid)
  3. iemand van katoen geven (=iEMAND MET een pak slaag of woorden straffen)
  4. kroes haar kroeze zinnen (=iEMAND MET gekruld haar is wispelturig)
  5. iemand bijspijkeren (=iEMAND MET geld of kennis ondersteunen)
  6. iemand iets voor de voeten gooien (=iEMAND MET iets confronteren)
  7. iemand iets in de maag splitsen/stoppen (=iEMAND MET iets opzadelen)

Het dialectenwoordenboek kent 66 spreekwoorden met `iEMAND MET`

  1. Luyksgestels: kèsbölleke virteg plus (=iEMAND MET een rond gezicht)
  2. Lovendegems: peetse scheirtant (=iEMAND MET een tand kwijt)
  3. Zottegems: hij hee in nen koestront gebloazn (=iEMAND MET sproeten)
  4. Vlijtingens: knijnskop, kneen (=iEMAND MET een onhebbelijk karakter)
  5. Zottegems: ei stinkt gelijk de peste (=iEMAND MET een lijfgeur)
  6. Lovendegems: een stijte bieste (=iEMAND MET een stoute tong*)
  7. Zeeuws: iekan hoed mie spek schietn (=iEMAND MET fantasie verhalen)
  8. Bilzers: iemes gét opsolfere (=iEMAND MET iets opzadelen)
  9. Sint-Niklaas: iemand grust loaten (=iEMAND MET rust laten)
  10. Londerzeels: hij he tege de wind in gebeird (=iEMAND MET zomersproeten)
  11. Vrasens: ne tettekop (=iEMAND MET een groot hoofd)
  12. Hulsters (NL): iemand iet opsolferen (=iEMAND MET iets opzadelen)
  13. Sint-Niklaas: iemand mè muizenoorkes (=iEMAND MET kleine oren)
  14. Gents: tsiepuugskes / tschienderuugen (=iEMAND MET spleetogen)
  15. Sin tunnis: unnen hultere (=iEMAND MET weinig uitstraling)
  16. Ninoofs: ne wouëventoeker (=iEMAND MET `losse handjes`)
  17. Bosch: glas in loodgezicht (=iEMAND MET bril)
  18. Klings: eu gemïene portret (=iEMAND MET een vals karakter)
  19. Buggenhouts: ienen mee' eun bakkes gelaik ne noven (=iEMAND MET een grote mond)
  20. Waregems: iemand bij de viede zett'n (=iEMAND MET iets opschepen (sluw))
  21. Lochristis: der kan een virken deure luep'n (=iEMAND MET o-benen)
  22. Drents Kanoals: zie droait t'r over (=iEMAND MET veel air zien lopen)
  23. Lochristis: é es geschourd gelijk een koerspulle (=mager iEMAND MET smalle schouders)
  24. Veurns: eeën mi veele wiend in ze broek (=iEMAND MET een hoge eigendunk)
  25. leuvens: doine es uuk een eit gestuute (=iEMAND MET een slordig voorkomen)
  26. Antwerps: Die zit oep nen dikke zweir (=iEMAND MET veel geld)
  27. Munsterbilzen - Minsters: iemes mèt zene koljé pakke (=iEMAND MET zijn nekvel grijpen)
  28. Lebbeeks: korèir: Azékken bill'n en nog giëne korèir (=iEMAND MET dikke dijen)
  29. Westerkwartiers: da's 'n zwienevanger (=dat is iEMAND MET o-benen)
  30. Munsterbilzen - Minsters: ne rijke stinker (=iEMAND MET heel veel geld)
  31. Waalwijks: Dor hedde hum wir mee z'n zije sokke. (=iEMAND MET ongeloofwaardige verhalen)
  32. Deinzes: Iemand mee pret'n (=iEMAND MET veel noten op zijn zang)
  33. Wolvertem: daa es veul vollek in de stase (=iEMAND MET dikke borsten)
  34. Walshoutems: Nen trasmestie (=iEMAND MET twaalf stielen en dertien ongelukken)
  35. Sallands: 'pow, wat 'n batteri'je' (=iEMAND MET een brede achterse)
  36. Weerts: dae hieët eine kop wi-j 'nen eimer (=iEMAND MET een kater)
  37. Heist-op-den-Berg: aan de pinjeir raigen (=iEMAND MET een mes steken)
  38. Lebbeeks: matras: Ei spaur vé e matras (=iEMAND MET lang haar)
  39. Giethoorns: Rooien en valen bin-n donderstralen (=Dit zegt men van iEMAND MET rood haar)
  40. Weerts: dae hieët eine kop wi-j 'ne möttert (=iEMAND MET een dik hoofd)
  41. Sallands: Hi'j döt alles wat God verbeud'n hef. (=iEMAND MET een losbandige levenstijl:)
  42. Brugs: stoat 't er woatere in jen kaldere (=iEMAND MET een te korte lange broek)
  43. Munsterbilzen - Minsters: iemes zene kop tëssen twei aure zètte (=iEMAND MET zijn oren trekken)
  44. Antwerps: stapelzot van glorie,moar het is grand jàr ,petite noble (=over iEMAND MET hoge eigendunk)
  45. Weerts: Dae hieët zien aerpel neet opgaete (=iEMAND MET een gat in zijn sok)
  46. Gents: ejei achter den trein geluupe, ije woater in zijne kelder. (=iEMAND MET een te kortebroek)
  47. Weerts: Gae hetj 'ne kop of dej-je de hel geblaoze hetj (=iEMAND MET een bezweet hoofd)
  48. Waregems: ge zoe 't n ons Heeëre geevn zonder biecht'n (=schijnbaar iEMAND MET een goede naam)
  49. Weerts: Waat dae in ziêne kop hieet, hieete neet in zien koont! (=iEMAND MET een eigen willetje)
  50. Diems: dèn het een neus veur de kop doar ku'j een vèrke met bére (=iEMAND MET een hele grote neus)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen