Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


14 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `here`

  1. alles over een kam scheren (=alles en iedereen gelijk stellen)
  2. andere heren andere wetten (=nieuwe bazen willen nieuwe regels)
  3. arbeider in de wijngaard des heren (=geestelijk beroep (priester,dominee) uitoefenend)
  4. de schapen scheren (=gemakkelijk grote winsten maken)
  5. Ergens de gek mee scheren (=Iets of iemand bespotten)
  6. kinderen zijn een zegen des heren maar zij houden de noppen van de kleren (=kinderen opvoeden kost veel geld)
  7. Men moet de schapen scheren al naar ze wol hebben (=Niet tegen elke prijs voordeel willen nastreven)
  8. Men moet de schapen scheren maar niet villen (=Als men uit hebberigheid de inkomstenbron opoffert heeft men niets meer voor in de toekomst)
  9. met hoge heren is het kwaad kersen eten (=van de omgang met aanzienlijke personen moet men niet altijd voordeel verwachten)
  10. niemand kan twee heren dienen (=twee dingen tegelijk doen gaat niet)
  11. nieuwe heren nieuwe wetten (=nieuwe bazen vaardigen ook nieuwe regels uit)
  12. strenge heren regeren niet lang (=wanneer een baas niet een beetje soepel is wordt het voor hem erg moeilijk)
  13. wat de heren wijzen moeten de gekken prijzen (=aan beslissingen van het hoger gezag moet men zich onderwerpen)
  14. zijn schaapjes scheren (=er de winst uithalen)

4 betekenissen bevatten `here`

  1. de bastaard van de graaf wordt later bisschop (=alleen hoge heren kunnen hun buitenechtelijke kinderen een toekomst bieden)
  2. De aardappelen afgieten (=Een plasje doen door heren)
  3. het ene gat met het andere stoppen (=het slecht beheren van geld door met de ene schuld de andere af te lossen)
  4. wie de pastoor niet eert, wie zijn absolutie riskeert (=om je ambitie te bereiken, moet je extra aardig zijn voor de hoge heren)

Het dialectenwoordenboek kent 61 spreekwoorden met `here`

  1. Munsterbilzen - Minsters: ze hübbe geen broek mei on hun K (=de crisis heeft de herenmode de das omgedaan)
  2. Grobbendonks: De huirtuitse brekke kome de bouwelse beirege aflekke (=de herenthoutse kinderen komen spelen op de Bouwelse bergen)
  3. Brakels (gld): Ut Hièruhuis of ut Huis Broakel (=Het herenhuis of het Huis Brakel)
  4. herenthouts: haagschool heive (=spijbelen)
  5. Sint-Niklaas: stoeferken, vloekurken, nogndudzjuuken (=een klein sierdoekje in het zakje, linksboven, van een herenvest)
  6. herenthouts: eleke hons gezake (=continu)
  7. Herentals: Iemand binnedoen (=Iemand kussen)
  8. Boakels: de hôg hirre (=de hoge heren)
  9. Bilzers: nauw baoze, nauw wétte (=nieuwe heren, nieuwe wetten)
  10. herenthouts: zop zuijen (=soep koken)
  11. herenthouts: klejerkas (=kleerkast)
  12. Westerkwartiers: nije heer'n, nije wett'n (=nieuwe heren, nieuwe regels)
  13. Herentals: tis kaat (=het is koud)
  14. Nieuwerkerks: me hieël zennen (of heren) triljtom (=met pak en zak)
  15. herenthouts: fontonten (=kinderachtige streken)
  16. herenthouts: hey jom (=zeg man)
  17. herenthouts: mee ijw hoar goan (=naar de kapper gaan)
  18. herenthouts: ne floeren oap schaaten (=heel hard verschieten)
  19. herenthouts: ne rus in het motteke (=onkruid in het voortuintje)
  20. herenthouts: husselt de mosselen... (=schud de mosselen op)
  21. herenthouts: sebiet komt dieje vroem (=straks kom hij terug)
  22. Liemers: herejennekus wahn wiend en waoter toch vandaag hé. (=Gezegd in Pannerden bij een dag slecht weer)
  23. Herentals: e poepke placere (=even seks hebben)
  24. Herentals: kan me nie schille, (boeie) (=kan me niet schelen)
  25. herenthouts: in maane goemmer slagen (=iets opeten)
  26. herenthouts: de koarten husselen (=de kaarten ondereen steken)
  27. herenthouts: khemmet'em gezei (=ik heb het hem gezegd)
  28. herenthouts: Hoe laat is't Seppe? (=Hoe laat is't ?)
  29. herenthouts: doe ké zot, toon ké tetje (=toon ne keer tetje)
  30. Herentals: das van m'n botte (=dat staat me hoegenaamd niet aan)
  31. Herentals: het febbeke van de juffraa (=het lievelingetje van de onderwijzeres)
  32. Herentals: t'is heir van me kloeten (=hangt me de keel uit)
  33. Herentals: da zen krabbers (=dat zijn mislukkelingen)
  34. Herentals: 't ploddeke hemme (=de griep hebben)
  35. Herentals: maans genoeg zijn (=een plantrekker zijn)
  36. Herentals: Haaft a tanne jom! (=Hou uw mond!)
  37. Herentals: oep m'n seskes krijge (=op de zenuwen krijgen)
  38. Herentals: Oep 't schieë van de met (=Als puntje bij paaltje komt)
  39. Herentals: Tege n'a uirregel! (Tegen je orgel!) (=Dat zie je van hier!)
  40. Herentals: iejene een smeir oep zen bakkes geven (=iemand op zn gezicht slagen)
  41. herenthouts: oep ei gemak e (=wees eens rustig)
  42. herenthouts: go spele baa piejeres joeng (=ga maar wat spelen (tegen kind))
  43. herenthouts: Ha is op z'n kloete gegoan. (=Hij is op de grond gevallen)
  44. Herentals: Schèt omhoeweg! (=Laat maar, ik verwacht niks meer van je.)
  45. Herentals: Dieje heeter mê zen klak henne gesmete (=Hij heeft er geen moeite voor gedaan)
  46. Westerkwartiers: hoe haarder as 't reeg'nt, hoe gauwer is 't over (=al te strenge heren blijven niet lang aan de macht)
  47. Herentals: goa es een aveseerijzer halen (=je moet sneller werken)
  48. Herentals: aa devoeëre doen (=je plicht doen)
  49. Herentals: geft 'em buize (=steek een tandje bij)
  50. Herentals: zie 's wie daa is (=ziet eens wie daar is)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen