Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

6 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `geen geld`

  1. daar geeft de lommerd geen geld op (=daar heb ik niets aan - dat geloof ik niet)
  2. dat is geen geld (=dat is erg goedkoop als je ziet wat je ervoor krijgt)
  3. geen geld, geen Zwitsers (=zonder geld krijg je hulp noch koopwaar of er is altijd wel geld nodig om iets gedaan te krijgen)
  4. voor geen geld of goede woorden (tot iets bereid zijn) (=niet bereid zijn tot iets, wat iemand ook ervoor biedt, en welke argumenten iemand ook naar voren brengt)
  5. voor geen geld ter wereld (=niet bereid zijn tot iets, hoeveel er ook voor geboden wordt)
  6. vragen kost geen geld (=al heb je weinig kans, je kan het in elk geval maar vragen)

7 betekenissen bevatten `geen geld`

  1. beurs op de knip / Hand op de knip (=geen geld (meer) uitgeven)
  2. kruis noch munt hebben (=geen geld hebben)
  3. op zwart zaad zitten (=geen geld hebben)
  4. rut zijn (=geen geld meer hebben)
  5. in de put zitten (=geen oplossing meer weten of geen geld meer hebben / Depressief zijn)
  6. aan de bedelstaf raken (=in een situatie terechtkomen waarin je geen geld of bezittingen meer hebt en dus heel arm bent)
  7. je moet geen goed geld achter slecht geld aangooien (=je moet geen geld besteden aan een zaak die niet meer in stand kan worden gehouden)

Het dialectenwoordenboek kent 42 spreekwoorden met `geen geld`

  1. Overijses: do zen gien kloite vooi (=er is geen geld beschikbaar)
  2. Zeeuws: gjeen naogel om an zin hat te kraowen (=geen geld hebben)
  3. Wetters: hij zit knurre (=hij heeft geen geld meer)
  4. Bilzers: lottet mér zitte (=ik moet geen geld)
  5. Aspers: op druug zoat zitten (=geen geld meer hebben)
  6. Kortrijks: jè gen kluttn (=hij heeft geen geld)
  7. Bornems: deen ei gene naugel veu on zen gat te krabbe (=hij heeft geen geld)
  8. Zottegems: ei zit op druug zoat (=hij heeft geen geld meer)
  9. Westerkwartiers: die zit op zwaart zoad (=die heeft geen geld meer)
  10. Bornems: betoale me peeschaave (=geen geld hebben om te betalen)
  11. Weerts: Dao es geîne oeëlie in de lâmp (=Er is geen geld meer)
  12. Veurns: platzak zien (=geen geld meer bij zich hebben)
  13. West-vlaams: hij wil niet lammeren (=hij wil geen geld geven)
  14. Munsterbilzen - Minsters: al geeste op zene kop ston (=voor geen geld ter wereld)
  15. Munsterbilzen - Minsters: al steeste op zene kop (=voor geen geld ter wereld)
  16. Lovendegems: 't zijt in zijne pap nie verdienen (=weinig of geen geld verdienen*)
  17. Pamels: betole mé wettelskoiven (=geen geld hebben om iets te betalen)
  18. Zwols: IJ ef gien cent te makke (=Hij heeft geen geld)
  19. Bachten de kupes: he genen nagel voe zen gat te krabben (=heeft geen geld)
  20. Zottegems: 'k ei giene rotte frang ne mier (=ik heb geen geld meer)
  21. Veurns: voe gin goeden oendje (=voor geen geld ter wereld)
  22. Volendams: ej je niet dan kej je niet (=als je geen geld heb, kan je niet mee)
  23. Lichtervelds: 't it gin broâd (=het komt niet slecht, het kost geen geld)
  24. Antwerps: Ik moet mijne chick oek betaole (=Ik kan je geen geld lenen)
  25. Zottegems: tes vandiese van de lege portemonnees (=Na de kermis hebben de mensen geen geld meer.)
  26. Bilzers: mét zen haan én zene sjaut, kraaj(g)ste naut(s) braud (=zonder werken geen geld)
  27. Rotterdams: Als ik zo rijk was ging ik Den Haag wonen (=ALS JE geen geld KAN BIJPASSEN)
  28. Sinnekloases en niekaarks: hij hé giene noagel vur in zijn gat te kraun (=hij heeft geen geld)
  29. Zwevegems: 'k è ginne roste soe mè, 'k ben blut (=Ik heb geen geld meer.)
  30. Westerkwartiers: woar niks is verlust de keizer zien recht (=wie geen geld heeft kan niet betalen)
  31. kortemarks: tgeld groejt nie up mne rik (=ik heb geen geld op overschot)
  32. Mestreechs: veer höbbe gein ezelke sjiet geld (=daar hebben wij geen geld voor)
  33. Westerkwartiers: die het gien noagel om zien gat te kraab'n (=die heeft totaal geen geld meer)
  34. Antwerps: Dien ieje gene rotte fraank oem on zen gat te krabbe (=Hij heeft geen geld)
  35. Ninoofs: da kan zannen brooënj nie trekken (=Hij heeft geen geld genoeg daarvoor)
  36. Bilzers: Van geld mokste gebreik, mér van minse hülste (=vriendschap is met geen geld te betalen)
  37. Diesters: Dieë hijt ginne nagel oem ze gat te krabbe; dieë zit oep druuëg zoad, dieë moet krabbe oem er te koome (=Hij heeft geen geld)
  38. tervurens: kol en mansjet en thoeis giene fret (=iemand die geen geld heeft maar doet alsof hij er wel heeft)
  39. Haarlems: ik heb geen piek meer, ik heb geen cent te makken (=ik heb geen geld (meer) / ik ben platzak)
  40. Tilburgs: Agge gin geld het om te kope, dan kunde oewe kooptaand wel uittrekke (=geen geld hebben om te kopen, je kooptand uittrekken)
  41. Steins: Hae haet geine roeaije mië op zien kloeate (=Hij heeft totaal geen geld meer!!)
  42. Dordts: Ik ga naar Playa Montana (=Als je geen geld hebt voor een verre vakantie, dan ga je naar een stukje strand bij de fabriek de Montan aan de Staart)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen