Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


60 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `en in`

  1. Als de ene blinde de ander leidt vallen ze beiden in de gracht (=Wanneer onbekwamen andere onbekwamen adviseren gaat het fout)
  2. als haringen in een ton zitten (=zich erg dicht op elkaar bevinden)
  3. beter één vogel in de hand dan tien in de lucht (=liever een beetje dan helemaal niets / kleine concrete resultaten zijn beter dan grootse plannen)
  4. bij schering en inslag gebeuren (=erg vaak gebeuren)
  5. daar zitten graten in (=daar klopt iets niet)
  6. dan is Leiden in last (=dan zijn er problemen!)
  7. dat heeft nogal wat voeten in de aarde (=dat is moeilijk te realiseren)
  8. dat is schering en inslag (=dat komt bijzonder vaak voor [onderdelen van een weefgetouw])
  9. de hakken in het zand zetten (=zich opstellen als felle tegenstander van een voorstel of ontwikkeling, zonder de bereidheid te zoeken naar positieve aspecten of naar compromissen)
  10. de handen in de schoot (=werkloos)
  11. de regen schuwen en in de sloot vallen (=door iets onaangenaams te ontwijken in nog groter problemen komen)
  12. denken met kousen en schoenen in de hemel te komen (=denken dat men zich niet moet inspannen)
  13. een onzevader bidden in alle kapelletjes (=in alle cafés langsgaan)
  14. een schip op het strand is een baken in zee (=van de fouten die anderen hebben gemaakt kun je zelf veel leren)
  15. er gaan veel makke schapen in een hok (=met inschikkelijke mensen is meer mogelijk)
  16. er geen been in zien (=geen bezwaar onderkennen. Er niet voor terugschrikken)
  17. er is meer dan de molen in het woud omgegaan (=er is iets bijzonders gebeurd)
  18. ergens kunnen inkomen (=het wel kunnen begrijpen)
  19. ergens zijn tanden inzetten (=vasthoudend zijn, niet snel opgeven)
  20. geen graten in iets vinden (=het niet erg vinden, zich er niet aan storen)
  21. goederen in de dode hand (=goederen die niet vererven)
  22. heden in hoogheid verheven morgen onder de aarde (=vandaag nog heel belangrijk, maar morgen misschien al dood)
  23. huilen met de wolven in het bos (=het er niet mee eens zijn maar wel de baas gelijk geven en bevestigen)
  24. iemand de brokken in de mond tellen (=iemand iets helemaal niet gunnen)
  25. je kunt niet met twee voeten in één sok (=twee onverenigbare zaken kunnen niet worden gecombineerd)
  26. kastelen in de lucht bouwen (=zich illusies maken)
  27. leven in de brouwerij brengen (=waar het rustig is activiteit, vrolijkheid of drukte inbrengen)
  28. maart heeft knepen in zijn staart (=weerspreuk)
  29. met de hakken in het zand (=koppig blijven)
  30. met de handen in het haar zitten (=geen oplossing meer weten)
  31. met een baksteen in de maag geboren worden (=graag een huis willen hebben dat van jezelf is, dat je eigendom is)
  32. met een been in het graf staan (=bijna dood, ernstig ziek)
  33. morgenrood, regen in de sloot (=weerspreuk : rood opkomende zon betekent vaak regen)
  34. muizenissen in het hoofd (=zorgen)
  35. niets dan lege briefjes hebben in te brengen (=voorstellen waarvan je vooraf al weet dat deze toch niet bekeken worden)
  36. Pluimen in de wind waaien (=Iets doen zonder na te denken)
  37. regen in mei, dan is april voorbij (=de natuur kiest vanzelf de goede volgorde)
  38. roepen in de woestijn (=niet gehoord worden)
  39. Tot over je oren in het werk zitten (=heel veel werk hebben)
  40. tussen twee stoelen in de as vallen (=er bekaaid vanaf komen)
  41. Tussen twee stoelen in de as zitten (=Niks uitvoeren / besluiteloos zijn)
  42. twee vliegen in een klap slaan (=twee problemen gelijktijdig oplossen)
  43. Twee vliegen in één klap slaan (=Efficiënt bezig zijn)
  44. van de regen in de drup (=niet veel opschieten, van moeilijke omstandigheden in nog moeilijkere omstandigheden terecht komen)
  45. veel voeten in de aarde hebben (=veel moeite en tijd kosten)
  46. vrienden in nood, honderd in een lood (=wanneer er zich problemen voordoen, laten vrienden je vaak in de steek)
  47. wat voor vlees men in de kuip heeft (=wat voor iemand (of iets) het is)
  48. weten wat voor vlees men in de kuip heeft (=weten met wat voor iemand men te doen heeft)
  49. willen weten welk vlees men in de kuip heeft (=eerst willen weten hoe iemand is)
  50. zijn eigen glazen ingooien (=het voor zichzelf bederven)

55 betekenissen bevatten `en in`

  1. Bakkerskinderen eten oud brood. (=Aan het vak dat men uitoefent, besteedt men in zijn directe omgeving weinig aandacht.)
  2. iemand het hof maken (=aardig tegen iemand doen in de hoop aardig gevonden te worden)
  3. zijn leven in de waagschaal stellen (=actie ondernemen waarbij het eigen leven in gevaar kwam)
  4. geen klaviertje over slaan (=alle bijzonderheden in acht nemen)
  5. de kat de bel aanbinden (=als eerste een begin maken aan iets moeilijks (een lastige klus of een ingewikkeld gesprek))
  6. een reef in het zeil doen (=besnoeien in de uitgaven, bezuinigen)
  7. van de wal in de sloot (helpen) (=de situatie verergeren in plaats van verbeteren)
  8. de ogen openen (=doen inzien)
  9. recht praten wat krom is (=door een ingewikkelde, onjuiste redenering een onzuivere situatie, daad of besluit trachten van een rechtvaardiging te voorzien)
  10. in de fuik lopen (=door eigen stommiteiten in een valstrik lopen)
  11. de regen schuwen en in de sloot vallen (=door iets onaangenaams te ontwijken in nog groter problemen komen)
  12. iets/iemand in de gaten hebben/krijgen (=doorkrijgen hoe dingen in elkaar steken of zicht houden op de situatie)
  13. een hoofd als een boei krijgen (=een erg rode kleur krijgen in het gezicht, erg blozen)
  14. een boom(pje) opzetten (=een informele discussie starten)
  15. een Egyptische duisternis (=een inktzwarte duisternis)
  16. tegen de draad ingaan (=het er niet er mee eens zijn en er tegen in gaan)
  17. wie zijn eigen tuintje wiedt, ziet het onkruid van een ander niet (=het is beter om energie te steken in het verbeteren van jezelf, dan in het bekritiseren van anderen)
  18. het klopt als een zwerende vinger (=het past goed; het is logisch; het is volkomen juist; er is niets tegen in te brengen. (Equivalent aan: het sluit als een bus.))
  19. iedere heilige komt zijn kaarsje toe (=iedere medewerker moet delen in de eer)
  20. iemand iets in de mond geven (=iemand de mening van een ander laten geven in plaats van de eigen mening)
  21. een stille in den lande zijn (=iemand die erg stil en ingetogen is of iemand die zich bijna nooit ergens mee bemoeit)
  22. ik maak een platvis van je (=iemand dreigen in elkaar te slaan)
  23. iemand de handen zalven (=iemand een geschenk geven in de hoop een gunst te bekomen)
  24. iemand de vrije hand geven (=iemand geheel vrij laten in de wijze waarop hij een opdracht uitvoert)
  25. iemand het brood uit de mond nemen/stoten (=iemand het onmogelijk maken om in eigen inkomen te kunnen voorzien)
  26. iemands handen zalven (=iemand iets geven in de hoop een gunst te verkrijgen)
  27. iemand de ogen openen (=iemand inzicht geven in iets wat diegene nog niet doorhad)
  28. ergens je eigen plasje overheen doen (=iets een beetje veranderen zodat helemaal naar je zin is. In werksituaties kan dit soms uit de hand lopen, als er veel belanghebbers zijn die allemaal hun eigen plasje over een document willen doen. Het kan dan resulteren in een onleesbare tekst.)
  29. ergens geen speld tussen kunnen krijgen (=iets klopt precies, geen gelegenheid krijgen in een gesprek ertussen te komen)
  30. iets bij de roes kopen (=iets kopen in de staat zoals het is)
  31. iets met de moedermelk binnenkrijgen (=iets leren in de eerste levensjaren)
  32. iets bij de roes verkopen (=iets verkopen in de staat zoals het is)
  33. wat in het vat zit, verzuurt niet (=iets wat goed is en goed bewaard wordt, verliest zijn waarde niet / wat beloofd is zal ook worden ingelost)
  34. op eigen houtje doen (=iets zelfstandig (eventueel op eigen initiatief) ondernemen)
  35. een goeie vis moet drie keer zwemmen (=in het water, in de boter of kookvocht en in de wijn)
  36. met twee monden praten (=jezelf tegenspreken in verschillende situaties, niet eerlijk zijn)
  37. kleine vossen bederven de wijngaard (=kleine fouten kunnen zorgen voor grote problemen in het geheel)
  38. zich in de kaart laten kijken (=meestal onopzettelijk een ander inzicht geven in je bedoelingen)
  39. Ongelijke paarden trekken kwalijk. (=Mensen die teveel verschillen in kwaliteiten, werken vaak niet goed samen)
  40. de draad van Ariadne (=middel om klaarheid te scheppen in een ingewikkeld iets)
  41. niet met iemand door één deur kunnen (=niet met iemand kunnen samenwerken (door verschillen in persoonlijkheid.))
  42. van de regen in de drup (=niet veel opschieten, van moeilijke omstandigheden in nog moeilijkere omstandigheden terecht komen)
  43. iemand doodpraten (=op iemand blijven inpraten tot hij versuft van raakt)
  44. de vuurproef doorstaan (=slagen in de moeilijke onderneming)
  45. als paddenstoelen uit de grond schieten (=snel en in grote massa tevoorschijn komen)
  46. tussen de bedrijven door (=tussen andere bezigheden in; tussendoor)
  47. als Ieren en Britten op één land (=twee aartsvijanden in één ruimte)
  48. beter een goede buur dan een verre vriend (=van mensen in zijn omgeving kan men meer hulp verwachten)
  49. van Scylla in Charybdis vervallen/geraken (=van moeilijke omstandigheden in nog moeilijkere omstandigheden terechtkomen)
  50. van de wal in de sloot belanden (=vanuit een slechte situatie terechtkomen in een situatie die nóg slechter is)

Het dialectenwoordenboek kent 1705 spreekwoorden met `en in`

  1. Merenaars: nen alexander, alles vur mau en niks vur enander (=egoist)
  2. Iepers: en'net gin noagel vo a zen gat te klown (=hij bezit niks)
  3. Iepers: en'nit lik e musche (=iemand die heel weinig eet)
  4. Heezers: wie ut wijf trouw om ut lijf,verliest ut lijf,mer haawt ut wijf (=wie een mooie vrouw trouwd is het mooie er vlug af enblijft alleen de vrouw over)
  5. Liedekerks: En tein (=En dan)
  6. Brugs: zjuust ik en gie (=alleen jij en ik)
  7. Lovendegems: gepakt en gezakt (=met pak en zak*)
  8. Munsterbilzen - Minsters: man en pieëd nieme (=naam en toenaam vertellen)
  9. Tilburgs: En snel un bietje (=En snel een beetje)
  10. Mols: Ettekes en peekes (=Erwten en wortelen)
  11. Huizers: vróm en tóm (=heen en terug)
  12. Westerkwartiers: hebb'n en holl'n (=hebben en houden)
  13. Oudenaards: goan en keern (=heen en weer)
  14. Fries: Yn kalk en semint (=In kannen en kruiken)
  15. Millers: jeüvër vanallës en nog get (=over koetjes en kalfjes)
  16. Antwerps: zeker en vast (=vast en zeker)
  17. Genneps: Cuyk en Kessel afloope (=Stad en land aflopen)
  18. Bilzers: los en lieber (=vrij en ongehinderd)
  19. Aarschots: klikke en klakke (=hebben en houden)
  20. Booms: Tissendeer (=Af en toe)
  21. Steins: Wied en zied (=Heinde en verre)
  22. Tilburgs: meej toere (=af en toe, nu en dan)
  23. Westerkwartiers: alle hoekjes en hörntjes (=alle hoeken en gaten)
  24. Veurns: uut en tende zien (=amen en uit zijn)
  25. fries: hikke en tein (=geboren en getogen)
  26. Rillaars: aikkes en poikkes (=erwtjes en worteltjes (gerecht))
  27. Hams: om en vedrom (=heen en terug)
  28. Zwevegems: En de jeunste! (=En 't amusement!)
  29. Brakels: en tuuns? (=en wat dan nog?)
  30. Westerkwartiers: papp'n en natholl'n (=erbij blijven en opletten)
  31. Mestreechs: mèt han en veuj (=met handen en voeten)
  32. Westerkwartiers: ien haart en nier'n (=met lichaam en ziel)
  33. Munsterbilzen - Minsters: tegoej en nie verkeird (=netjes en verzorgd)
  34. Veurns: Snot en kwiel kriesch'n (=Veel en hard wenen)
  35. Lekkerkerks: blik en t varken (=stoffer en blik)
  36. Ninoofs: azeu en azeu (=zus en zo)
  37. Nieuwerkerks: graat en blaat geslegen (=grauw en blauw geslagen)
  38. Kalkens: uitleggen en peten tiëkenen (=uitvoerig praten en gesticuleren)
  39. Deinzes: en tons?! (=en dan?)
  40. Antwerps: Echtig en techtig. Kopken af en recht noar d'el (=Echtig en techtig. Kopke af en recht naar de hel)
  41. Mestreechs: Me heet luij en potloejer en sjrieve kinne ze alletwie (=Je hebt mensen en potloden en schrijven doen beide)
  42. Bilzers: t kan nie op ! (=en nog en nog en nog)
  43. Westerkwartiers: man en peerd nuum'n (=alles met naam en toenaam noemen)
  44. Heuvellands: ol te mets en is gen gewunte (=af en toe is geen gewoonte)
  45. Westerkwartiers: boer'n en swien'n word'n knorr'ndeweg vet (=boeren en varkens knorren altijd)
  46. Sint-Niklaas: moager en twja gullèk de bokken va Snja (=mager en gezond zijn)
  47. Lommels: en honderd is gin éjen (=en ga zo maar door)
  48. Munsterbilzen - Minsters: en honderd ès geen één (=en ga zo maar door)
  49. Waregems: en gij gelooëft da !! (=en jij volgt die bewering/mening !!)
  50. Aarschots: frut mee stoofvlieës en majenais (=fritjes met stoofvlees en mayo)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen