Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

12 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `een klei`

  1. een grote lantaarn, een klein licht (=veel praat, maar weinig verstand)
  2. een klein hartje hebben (=weinig durven/gauw bang zijn)
  3. een klein lek doet een groot schip zinken (=een geringe onachtzaamheid kan tot grote schade leiden)
  4. een klein visje een zoet visje (=een klein voordeel of winstje dat met weinig moeite is verkregen)
  5. een kleine aardappel moet je niet schillen (=Aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  6. een ongeluk zit in een klein hoekje (=door een kleine fout kunnen gemakkelijk erg nare ongelukken gebeuren)
  7. ergens een kleine jongen bij zijn (=er niet aan kunnen tippen)
  8. het geluk ligt in een klein hoekje (=geluk komt onverwachts)
  9. het zo druk hebben als een klein baasje (=veel kleine karweitjes moeten doen)
  10. op een klein pitje zetten (=tijdelijk laten wachten, slechts langzaam laten verdergaan)
  11. voor geen klein geruchtje vervaard (=niet gauw bang)
  12. voor geen kleintje vervaard zijn (=veel durven)

22 betekenissen bevatten `een klei`

  1. dat is de druppel die de emmer doet overlopen (=dat is maar een kleine ergernis, maar samen met wat er al gebeurd is, wordt het niet meer geaccepteerd)
  2. een ongeluk zit in een klein hoekje (=door een kleine fout kunnen gemakkelijk erg nare ongelukken gebeuren)
  3. een bitter beetje (=een klein beetje)
  4. wie zijn naasten te schande maakt, onteert zichzelf (=een klein foutje, kan een groot geheel te schande maken)
  5. Niet het zout op zijn patatten verdienen (=een klein inkomen hebben)
  6. een tipje van de sluier oplichten (=een klein stukje van het onbekende onthullen)
  7. een klein visje een zoet visje (=een klein voordeel of winstje dat met weinig moeite is verkregen)
  8. een loodje in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren)
  9. een duit in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren. (Historisch: de kleinst mogelijke gave in het collectezakje van de kerk).)
  10. een visje verschalken (=een kleinigheid meepikken)
  11. een taling uitzenden om een eendvogel te vangen (=een kleinigheid opofferen om iets belangrijks terug te krijgen)
  12. er een plasje overheen doen (=ergens een kleine wijziging in aan (laten) brengen, dat wel duidelijk laat zien dat de afzender iemand van belang is)
  13. uit de kleine kinderen zijn (=geen kleine kinderen meer hoeven opvoeden)
  14. de wereld is een pijp kaneel ieder likt eraan maar krijgt niet veel (=ieder krijgt een klein deeltje van wat de wereld te bieden heeft)
  15. de wereld is een schouwtoneel elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel (=ieder krijgt een klein deeltje van wat de wereld te bieden heeft)
  16. De haring braden om de hom of kuit (=Iets opofferen om een kleinigheid)
  17. en petit comité (=in een klein genootschap, in het geheim)
  18. onder een staand zeiltje is het goed roeien (=met een klein vast inkomen, verdient men al gauw genoeg voor de kost)
  19. een kinderhand is gauw gevuld (=met een kleinigheid tevreden zijn)
  20. in het land der blinden is eenoog koning (=tussen dommeriken volstaat een klein beetje verstand om baas te zijn)
  21. van een mug een olifant maken (=van een klein probleem onnodig een groot probleem maken, erg overdrijven)
  22. een goed verstaander heeft maar een half woord nodig (=voor een goed verstaander is een kleine aanwijzing genoeg)

Het dialectenwoordenboek kent 45 spreekwoorden met `een klei`

  1. Kortemarks: tis ol kop en gat (=het is een klein ventje)
  2. Roermonds: de aerpele aafsjödde (=een kleine boodschap doen)
  3. Langemarks: é schorte groot (=een klein stukje (grond))
  4. Ninoofs: kop en gat (=een kleine persoon)
  5. Sinttruins: das nog een snotsnaat (=een kleine persoon)
  6. Overmeers: 'n treutsen overschot (=een kleine rest)
  7. Ransts: bakkes gekret (=een klein beetje lekkers)
  8. Budels: \ (=een klein gezet iemand)
  9. Sint-Niklaas: 't is mor een vloûg (=het is maar een kleine regen)
  10. Wierings: een blinkvoer een stink (=een kleine opklaring voor een regenbui)
  11. Westerkwartiers: die vrouw het 'n hongerloondje (=die vrouw heeft een klein salaris)
  12. Arnhems: die's gemaak van kleinmènnekeszaad (=wat een kleine man/vrouw)
  13. Sint-Niklaas: ieverangst noargoan (=ergens een klein bezoek afleggen, terloops binnenlopen)
  14. Sint-Niklaas: e piellukke gekapt eten (=een klein beetje gehakt eten)
  15. Bilzers: tés gebiërd ei dasset wiës (=een ongeluk zit in een klein hoekje)
  16. Tongers: hè és koot veur ën habbëkrats (=hij is kwaad voor een kleinigheid)
  17. Sint-Niklaas: ze vechten om een onnozulleid (=ze vechten om een kleinigheid)
  18. Oudenbosch: nee edde en jao kunde krijge (=er is altijd een kleine kans)
  19. kortemarks: da vintje ist gat teegn dêirde (=het is een klein ventje)
  20. Luyksgestels: 't is mèr 'nnen treej (=het is maar een klein stukje)
  21. Zeeuws: Ier è wah van mun/mien. (=Hier, een kleinigheidje van mij.)
  22. kortemarks: tis ne kap van mn ieln (=het is een kleine moeite)
  23. Munsterbilzen - Minsters: tgelèk zittem èn e kleen hikske ( brikske) (=het geluk zit hem in een klein br..hoekje)
  24. Munsterbilzen - Minsters: daajhètter ooge nie èn hër maol zitte (=die loert nog niet een klein beetje)
  25. Gelaens (Geleens): 'n Kiendje póngele. (=een klein kind op de armen dragen.)
  26. Zottegems: tes nen bum van ne vent moer ij es te kort afgezoagd (=een kleine man)
  27. Tilburgs: kèk us wè-n klèèn môoniekake (=kijk eens wat een klein harmonikaatje)
  28. Sint-Niklaas: stoeferken, vloekurken, nogndudzjuuken (=een klein sierdoekje in het zakje, linksboven, van een herenvest)
  29. Sint-Niklaas: ne frangen alf (=een grote man en een kleine vrouw (= gestalte))
  30. Hulsters (NL): da's gin vette (=dat is maar een kleine opbrengst, winst etc.)
  31. Leids: uts wènnig mar ut kom uit un goed harret (=als je een klein presentje meeneemt)
  32. Antwerps: een ongeluk ligt oep een klaain pleutske (=een ongeluk zit in een klein hoekje)
  33. Kinrooi: Hieël veul gelök zitj in e klein breukske! (=Heel veel geluk zit in een klein broekje!)
  34. Sittards: Ein moel wie ein sjuurpaort en ein hertje wie ein ert (=Een grote mond en een klein hartje)
  35. Sint-Niklaas: moederkeszalf (=een klein kind met speeksel van moeder inwrijven)
  36. Sint-Katelijne-Waver: Groêt bakkes en eu klaa hétteke (=Grote mond en een klein hartje)
  37. Sint-Niklaas: 't lacht en 't zie nie (=iemand die lacht om een kleinigheid)
  38. Steins: Get veur in einen haolen tentj (=een kleine hoeveelheid eten)
  39. Weerts: det helleptj tieëge de muus zag de boor en hae stoeëk zien scheur in brând (=overdrijven om een klein probleem op te lossen)
  40. Soasels: op 'n heanig spil he'j ok wa wil (=in een klein huisje kan het ook goed wonen zijn)
  41. Lebbeeks: brouijzzel: Beter 'n brok as 'n brouijzzel (=Beter een groot stuk dan een klein / Beter veel dan weinig)
  42. Liemers: Een präötje over een dräödje in een klein sträötje waor lich uut zol komme wa'j nie kön zie:n maor wel kön vuu:le. (=Een praatje over een draadje in een klein straatje waar licht uit zou komen wat je niet kunt zien maar wel voelen.)
  43. Drents: Een grote heidedobbe is ontstaon oet een klein wellegie (=Uit iets kleins kan iets groots voort komen)
  44. Tilburgs: hij hò un pòtverdommeke laote staon èn sondags droeg ie un nondejuuke. (=hij had een klein sikje laten groeien en 's zondags droeg hij een vlinderdasje.)
  45. Holsbeeks: ik zal vee a es e woetteke pakke en in ne boeëm joge (=ik zal voor u eens een klein geitje (bokje) vangen en in een boom jagen. Een uitdrukking (bedankinkje) om iemand (vooral kinderen) af te schepen nadat ze een werkje hebben opgeknapt)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen