Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


18 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `een ander`

  1. de een z'n dood is een ander z'n brood (=wat voor de één een nadeel is, daar profiteert een ander van)
  2. de wind waait uit een andere hoek (=de meningen/omstandigheden zijn veranderd)
  3. door de bril van een ander zien (=de mening van een ander blind vertrouwen)
  4. een ander liedje laten zingen (=mores leren, van gedacht doen veranderen)
  5. een andere toon aanslaan (=op een andere manier tegen iemand gaan praten)
  6. een put maken om een andere te vullen (=met de ene lening de vorige afbetalen)
  7. het is altijd vet op een andermans schotel (=een ander heeft het schijnbaar altijd beter)
  8. het is beter een andermans hemd dan geen (=wat men niet heeft kan men desnoods nog altijd lenen)
  9. het over een andere boeg gooien (=het anders aanpakken)
  10. in een andere vorm gieten (=anders voorstellen)
  11. op een andere leest schoeien (=op een andere manier aanpakken)
  12. uit een ander vaatje tappen (=het anders aanpakken)
  13. Wat de een niet lust, daar eet een ander zich dik aan. (=Smaken verschillen.)
  14. wie een kuil/put graaft voor een ander valt er zelf in (=wie een ander iets wil misdoen, kan er zelf het slachtoffer van worden)
  15. wie zich aan een ander spiegelt spiegelt zich zacht (=wie uit het ongeluk van anderen lering trekt, zal minder ongeluk hebben)
  16. wie zijn eigen tuintje wiedt, ziet het onkruid van een ander niet (=het is beter om energie te steken in het verbeteren van jezelf, dan in het bekritiseren van anderen)
  17. zich aan een ander spiegelen (=zich vergelijken met een ander)
  18. zijn zeis in een anders koren slaan (=stelen, zich in het werk van iemand anders bemoeien)

50 betekenissen bevatten `een ander`

  1. De zon niet in het water kunnen zien schijnen (=Afgunst hebben (jaloers zijn) op een ander)
  2. laat uw linkerhand niet weten wat uw rechterhand doet (=als je een ander geld geeft kun je dat beter stilhouden want anderen hoeven het niet te weten)
  3. wie kaatst kan/moet de bal verwachten (=als je een ander plaagt, kun je verwachten dat die jou terug gaat plagen)
  4. wie appelen vaart, die appelen eet (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van)
  5. gedeelde smart is halve smart (=als je over problemen praat, dan kan je het makkelijker verwerken / door de problemen/ellende van een ander is het gemakkelijker de eigen problemen/ellende te dragen)
  6. wanneer twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen (=als twee strijdende personen of partijen zich richten op elkaar, kan een ander daarvan profiteren door zich datgene toe te eigenen waar om gestreden wordt)
  7. door de bril van een ander zien (=de mening van een ander blind vertrouwen)
  8. andermans boeken zijn duister te lezen (=de toestand of bedoelingen van een ander zijn moeilijk in te schatten)
  9. buurmans leed troost (=door het verdriet of de pijn van een ander kun je je eigen verdriet en pijn beter verdragen)
  10. liefde is blind (=door verliefdheid de gebreken van een ander niet zien)
  11. de pot verwijt de ketel dat die zwart ziet (=een ander aanwijzen als schuldige, terwijl die zelf hetzelfde gedaan heeft)
  12. het is altijd vet op een andermans schotel (=een ander heeft het schijnbaar altijd beter)
  13. voor het inkoppen hebben (=een eenvoudige kans om in een discussie een punt te maken dankzij een voorzet van een ander)
  14. een aflossing van de wacht (=een vervanging van de ene persoon door een andere)
  15. zich de wet niet voor laten schrijven (=geen bevelen accepteren van een ander)
  16. achterom is kermis (=gezegd bij biljart als 'n bal rakelings achter een andere door loopt)
  17. in de schaduw stellen (=het beter doen dan een ander, iemand overtreffen)
  18. De breedste riemen worden uit andermans leer gesneden (=Het is gemakkelijk met kwistige hand te beschikken over wat een ander toebehoort)
  19. ergens voor opdraaien (=het werk van een ander doen / ergens de schuld van krijgen)
  20. ergens een handje van hebben (=hinderlijke gewoonte, als iemand de kans ergens toe ziet die ook nemen, een ander het werk laten doen)
  21. een goed woord voor iemand doen (=iemand bij een ander aanbevelen)
  22. iemand iets in de mond geven (=iemand de mening van een ander laten geven in plaats van de eigen mening)
  23. een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen (=iets kleins aan een ander geven met de gedachte zelf iets groots terug te krijgen)
  24. andermans veren (=iets van een ander (andermans eer))
  25. onder iemands duiven schieten (=klanten van een ander overhalen om klant te worden bij jou)
  26. de zon in het water kunnen zien schijnen (=kunnen verdragen dat een ander ook iets krijgt)
  27. omstaan leren (=leren schikken naar de wensen en bevelen van een ander)
  28. zijn rokje omkeren (=lid van een andere (bv politieke) partij worden)
  29. een streepje voor hebben (=meer mogen dan een ander, minder gauw straf krijgen)
  30. zich in de kaart laten kijken (=meestal onopzettelijk een ander inzicht geven in je bedoelingen)
  31. men moet zijn hoed niet afnemen, voor men gegroet wordt (=men moet een ander nooit in de rede vallen)
  32. Men moet een paard de rug niet stuk rijden. (=Men moet niet te veel eisen van een ander)
  33. iemands hete adem in je nek voelen (=merken dat een ander je bijna inhaalt; opgejut of opgejaagd worden)
  34. de mijn is verkeerd gesprongen (=ongeveer als: wie een put graaft voor een ander, valt er zelf in)
  35. met de maat waarmee gij meet, zal u weder gemeten worden (=op de manier zoals je een ander behandelt zal je ook zelf behandeld worden)
  36. op een andere leest schoeien (=op een andere manier aanpakken)
  37. de steven wenden (=op een andere manier de dingen gaan aanpakken)
  38. een andere toon aanslaan (=op een andere manier tegen iemand gaan praten)
  39. het nakijken hebben (=te laat in actie zijn gekomen, een ander was je voor)
  40. met andermans kalf ploegen (=terwijl je de hulp van een ander gebruikt, doen alsof je het zelf alleen gedaan hebt)
  41. Ongegund brood wordt veel gegeten. (=Vaak kan men het niet verdragen dat het een ander beter gaat.)
  42. het veld ruimen (=vertrekken om plaats te maken voor een ander)
  43. iemand de woorden uit de mond halen (=voor een ander spreken)
  44. de een z'n dood is een ander z'n brood (=wat voor de één een nadeel is, daar profiteert een ander van)
  45. met andermans veren pronken (=weglopen met de ideeën van een ander, met iets van een ander zelf gaan pronken)
  46. wie een kuil/put graaft voor een ander valt er zelf in (=wie een ander iets wil misdoen, kan er zelf het slachtoffer van worden)
  47. naar Canossa gaan (=zich aan een ander onderwerpen)
  48. In iemands huid kruipen (=zich in een ander verplaatsen)
  49. zich aan een ander spiegelen (=zich vergelijken met een ander)
  50. onder valse vlag varen (=zich voordoen als een ander of zich anders voordoen)

Het dialectenwoordenboek kent 52 spreekwoorden met `een ander`

  1. Westerkwartiers: 't roer omgooi'n (=een andere koers gaan volgen)
  2. Munsterbilzen - Minsters: klepmaul (=iemand die een ander verraadt)
  3. Zeeuws: die ageen spuigweter vo een ander over (=die heeft niets voor een ander over)
  4. Munsterbilzen - Minsters: g (=maak dat een ander wijs)
  5. Voorthuizens: Aander hoar veur de kar (=een andere vriendin)
  6. Lovendegems: zijne kazakken droaien (=naar een andere partij overlopen*)
  7. Munsterbilzen - Minsters: den aandre kant van de medëlzje (=een ander verhaal)
  8. Oudenbosch: op die manier ja zee-gtawel (=op een andere manier)
  9. Bilzers: on de kleen mêm hange (=nog iets overlaten voor een ander)
  10. Munsterbilzen - Minsters: ne vroenk tron gaeve (=een andere wending er aangeven)
  11. Brugs: un diltekoatere (=gast altijd op toer met een ander lief)
  12. Munsterbilzen - Minsters: get bekoenkelfoeze (=iets achter de rug van een ander afspreken)
  13. Westerkwartiers: hij leeft op 'e schop en 'e bonk (=hij profiteert van een ander)
  14. Dongens: Dun diën is meer dan nu rechte verkenssteirt (=Iemand die denkt meer te zijn dan een ander)
  15. Oudenbosch: zij stook ut op un aander (=zij gaf een ander de schuld)
  16. Flakkees: Doch ut nie (=Daar heb ik een ander idee bij)
  17. Westerkwartiers: uut 'n aaner vadje tapp'n (=iets op een andere manier doen)
  18. Veurns: Oedt de zot mi je mette! (=Spot met een ander!)
  19. Munsterbilzen - Minsters: gank mèr n diër waajer (=maak dat een ander wijs)
  20. Westerkwartiers: teeg'n de stroom ienroei'n (=een andere mening hebben dan de meerderheid)
  21. Venloos: in 't duuster sien alle katers zwart (=geen ene man is beter dan een ander)
  22. Munsterbilzen - Minsters: nau konste ès snuffele (=nu weet je het eens van een ander)
  23. Mestreechs: we un kl gruf (=wie een kuil graaf voor een ander ,, valt er zelf in)
  24. Munsterbilzen - Minsters: op iemed aongewiëze zin of op z'n eege (=aangewezen op een ander of op jezelf)
  25. Vriezenveens: Ziene katte is biätter as aondermaons kou (=Het zijne is altijd beter dan dat van een ander)
  26. Gents: oan eu eige scheete kende nen ander zijne stroent (=ken uzelf, en je kent een ander)
  27. Bilzers: laeven en lotte laeve (=je moet een ander ook wat gunnen)
  28. Munsterbilzen - Minsters: hae begos e nau laeve (=de herbergier tapte uit een ander vaatje)
  29. Oudenbosch: leve en laote leve ee (=je moet een ander ook wat gunnen)
  30. Tilburgs: hij heeget hòòg in zun neusgaote (=hij denkt dat hij iets meer is dan een ander)
  31. Bilzers: nau konste ès effe snuffele (=nu hoor je het eens van een ander)
  32. Munsterbilzen - Minsters: iemes de stroeët taupitse (=niet kunnen verdragen dat een ander ook leeft)
  33. Hoogstraats: Dieje denkt da zenne stront ni stinkt (=Hij vindt zichzelf beter dan een ander)
  34. Westfries: die most 'n pik hooi luste (=mij is een andere mening toegedaan over die gast)
  35. Lanakens: Lach met den eige kapotte zokke. (=Lach met jezelf in plaats van een ander uit te lachen.)
  36. Nieuwerkerks: e vajt veirken zie ni da e mauger onger eet (=iemand die het goed heeft ziet niet dat een ander problemen heeft)
  37. Munsterbilzen - Minsters: kaaf kan koe wiëne,mér iëzel blif iëzel (=wie een put graaft voor een ander, heeft zich voor niets moe gemaakt)
  38. Ninoofs: auen dop op een ander ooitschidd'n (=overspel plegen)
  39. Bilzers: de moesset nau wir nie op nen aandre gon staeke (=zoek de schuld niet op een ander te steken)
  40. Londerzeels: Ei z'n aare'n oep een ander ge lei (=Een scheve schaats rijden)
  41. Amsterdams: Afsmoorder (=Iemand die altijd sigaretten van een ander aanneemt maar nooit geen terug geeft)
  42. Kinrooi: Oos laeve is mer eine kwaolikke sjeet, misjien is dit de hèl van ein anger planeet? (=Ons leven is maar een kwalijke scheet, misschien is dit de hel van een andere planeet!)
  43. Epers: Stemm'm is een ander op ut peerd help'm en d'r zelf noas goan loop'm. (=Democratie is een illusie.)
  44. Sint-Niklaas: Alexander, alles vur mè mor niets vur een ander (=tegen een egoist ...zegt men:)
  45. Steins: Doe kèns waal emes veur de kop kieke, meh neet d'rinne. (=wat een ander denkt, kun je niet weten)
  46. Steins: de koo of de geit òmtúúre (tuieren aan een paal) (=de koe of de geit verplaatsen naar een ander gedeelte van de weide)
  47. Kinrooi: Stèltj neet oet tot mörge waat gae vandaag door 'nen angere kóntj laote doon! (=Stel niet uit tot morgen wat je vandaag door een andere kan laten doen!)
  48. Munsterbilzen - Minsters: wae de dieër vër iemes ze gezich taugoejt, moet oplètte datter nie mèt zeneege haan ter tësse kump (=wie een kuil graaft voor een ander, moet opletten dat hij er niet zelf in valt)
  49. Vechtdals: Wa-j nie wilt wat ze oew doet, mu-j ok nie bi'j 'n aander doew. (=Wat gij niet wilt wat u geschied, doet dat ook een ander niet.)
  50. Kinrooi: 't Ergste waat dich kan euverkómme is te haoje van emes dae van einen angere hiltj! (=Het ergste wat je kan overkomen is te houden van iemand die van een andere houdt.)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen