Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


19 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `een an`

  1. de een z'n dood is een ander z'n brood (=wat voor de één een nadeel is, daar profiteert een ander van)
  2. de wind waait uit een andere hoek (=de meningen/omstandigheden zijn veranderd)
  3. door de bril van een ander zien (=de mening van een ander blind vertrouwen)
  4. een ander liedje laten zingen (=mores leren, van gedacht doen veranderen)
  5. een andere toon aanslaan (=op een andere manier tegen iemand gaan praten)
  6. een antenne hebben voor iets (=iets goed aanvoelen)
  7. een put maken om een andere te vullen (=met de ene lening de vorige afbetalen)
  8. het is altijd vet op een andermans schotel (=een ander heeft het schijnbaar altijd beter)
  9. het is beter een andermans hemd dan geen (=wat men niet heeft kan men desnoods nog altijd lenen)
  10. het over een andere boeg gooien (=het anders aanpakken)
  11. in een andere vorm gieten (=anders voorstellen)
  12. op een andere leest schoeien (=op een andere manier aanpakken)
  13. uit een ander vaatje tappen (=het anders aanpakken)
  14. Wat de een niet lust, daar eet een ander zich dik aan. (=Smaken verschillen.)
  15. wie een kuil/put graaft voor een ander valt er zelf in (=wie een ander iets wil misdoen, kan er zelf het slachtoffer van worden)
  16. wie zich aan een ander spiegelt spiegelt zich zacht (=wie uit het ongeluk van anderen lering trekt, zal minder ongeluk hebben)
  17. wie zijn eigen tuintje wiedt, ziet het onkruid van een ander niet (=het is beter om energie te steken in het verbeteren van jezelf, dan in het bekritiseren van anderen)
  18. zich aan een ander spiegelen (=zich vergelijken met een ander)
  19. zijn zeis in een anders koren slaan (=stelen, zich in het werk van iemand anders bemoeien)

54 betekenissen bevatten `een an`

  1. De zon niet in het water kunnen zien schijnen (=Afgunst hebben (jaloers zijn) op een ander)
  2. laat uw linkerhand niet weten wat uw rechterhand doet (=als je een ander geld geeft kun je dat beter stilhouden want anderen hoeven het niet te weten)
  3. wie kaatst kan/moet de bal verwachten (=als je een ander plaagt, kun je verwachten dat die jou terug gaat plagen)
  4. wie appelen vaart, die appelen eet (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van)
  5. gedeelde smart is halve smart (=als je over problemen praat, dan kan je het makkelijker verwerken / door de problemen/ellende van een ander is het gemakkelijker de eigen problemen/ellende te dragen)
  6. wanneer twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen (=als twee strijdende personen of partijen zich richten op elkaar, kan een ander daarvan profiteren door zich datgene toe te eigenen waar om gestreden wordt)
  7. door de bril van een ander zien (=de mening van een ander blind vertrouwen)
  8. andermans boeken zijn duister te lezen (=de toestand of bedoelingen van een ander zijn moeilijk in te schatten)
  9. buurmans leed troost (=door het verdriet of de pijn van een ander kun je je eigen verdriet en pijn beter verdragen)
  10. liefde is blind (=door verliefdheid de gebreken van een ander niet zien)
  11. de pot verwijt de ketel dat die zwart ziet (=een ander aanwijzen als schuldige, terwijl die zelf hetzelfde gedaan heeft)
  12. het is altijd vet op een andermans schotel (=een ander heeft het schijnbaar altijd beter)
  13. is de paus katholiek? (=een antwoord op een vraag waarvan het antwoord overduidelijk `Ja` is)
  14. voor het inkoppen hebben (=een eenvoudige kans om in een discussie een punt te maken dankzij een voorzet van een ander)
  15. een aflossing van de wacht (=een vervanging van de ene persoon door een andere)
  16. ergens niet van terug hebben (=er geen antwoord op weten)
  17. zich de wet niet voor laten schrijven (=geen bevelen accepteren van een ander)
  18. achterom is kermis (=gezegd bij biljart als 'n bal rakelings achter een andere door loopt)
  19. in de schaduw stellen (=het beter doen dan een ander, iemand overtreffen)
  20. De breedste riemen worden uit andermans leer gesneden (=Het is gemakkelijk met kwistige hand te beschikken over wat een ander toebehoort)
  21. ergens voor opdraaien (=het werk van een ander doen / ergens de schuld van krijgen)
  22. ergens een handje van hebben (=hinderlijke gewoonte, als iemand de kans ergens toe ziet die ook nemen, een ander het werk laten doen)
  23. een goed woord voor iemand doen (=iemand bij een ander aanbevelen)
  24. iemand iets in de mond geven (=iemand de mening van een ander laten geven in plaats van de eigen mening)
  25. een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen (=iets kleins aan een ander geven met de gedachte zelf iets groots terug te krijgen)
  26. andermans veren (=iets van een ander (andermans eer))
  27. onder iemands duiven schieten (=klanten van een ander overhalen om klant te worden bij jou)
  28. de zon in het water kunnen zien schijnen (=kunnen verdragen dat een ander ook iets krijgt)
  29. omstaan leren (=leren schikken naar de wensen en bevelen van een ander)
  30. zijn rokje omkeren (=lid van een andere (bv politieke) partij worden)
  31. een streepje voor hebben (=meer mogen dan een ander, minder gauw straf krijgen)
  32. zich in de kaart laten kijken (=meestal onopzettelijk een ander inzicht geven in je bedoelingen)
  33. men moet zijn hoed niet afnemen, voor men gegroet wordt (=men moet een ander nooit in de rede vallen)
  34. Men moet een paard de rug niet stuk rijden. (=Men moet niet te veel eisen van een ander)
  35. iemands hete adem in je nek voelen (=merken dat een ander je bijna inhaalt; opgejut of opgejaagd worden)
  36. de mijn is verkeerd gesprongen (=ongeveer als: wie een put graaft voor een ander, valt er zelf in)
  37. met de maat waarmee gij meet, zal u weder gemeten worden (=op de manier zoals je een ander behandelt zal je ook zelf behandeld worden)
  38. op een andere leest schoeien (=op een andere manier aanpakken)
  39. de steven wenden (=op een andere manier de dingen gaan aanpakken)
  40. een andere toon aanslaan (=op een andere manier tegen iemand gaan praten)
  41. de bal terugkaatsen (=op een vraag die gesteld wordt geen antwoord geven, maar een tegenvraag stellen; op een kritische opmerking van iemand reageren door zelf ook meteen een kritische opmerking te maken over de ander)
  42. het nakijken hebben (=te laat in actie zijn gekomen, een ander was je voor)
  43. met andermans kalf ploegen (=terwijl je de hulp van een ander gebruikt, doen alsof je het zelf alleen gedaan hebt)
  44. zich het hoofd breken over iets (=trachten een antwoord te vinden op een moeilijke vraag)
  45. Ongegund brood wordt veel gegeten. (=Vaak kan men het niet verdragen dat het een ander beter gaat.)
  46. het veld ruimen (=vertrekken om plaats te maken voor een ander)
  47. iemand de woorden uit de mond halen (=voor een ander spreken)
  48. de een z'n dood is een ander z'n brood (=wat voor de één een nadeel is, daar profiteert een ander van)
  49. met andermans veren pronken (=weglopen met de ideeën van een ander, met iets van een ander zelf gaan pronken)
  50. wie een kuil/put graaft voor een ander valt er zelf in (=wie een ander iets wil misdoen, kan er zelf het slachtoffer van worden)

Het dialectenwoordenboek kent 3551 spreekwoorden met `een an`

  1. Rotterdams: Hotel Emma (=Politieburo Eendrachtsplein)
  2. Westerkwartiers: dat hangt as lös zaand an mekoar (=dat zijn allemaal eenlingen)
  3. Merenaars: oepen en toepen (=eender wat doen, erop los leven)
  4. Zwols: kiek die tamme ente ies, as 't oew tamme ente is pak em dan. In de 60-er jaren reed er in Zwolle een lelijk eendje rond met de Latijnse tekst: Sidi tamentis, astoe entis pactum (=kijk die tamme eend eens, als het jouw eend is pak hem dan)
  5. Middelnederlands: huus ende hof houden met eene wive, met eene vrouw (=samenwonen (vooral buitenechtelijk))
  6. Oudenbosch: de tijd eenie stilgestaon (=er is veel veranderd)
  7. Westerkwartiers: niet elk schot is 'n eendvogel (=niet iedere poging is raak)
  8. Merenaars: der mè zèn moesj nor sloeën (=raden, eender wat antzoorden)
  9. Brabants: dur eene gaon vatten (=een borrel gaan drinken)
  10. Lutters: alle enties zwõmt int water (=alle eendjes zwemmen in het water)
  11. Westerkwartiers: elk schot is gien eendvogel (=niet elke poging lukt)
  12. Bilzers: den eenen of den aandere (=de één of ander)
  13. Graauws: eenen ne pee stoven (=iemand voor de gek houden)
  14. Genneps: klitse, klatse, kla.nder, van den eenen bil óp d'n a.ndere (=op en neer)
  15. Twents: den löp met beide beene in eene piepe (=hij is heel onhandig)
  16. Steins: 't is mich sjiet egaal (=het is mij om het eender)
  17. Noorderkempisch: Paktitamentis (=Pak die tamme eend eens)
  18. Hams: Da's tjij (=Zo is hij nu eenmaal)
  19. Lebbeeks: vrouijen: Dei zaa mé ne paul vrouijen (=Die zou met eender wie vrijen)
  20. Twents: eene flink an de pinne loat'n roek'n. (=iemand hard laten werken)
  21. Epers: Dät kan net eender wat wéézn (=Dat kan van alles zijn)
  22. Oudenbosch: da gaodover mun out eene (=dat gaat mij veel te ver)
  23. Bilzers: haol mich zau nog èns eene\r\ne ras epoët (=zo is er maar één)
  24. Oudenbosch: gaotur nou nie om-eene draaie (=zeg wat je wilt zeggen)
  25. Oudenbosch: ze kwame allemaol d n eene mit d n aandere binne (=ze kwamen allen tegelijk binnen)
  26. Oudenbosch: eurst deur d n keurdo-ns eene motte (=eerst verwerken om verder te kunnen)
  27. Klemskerks: 't Reegent d'r ip lik ip een oande: hij/zij is ongevoelig voor berisping, kritiek, vermaning of goede raad (='t Regent erop gelijk op een eend)
  28. Urkers: as je oover de kwoadampen eene binnen (=als je de midlifecrisis te boven bent)
  29. Walshoutems: weivuel zo da wooge puist ne kir (=Hoeveel zou dat wegen probeer eenmaal)
  30. Kampers: Sie die tamme ante ies, as te oenten ist pakt em (pseudo-latijn!) (=kijk die tamme eend eens,als ie van jou is pak 'm)
  31. Liemers: Hentum van Bentum draei-j den end um anders verbrentum (In kwazie latijn). (=Pastoorsmeid Hentje van Bentum was ook de koster en hadden eend in de pan die dreigde aan te branden onder de hoogmis de pastoor draaide zich om en zong:)
  32. Sint-Niklaas: een tikenei (=een ei van een kip)
  33. Zeels: een scheet in een flesse (=een niemendalletje)
  34. Zomergems: een beschetn comisse (=een zaak met een reukje aan)
  35. Avelgems: Est een meiske of ne knecht? (=Is het een meisje of een jongen?)
  36. Amelands: een twe hanz stukje of een een hanz stukje (=een een hands stukje of een twee hands stukje)
  37. Overmeers: 'n klesse hoar (=een haarlok)
  38. Zeeuws: ùnont (=een hond)
  39. Overmeers: nen boek koarten (=een kaartspel)
  40. Sint-Niklaas: 'nen oarzak (=een valsspeler)
  41. Overmeers: e vloksken snieë (=een sneeuwvlokje)
  42. Aalsters: een snabbe en een beet (=kortaf)
  43. Lokers: e pieleke vliees (=een bolletje gehakt of een sneetje charcuterie)
  44. Sevenums: kaojen duuej is gewissen duuej (=een koude dooi is een zekere dooi)
  45. Overpelts: nenaawenotto en nenouwenotto (=een oude auto en een nieuwe auto)
  46. Munsterbilzen - Minsters: hae deed et én den oto (=een pooier in een Escort)
  47. Fries: Ik bin in tûken ien (=Ik ben een tuiken een)
  48. Siebengewalds: an enne bergse (=Waar heeft een Siebengewalder een hekel aan..)
  49. Zeeuws: Da's mae 'n schoef kind (=Dat is een is een schuw kind)
  50. Liedekerks: gestreltj dee een peirabie (=gestoken door een bij)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen