Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


71 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `doeN`

  1. aan de hand doeN (=bezorgen)
  2. aan kant doeN (=opruimen)
  3. al doeNde leert men (=door iets vaak te doen, leert men hoe het moet. )
  4. alle heilige huisjes aandoeN (=alle cafés bezoeken)
  5. alles malletje naar malletje doeN/maken (=alles steeds weer op precies dezelfde manier doen)
  6. de dampen aandoeN (=pesten)
  7. de das omdoeN (=iets dat problemen geeft)
  8. de haren ten berge (doeN) rijzen (=ergens erg van (doen) schrikken)
  9. de lever doeN schudden (=doen schaterlachen)
  10. de moed in de schoenen doeN zinken (=wanhopig worden en de moed verliezen)
  11. de nieuwe mens aandoeN (=zijn gewoonten en zeden verbeteren)
  12. de paternosters aandoeN (=boeien aandoen)
  13. de strop om de hals doeN (=iemand in uiterste problemen brengen)
  14. de tafel eer aandoeN (=goed en veel eten)
  15. de voorsten doeN wat de achtersten niet mogen (=wie eerst komt is in het voordeel)
  16. denkt aleer gij doeNde zijt en doeNde denkt dan nog. (Guido Gezelle) (=maak een plan alvorens ergens aan te beginnen, en stel tijdens de activiteit het plan bij indien nodig)
  17. dik doeN (=opscheppen)
  18. doeN alsof je neus bloedt (=doen alsof je van niets weet)
  19. een blind paard zou er geen schade doeN (=een armoedig interieur)
  20. Een blind paard zou er geen schade doeN. (=Daar in huis is letterlijk niets meer)
  21. een dronkemansgebed doeN (=het geld natellen (als het zo goed als op is))
  22. een duit in het zakje doeN (=een kleine bijdrage leveren. (Historisch: de kleinst mogelijke gave in het collectezakje van de kerk).)
  23. een goed woord voor iemand doeN (=iemand bij een ander aanbevelen)
  24. een Keulse reis doeN (=heel lang wegblijven)
  25. een kind kan de was doeN (=het gaat heel makkelijk)
  26. een loodje in het zakje doeN (=een kleine bijdrage leveren)
  27. Een paard dat eens op hol is geslagen, kan dat snel weer doeN. (=Een eens gemaakte fout, begaat men makkelijk weer)
  28. een reef in het zeil doeN (=besnoeien in de uitgaven, bezuinigen)
  29. een tukje doeN (=een kort middagslaapje)
  30. er een plasje overheen doeN (=ergens een kleine wijziging in aan (laten) brengen, dat wel duidelijk laat zien dat de afzender iemand van belang is)
  31. er een schepje opdoeN (=er nog wat aan toevoegen)
  32. er het zwijgen toe doeN (=er niets over zeggen)
  33. er is geen doeN aan (=hij is niet te overtuigen, niets kan helpen)
  34. er zijn maal wel mee kunnen doeN (=er wel mee toekomen)
  35. ergens een gooi naar doeN (=een kans wagen of iets proberen te raden)
  36. ergens je eigen plasje overheen doeN (=iets een beetje veranderen zodat helemaal naar je zin is. In werksituaties kan dit soms uit de hand lopen, als er veel belanghebbers zijn die allemaal hun eigen plasje over een document willen doen. Het kan dan resulteren in een onleesbare tekst.)
  37. geen mond open doeN (=niets zeggen)
  38. geen twee missen voor hetzelfde geld doeN (=niet tweemaal hetzelfde zeggen of doen)
  39. geen vlieg kwaad doeN (=uitsluitend goede bedoelingen hebben, niemand tot last zijn)
  40. goed zijn woord kunnen doeN (=een vlotte prater zijn)
  41. het dunnetjes overdoeN (=het nog een keertje op dezelfde manier herdoen)
  42. het in zijn broek doeN (=in de broek plassen van schrik of van het lachen)
  43. het licht doeN zien (=publiceren)
  44. het masker afdoeN/afleggen/afnemen (=zijn ware gezicht tonen)
  45. iemand de manchetten aandoeN (=de handboeien aandoen)
  46. iemand iets aan de hand doeN (=iemand een suggestie geven)
  47. iemand te kort doeN (=iemand te weinig geven of begrijpen)
  48. iets de deur uit doeN (=iets wegdoen)
  49. iets mannetje voor mannetje doeN (=iets strikt volgens plan uitvoeren)
  50. iets uit de doeken doeN (=iets uitleggen)

264 betekenissen bevatten `doeN`

  1. in de as leggen (=(doeN) afbranden)
  2. naar iemands pijpen dansen (=(onderdanig) alles doeN wat iemand vraagt)
  3. Van de os op de ezel springen (=1: Slechte zaken doeN. 2: Tegenspoed kennen)
  4. iemand het hof maken (=aardig tegen iemand doeN in de hoop aardig gevonden te worden)
  5. zijn snor drukken (=afwezig blijven / Zijn werk niet doeN)
  6. zich vergalopperen (=al te snel iets willen doeN)
  7. in de kiem smoren (=al van bij het begin doeN stoppen)
  8. kromme sprongen maken (=alle moeite doeN om zich uit een situatie te redden)
  9. zo vrij als een vogeltje in de lucht (=alles kunnen doeN en laten wat iemand wil)
  10. alles malletje naar malletje doen/maken (=alles steeds weer op precies dezelfde manier doeN)
  11. een oude rot in het vak (zijn) (=alles van het vak afweten en alles weten hoe te doeN)
  12. als de herder verdwaalt dolen de schapen (=als de leider het verkeerd doet weten de mensen die hem volgen niet wat ze doeN moeten)
  13. als de kat van honk is dansen de muizen op tafel (=als er geen toezicht is, doeN de ondergeschikten hun zin)
  14. als honden konden bidden zou het kluiven regenen (=als is een niet ter zake doeNde opmerking)
  15. wie scheep is moet varen (=als je ergens aan begonnen bent moet je er mee voortdoeN)
  16. Men kan geen paard al lopende beslaan. (=Als je het werk goed wil doeN, moet je er de tijd voor nemen)
  17. uitstel is geen afstel (=als je iets uitstelt wil dat nog niet zeggen dat je het nooit meer gaat doeN)
  18. een geplaveide weg is des duivels oorkussen (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doeN hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
  19. om kaneelwater lopen (=beuzelwerk doeN - van het kastje naar de muur gestuurd worden)
  20. de paternosters aandoen (=boeien aandoeN)
  21. Elk zijn meug, zei de boer en hij at paardenkeutels in plaats van vijgen. (=Boeren zijn koppige mensen die hun eigen zin doeN)
  22. Dat kan het paard niet trekken. (=Daar heb ik onvoldoeNde geld voor)
  23. dat kan al het water van de zee niet afwassen (=daar is niets aan te doeN - dat kan je niet wegpraten)
  24. dat zijn aambeien met slagroom (=dat zijn dingen die niets met elkaar van doeN hebben)
  25. iemand de manchetten aandoen (=de handboeien aandoeN)
  26. de grote vissen eten de kleine (=de ondergeschikten moeten doeN wat de baas zegt / het slachtoffer worden van overmacht.)
  27. alle zeilen bijzetten (=de uiterste best doeN om iets toch te bereiken)
  28. zijn schaapjes op het droge hebben (=de zaken op orde hebben of voldoeNde hebben om niet meer te hoeven werken)
  29. een harde noot kraken (=dingen bespreken die moeilijk liggen, een moeilijk karwei doeN)
  30. schijn bedriegt (=dingen zijn niet altijd zoals ze zich voordoeN)
  31. de tijd vliet snel gebruik hem wel (=doe wat je moet doeN, terwijl je nog kan)
  32. de kop in het zand steken (=doeN alsof er geen gevaar dreigt en er niets aan doeN)
  33. Oost-Indisch doof zijn (=doeN alsof er niets gehoord wordt)
  34. iemand links laten liggen (=doeN alsof iemand er niet is, niet bemoeien met iemand)
  35. je kop in het zand steken (=doeN alsof iets (een probleem) er niet is)
  36. zijn ogen voor iets sluiten (=doeN alsof iets er niet is)
  37. een hoge toon aanslaan (=doeN alsof je het voor het zeggen hebt / luid en dwingend spreken)
  38. doen alsof je neus bloedt (=doeN alsof je van niets weet)
  39. zijn handen in onschuld wassen (=doeN alsof men geen schuld heeft)
  40. zich van de domme houden (=doeN alsof men van niets weet)
  41. uit de lucht komen vallen (=doeN alsof men van niets weet / erg plotseling en onverwacht)
  42. De bezem uitsteken (=doeN en laten wat men wil als de baas of leidinggevende er niet is)
  43. de ogen openen (=doeN inzien)
  44. onder het oog brengen (=doeN opmerken)
  45. de lever doen schudden (=doeN schaterlachen)
  46. de koorts/stuipen op het lijf jagen (=doeN schrikken)
  47. een beentje lichten (=doeN struikelen (letterlijk of figuurlijk))
  48. met de wolven (in het bos) huilen (=doeN wat de meerderheid doet)
  49. woord houden (=doeN wat iemand beloofd heeft)
  50. zijn woord gestand doen (=doeN wat iemand beloofd heeft)

Het dialectenwoordenboek kent 591 spreekwoorden met `doeN`

  1. Kortemarks: tis nen apsjar (=het is een doeNdig kind)
  2. Aalsters: zen devoeiren doeNg (=zijn best doeN)
  3. Westfries: We doeNe koeterdekoet (=We doeN kalm aan)
  4. Opglabbeeks: de kat int doeNker kniepe (=heimelijk)
  5. Waregems: 't 'n es nie doeNlijk (=het is onhaalbaar/onvoorstelbaar)
  6. Middelnederlands: wat hebdi nu hier te doeNe (=wat kom je hier doeN)
  7. Zelzaats: Da zijn nà toch gien doeNingen he (=Dat zou men niet mogen doeN)
  8. Bilzers: tésse lich en doeNkel (=stiekem)
  9. Antwerps: Ge zujt'em nogal zieng zieng as 'k em da doeNg doeNg mè se goe goed ! (=Dit zal hij niet graag doeN !)
  10. Westfries: den doeNe we dat (=okee, dat zal ik doeN)
  11. Lichtervelds: tusschn doeNkern en kloarn (=bij valavond)
  12. Opglabbeeks: de kiekst esofste tin keule hierst doeNdere (=verbaasd kijken)
  13. Sint-Niklaas: een aa tang (=oude, moeilijk doeNde vrouw)
  14. Liwwadders: daar doeNe jou mij gien plesier met (=daar vind ik niets aan)
  15. Antwerps: loeke schooif doeNg (=van de grond gaan)
  16. Waregems: in doeNinge zijn (=goede contacten hebben)
  17. Merenaars: zèn eigen doeNink emmen (=eigenaar zijn van een gebouw)
  18. Antwerps: oat oe doeNg gerake (=het noorden verliezen)
  19. Munsterbilzen - Minsters: daaj kniepde hum èn den doeNkele (=zij had schrik in het duister)
  20. Aalsters: weir doeNg voesj (=wij blijven doorgaan)
  21. Waregems: me zijnder goe mee in doeNinge (=ons contact met hen loopt vlot)
  22. Munsterbilzen - Minsters: wae goed zen aete knabbelt, zal zich nie rap verslikke (=denk alvoor je doeNde bent, opdat je aldoeNde niet meer denken moet)
  23. Sint-Niklaas: doeNt mor vaneen (=doe het maar van elkaar (uit elkaar))
  24. Harelbeeks: Mee nen domm'n deure goan en mee ne slimm'n weere kiër'n (=Al doeNde leert men)
  25. Munsterbilzen - Minsters: èn de naom des kiewits en des kwakkebeens, ich meinde dattet doeNkel wos, mér de zon daaj sjieën. (=kruisteken maken !)
  26. volendams: je doeNe inkelt malle proat verkope (=je kan alleen maar gekke dingen zeggen)
  27. Munsterbilzen - Minsters: de höbs malsjaos as ich tich tësse lich en doeNkel tiëgekoëm (=ik hoop je met valavond niet tegen te komen)
  28. Antwerps: ge mut ni over oe aaige klappe,da zulle d'aander wel doeNg as ge weg zaait (=je moet niet over jezelf praten, dat doeN de anderen wel als je weg bent)
  29. Bilzers: At Aspei ze lêmpke autgeet, zit Aspei èn den doeNkele (=Als de hemel valt, hebben we allemaal een blauwe muts)
  30. Buggenhouts: Komischen doeN (=Boodschappen doeN)
  31. Sint-Niklaas: kommissies doeN (=inkopen doeN)
  32. Puurs: veuts doeN (=voorts doeN)
  33. Sint-Niklaas: al kaks doeN, al slinks doeN (=iets onopgemerkts doeN)
  34. Overijses: koemerschap hoale (=boodschappen doeN)
  35. Opglabbeeks: cemmissies doon (=boodschappen doeN)
  36. Bilzers: vèr sjaajnes doên (=doeN alsof)
  37. Lauws: tootn trekn (=doeN alsof)
  38. Lovendegems: een uilken vangen (=middagdutje doeN*)
  39. Vechtdals: dom uutkiekn (=niks doeN)
  40. Munsterbilzen - Minsters: laajs vange (=niets doeN)
  41. Aspers: zijn devoren doeN (=zijn best doeN)
  42. Brabants: het nooi doeN (=het met tegenzin doeN)
  43. Westlands: makkie an doeN (=het rustig aan doeN)
  44. Herentals: aa devoeëre doeN (=je plicht doeN)
  45. Eindhovens: wa gade doeN (=wat ga je doeN?)
  46. Leeds: zijn devueren doeN (=zijn best doeN)
  47. Ninoofs: zan kommisje doeN (=zijn gevoeg doeN)
  48. Puurs: veuts doeN (=verder doeN)
  49. Evergems: Den uil uithaen (=Dwaas doeN)
  50. Genneps: gèn slag uutvoere (=iets doeN)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen