Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


3 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `die in`

  1. gapen als een oester die in de warmte komt (=met de wond wijd open geeuwen)
  2. Geloof nooit iemand die in de ene hand water en de andere hand vuur draagt (=Wees niet lichtgelovig, niet iedereen is het vertrouwen waard)
  3. wee de wolf die in een kwaad gerucht staat (=als je je goede naam verliest is die haast niet terug te winnen)

4 betekenissen bevatten `die in`

  1. zo zeker als de bank (=iemand die in alles te vertrouwen is)
  2. niet graag in iemand schoenen staan (=niet graag willen ervaren hoe het is iemand anders te zijn die in een moeilijke of onprettige situatie zich bevindt)
  3. met los kruit schieten (=schijnbaar streng straffen met een straf die in feite geen nadeel oplevert)
  4. iemands doopceel lichten (=zeer uitgebreid vertellen/uitzoeken wie iemand is en wat die in het verleden allemaal gedaan heeft)

Het dialectenwoordenboek kent 1336 spreekwoorden met `die in`

  1. Zeeuws: ie is van de roei ver ie-een nehe (=diefachtig persoon)
  2. Munsterbilzen - Minsters: daaj hëb ich opgeloje (=dieheb ik wat wijs gemaakt)
  3. Oudenbosch: diejis zo gek asun deur (=die is mal)
  4. Geels: dieje is oonder zich oawet, diej hee balle oan zen lijf (=hij is niet op zijn mondje gevallen)
  5. Oudenbosch: diejeet de kuierlatte genome (=die is plotseling verdwenen)
  6. Giesbaargs: diejen kaan sloopen zein (=slaapkop)
  7. Westerkwartiers: die's niet bot dudelk (=die is niet erg duidelijk)
  8. Heusdens: moes diee netouw (=waar is hij naartoe)
  9. Arendonks: diejeh z'n vaaizeh zi-eh los (=hij is gek)
  10. Texels: Die is òllòn op driêvende kiêl (=Die is altijd de hort op, altijd onderweg)
  11. Oudenbosch: diejee niks geleeje (=die is er goed van af gekomen)
  12. Oudenbosch: diejebbe ze daorus goed bijgewerkt (=die is ernstig tot de orde geroepen)
  13. Zaltbommels: die is van de roeivereniging (=dat is een dief)
  14. Brakels (gld): Dun dieju kunde deur un laampeglas hoalu (=Die is erg mager)
  15. Oudenbosch: diejis van god verlaote (=die is helemaal gek)
  16. Oudenbosch: diejee zunneige lulluk in zun viengers gesneje (=die heeft zichzelf erg benadeeld)
  17. Oudenbosch: diejis allang uit de tijd (=die is al lang dood)
  18. Oudenbosch: diejis regt de keers ingevloge (=die is meteen volledig mislukt)
  19. Westerkwartiers: die's nog niet dreug achter d'oorn (=die is nog niet volwassen)
  20. Kastels: diee hee in men raape gescheten (=Die heeft er gelegen of afgedaan)
  21. Sallands: Die's weer op't geboortegewich. (=Iemand is allang overleden)
  22. Oudenbosch: diejut zietwittut, mar wiejut pakt eegut (=kansen zien en benutten)
  23. Lochristis: t'e doar gjien uis mee t'ouen mee den diejn (=hij is onuitstaanbaar)
  24. Turnhouts: Diejen hee e groeut blad (=Die heeft een grote mond)
  25. Geels: das nen halve war , das genne juste , diejen is een vaas kwaat (=die is niet 100)
  26. Rotterdams: Die's ook naar zun grootjuh (=Dat is kapot)
  27. Arendonks: diejen is köt ingehangen (=Dat is een kittelorig persoontje)
  28. Kerkdriels: die daar is sterk (of rijk) (=d'n dieje kan wel wa lije)
  29. Ransts: diej hee zen joeng opgefret (=man met snor en baard)
  30. Willebroeks: dieje van ons (=mijn man)
  31. Lommels: en heul diejen henne'esnest (=en al dat gedoe)
  32. Tilburgs: in dieje mist zie de dieje mist nie (=in die mist zie je die mest niet)
  33. Oudenbosch: diejis mee z n koont in de botter gevalle (=die is goed terechtgekomen)
  34. Oudenbosch: diejee daor toen z ne kaonis goed volgevrete (=die heeft daar toen goed zitten feesten)
  35. Oudenbosch: diejee z n eige achterover geleerd (=die heeft te veel moeten studeren)
  36. Oudenbosch: diejeet d n aort nie naor ne vremde (=die lijkt op zijn familie)
  37. Venloos: sich einen dieke meine (=verbeelding hebben)
  38. Venloos: Zich dieke bein make (=Zich ergens over opwinden)
  39. Venloos: det heat de dieke trom ingeslik (=ze is zwanger)
  40. Westerkwartiers: de diek uutgoan (=uitgaan/wandelen)
  41. Oudenbosch: diejis nie mee de leste rege gevalle (=die is heel goed bij)
  42. Oudenbosch: wie wa bewaort diejee wa (=je moet niet alles weggooien)
  43. Oudenbosch: diejis bekaant vannut matje gewiest (=hij is bijna dood geweest)
  44. Bredaas: Diejen esjoevie raai vuste schaojlek (=Die SUV rijdt niet zuinig)
  45. Oudenbosch: diejen e-ring braoit nie (=die vlieger gaat niet op)
  46. Vejels: Ik gen diee is in kadere (=Ik zal die is een pak slaag geven)
  47. Hulshouts: dieje schèt geld (=hij is rijk)
  48. Booms: DIEJEN EIT EREJENE BOVENZOINOEEG (=DIE HEEFT ER EENTJE TE VEEL OP)
  49. Merenaars: iejest geroken, olleken ontstoken (=diegene die het eerst een verdacht luchtje ruikt, zal wel een wind gelaten hebben)
  50. Mestreechs: diech un piep raoke (=bedrogen uit komen)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen