Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


18 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `de to`

  1. aan de touwtjes trekken (=de baas zijn, alles regelen, het voor het zeggen hebben)
  2. als warme broodjes over de toonbank gaan (=zeer goed verkopen)
  3. de toets kunnen doorstaan (=alle antwoorden op vragen/problemen weten)
  4. de tol aan de natuur betalen (=dood gaan)
  5. de tongen losmaken (=aanleiding geven tot gepraat)
  6. de toon aangeven (=bepalen welke richting het op gaat)
  7. de touwtjes in handen hebben (=de controle hebben)
  8. een gladde tong hebben (=goed kunnen praten, het goed kunnen uitleggen)
  9. goed van de tongriem gesneden (=gezegd van een vlotte prater)
  10. Heeft de duivel 't paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=Ben je eenmaal in handen van slechte mensen gevallen, dan verlies je alles.)
  11. Heeft de duivel het paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=Ben je eenmaal in de macht van slechte mensen, dan wordt het alleen maar erger)
  12. het hart op de tong dragen (=direct zeggen wat iemand denkt, ongeacht of dat slim is of niet)
  13. het is de toon die de muziek maakt (=het gaat om de manier waarop iets gezegd wordt)
  14. het zeil (hoog) in de top halen (=een grootse vertoning weggeven)
  15. hoog van de toren blazen (=het grote woord willen hebben / opscheppen)
  16. op de tong liggen (=zeggensklaar zijn)
  17. over de tong gaan (=het onderwerp van gesprek zijn)
  18. Uit de toon vallen (=Anders zijn dan de anderen)

16 betekenissen bevatten `de to`

  1. Men moet de schapen scheren maar niet villen (=Als men uit hebberigheid de inkomstenbron opoffert heeft men niets meer voor in de toekomst)
  2. draaien als een molen (=altijd meegaan met de heersende mening - naar de mond van de toehoorder praten)
  3. met de helm (op) geboren zijn (=de toekomst kunnen voorspellen / bijzonder voorzichtig zijn)
  4. de kaart leggen (=de toekomst voorspellen)
  5. zijn planeet lezen (=de toekomst voorspellen)
  6. de beste stuurlui staan aan wal (=de toeschouwers kunnen het altijd beter dan de uitvoerders)
  7. andermans boeken zijn duister te lezen (=de toestand of bedoelingen van een ander zijn moeilijk in te schatten)
  8. die dan leeft die dan zorgt (=geen zorg om de toekomst van anderen)
  9. wie dan leeft, wie dan zorgt (=geen zorgen maken over de toekomst)
  10. elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=men moet zich niet zorgen maken over de toekomst)
  11. als een feniks uit de as herrijzen (=na de totale vernietiging opnieuw opbouwen)
  12. beidt Uw tijd, duur Uw uur (=op de toren van de Amsterdamse koopmansbeurs)
  13. in de luwte vallen (=op minder luide toon verder praten)
  14. de klok achteruit zetten (=terug naar oude toestanden gaan)
  15. koffiedik kijken (=trachten het onbekende te kennen (de toekomst))
  16. zijn koren/korentje groen eten (=zich geen zorgen maken om de toekomst, niet sparen. )

Het dialectenwoordenboek kent 5597 spreekwoorden met `de to`

  1. Zeeuws: de peetjes van de'n oonderkant zien hroei'n (=begraven zijn)
  2. Graauws: ge keu de'r aon angen (=u ziet maar)
  3. Vechtdals: dah deank'k weh, joa (=dat denk ik van wel, ja)
  4. Twents: lelke dearne as dien goat (=wat ben je toch ondeugend)
  5. Graauws: de'n ond is over taofel (=de hond in de pot vinden)
  6. fries: dea of de gladioolen (=dood of de gladiolen)
  7. Heerlens: dea ruukt noa de sjup (=een stervend iemand)
  8. Tiens: dea mins ai et kowed (=niet uit de voeten kunnen)
  9. Heerlens: dea zuupt wie ee moehzeloak (=iemand die veel drinkt)
  10. Fries: leaver dea as sleaf (=liever dood dan gereformeerd)
  11. Budels: dea staelt nog ne op zeult (=dat lijkt nergens op)
  12. Tiens: Dea es oup zenne zaap geweést (=Dronken thuis komen)
  13. Deinzes: Deb ze moat (=Daar zou je nu toch wel iets van krijgen, zeker?)
  14. Zeeuws: Die is nog ma net uut de'n oven gekomm'n (=Het is nog maar een beginneling, 'n jonkie)
  15. Heerlens: de milk huëre kloetsje, mèh nit weete woe 't deame hink (=de klok horen luiden, maar niet weten waar de klepel hangt)
  16. Heerlens: wea laat kunt, dea it sjelg of zit sjleg (=wie laat komt, die eet slecht of zit slecht)
  17. Twents: Der bint leu dee nich van gedachtn veraandert; mer dee deankt nooit noa (=Er zijn mensen die nooit van gedachte veranderen, maar deze mensen denken dan ook nooit na)
  18. Fries: dear koe ik krek deln (=daar kon ik net langs)
  19. Heerlens: Wea inge gek trouwt um d'r drek, dea verluust d'r drek en hilt d'r gek (=Wie een gek huwt omwille van diens vermogen, verliest het vermogen, maar houdt de gek)
  20. tegels: Dôw haes eine kop als eine kloon, en dea steit dich zoë sjoen. (=Je heb een hoofd als een clown en die staat je zo goed.)
  21. Tilburgs: de koej stòn in de waaj (=de koeien staan in de wei)
  22. Bilzers: den hiemel opt'iëd (=de hemel op de aarde)
  23. Moes: vanover 't wauter (=de overkant van de Schelde)
  24. Westerkwartiers: de kugel is deur de kerk (=de beslissing is genomen)
  25. Westerkwartiers: de kuugel is deur de kerk (=de beslissing is genomen)
  26. Venloos: de parade is door de kerkstraot (=de bevalling is gelukt)
  27. Arendonks: dabben (=met de handen in de grond graven)
  28. Kloosterzandes (Klôôsters): in de knossel (=in de knoop / in de war)
  29. Flakkees: dun tras is in de welle valle (=De emmer is in de put gevallen)
  30. Gents: de katte uit d'orloge kââken (=de kat uit de boom kijken)
  31. Balens: de vogels langen (=de eieren van de vogels roven)
  32. Zottegems: 't alvend van de moand (=in de helft van de maand)
  33. Amsterdams: In de feiling nemen (=In de maling nemen, Voor de gek houden)
  34. Kaatsheuvels: de kwoi jong (=de kinderen)
  35. Ossendrechts: de slaj staot in de spien (=de jam staat in de kelder)
  36. Drents: De goede mèns lacht met 't harte, de kwaoie met de mond (=De goede mens lacht met het hart, de slechte met de mond)
  37. Brugs: Old uki de vosche molk ut de kolder (=Haal eens de verse melk uit de kelder)
  38. Waregems: ie dee ol de kapellekes van de stroate (=hij bezocht al de café's in de straat)
  39. Fries: moarns let, de hiele dei nei de kloaten (=de morgenstond heeft goud in de mond)
  40. Gronings: de griesel gait mie over de grauwe (=de rillingen lopen mij over de rug)
  41. Munsterbilzen - Minsters: hae hoch et bij et raechte eind (=de smid sloeg de nagel op de kop)
  42. Waregems: de vinke skoifelt, de mèrloan skoifelt (=de vink slaat , de merel fluit)
  43. Amsterdams: ik hep de son in de see sien sakke (=ik heb de zon in de zee zien zakken)
  44. Sallands: mit de koe noar de bolle (=met de koe naar de stier)
  45. Gronings: van de Eems in de Dollerd komen (=van de regen in de drup komen)
  46. Zeels: den isten, d'iste (=de eerste)
  47. Zeeuws: de huus drienku mee tu puukn uut de dulvu (=de kinderen drinken met de kikkers uit de sloot)
  48. Ostêns: t' zèètje t'strange (=de zee)
  49. Brakels: poepn (=de liefde bedrijven)
  50. Dordts: sloeieren (=in de goot knikkeren)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen