Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

7 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `de rug`

  1. achter de rug (=in het geniep)
  2. de drie h s op de rug hebben (=vast zitten, niet weg kunnen komen)
  3. een brede rug hebben. (=veel kunnen verdragen.)
  4. het geld groeit niet op de rug (=geld komt niet zomaar binnen, er moet hard voor gewerkt worden)
  5. kruisjes achter de rug hebben (=tientallen jaren oud zijn)
  6. men moet een paard de rug niet stukrijden (=men moet niet altijd te veel eisen)
  7. met de rug tegen de muur staan (=geen kant op kunnen, hooguit een laatste uitweg)

Eén betekenis bevat `de rug`

  1. het is op een oor na gevild. (=het is bijna klaar. Het is bijna achter de rug.)

Het dialectenwoordenboek kent 26 spreekwoorden met `de rug`

  1. Westfries: kladdig op de reg (=smerig op de rug)
  2. Bocholtz: poekel (=verhoging van de rug)
  3. Vechtdals: 'n stuk de rugge uutdrukkn (=poepen)
  4. Brugs: mè de wiend in 't gat (=met de wind in de rug)
  5. Opglabbeeks: emes oppe puuzak pakke (=iemand op de rug dragen)
  6. Gelaens (Geleens): Blaos mich op miene rögk. (=Je kan me de rug op.)
  7. Zaans: Ik ben me geld niet loof (=Het geld groeit me niet op de rug)
  8. Lichtervelds: ze sloapn rik an rik (=ze slapen met de rug naar elkaar)
  9. westlands: voordewind (=met de wind in de rug)
  10. Gronings: de griesel gait mie over de grauwe (=de rillingen lopen mij over de rug)
  11. Munsterbilzen - Minsters: iemes op zene kroef howe (=iemand een slag op de rug geven)
  12. Bargoens (kamptaal): ras mach galoo de micho (=je kunt me de rug op)
  13. Venloos: Dich kens mich dr aan goan hange (=Je kan mij de rug op)
  14. Munsterbilzen - Minsters: get bekoenkelfoeze (=iets achter de rug van een ander afspreken)
  15. Deventers: biet 'm in de rugge (=Pak hem!)
  16. Sint-Niklaas: nen trui achterste veuren oan ein (=per vergissing een pull met de voorzijde op de rug aanhebben)
  17. Epers: Hee krig et van 't wäärken ok niet in de rugge (=Hij is lui)
  18. Liemers: Gao'j gaete grave: daor krie'j twee bulte van\r\n één op de rug en één naeve 't gat. (=Zwaar werk willen doen.)
  19. Giethoorns: De griezel leup em over de grauwe (=Een rilling liep hem over de rug)
  20. Zaans: Ik hew gien peerdje skaitgeld (=Het geld groeit me niet op de rug)
  21. Genneps: Ge kunt mien de poekel afroetse (=Je kan me de rug op)
  22. Venloos: De kins mich de poekel roetsje (=Jij kunt me de rug op)
  23. Drents Kanoals: dei het loie evert op de rugge (=iemand die lui is)
  24. Zelzaats: 'kan e pird de rugge uiteten. (=Ik heb grote honger)
  25. Waregems: 'ksoe kun'n un pèèrd de rugge oit eetn, 'k ben skeel van d'n ouwre (=ik heb zeer grote honger)
  26. Epers: Hee kröp iederene over de rugge (=Hij probeert door iedereen te vleien, iets te bereiken)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen