Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


11 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `de no`

  1. als de nood aan de man komt (=als het ernstig wordt)
  2. als de nood het hoogste is, is de redding nabij (=in hoge nood komt er vaak plotseling een oplossing)
  3. de noppen van de kleren houden (=onkosten met zich meebrengen)
  4. De tafel de nodige eer bewijzen. (=Smakelijk gaan eten.)
  5. een harde noot kraken (=dingen bespreken die moeilijk liggen, een moeilijk karwei doen)
  6. harde noten kraken (=moeilijke tijden moeten doormaken)
  7. het is kruis of munt, zei de non en ze trouwde de bankier (=een keuze voor het materiële kan ten koste gaan van het spirituele)
  8. In de nood eet de duivel vliegen. (=Als je in nood verkeert, stel je je tevreden met dingen die je anders zou weigeren.)
  9. kinderen zijn een zegen des heren maar zij houden de noppen van de kleren (=kinderen opvoeden kost veel geld)
  10. met de noorderzon vertrekken (=onaangekondigd vertrekken en niets meer van zich laten horen)
  11. van de nood een deugd maken (=zich naar de omstandigheden schikken)

8 betekenissen bevatten `de no`

  1. de haringvijver (=de noordzee)
  2. niet door de beugel kunnen (=de norm overschrijden van wat aanvaardbaar of behoorlijk is)
  3. geen twee deuntjes voor één cent zingen (=geen zin hebben hetzelfde nog een keer te herhalen)
  4. iemand uit de brand helpen (=iemand uit de nood helpen)
  5. de egards (tegenover iemand) in acht nemen (=met de nodige beleefdheid behandelen)
  6. goed beslagen (=met de nodige kennis en ervaring)
  7. mutatis mutandis (=met de nodige wijzigingen)
  8. met kunst- en vliegwerk (=niet volgens de normale gang van zaken)

Het dialectenwoordenboek kent 5597 spreekwoorden met `de no`

  1. Zeeuws: de peetjes van de'n oonderkant zien hroei'n (=begraven zijn)
  2. Graauws: ge keu de'r aon angen (=u ziet maar)
  3. Vechtdals: dah deank'k weh, joa (=dat denk ik van wel, ja)
  4. Twents: lelke dearne as dien goat (=wat ben je toch ondeugend)
  5. Graauws: de'n ond is over taofel (=de hond in de pot vinden)
  6. fries: dea of de gladioolen (=dood of de gladiolen)
  7. Heerlens: dea ruukt noa de sjup (=een stervend iemand)
  8. Tiens: dea mins ai et kowed (=niet uit de voeten kunnen)
  9. Heerlens: dea zuupt wie ee moehzeloak (=iemand die veel drinkt)
  10. Fries: leaver dea as sleaf (=liever dood dan gereformeerd)
  11. Budels: dea staelt nog ne op zeult (=dat lijkt nergens op)
  12. Tiens: Dea es oup zenne zaap geweést (=Dronken thuis komen)
  13. Deinzes: Deb ze moat (=Daar zou je nu toch wel iets van krijgen, zeker?)
  14. Zeeuws: Die is nog ma net uut de'n oven gekomm'n (=Het is nog maar een beginneling, 'n jonkie)
  15. Heerlens: de milk huëre kloetsje, mèh nit weete woe 't deame hink (=de klok horen luiden, maar niet weten waar de klepel hangt)
  16. Heerlens: wea laat kunt, dea it sjelg of zit sjleg (=wie laat komt, die eet slecht of zit slecht)
  17. Twents: Der bint leu dee nich van gedachtn veraandert; mer dee deankt nooit noa (=Er zijn mensen die nooit van gedachte veranderen, maar deze mensen denken dan ook nooit na)
  18. Fries: dear koe ik krek deln (=daar kon ik net langs)
  19. Heerlens: Wea inge gek trouwt um d'r drek, dea verluust d'r drek en hilt d'r gek (=Wie een gek huwt omwille van diens vermogen, verliest het vermogen, maar houdt de gek)
  20. tegels: Dôw haes eine kop als eine kloon, en dea steit dich zoë sjoen. (=Je heb een hoofd als een clown en die staat je zo goed.)
  21. Tilburgs: de koej stòn in de waaj (=de koeien staan in de wei)
  22. Bilzers: den hiemel opt'iëd (=de hemel op de aarde)
  23. Moes: vanover 't wauter (=de overkant van de Schelde)
  24. Westerkwartiers: de kugel is deur de kerk (=de beslissing is genomen)
  25. Westerkwartiers: de kuugel is deur de kerk (=de beslissing is genomen)
  26. Venloos: de parade is door de kerkstraot (=de bevalling is gelukt)
  27. Arendonks: dabben (=met de handen in de grond graven)
  28. Kloosterzandes (Klôôsters): in de knossel (=in de knoop / in de war)
  29. Flakkees: dun tras is in de welle valle (=De emmer is in de put gevallen)
  30. Gents: de katte uit d'orloge kââken (=de kat uit de boom kijken)
  31. Balens: de vogels langen (=de eieren van de vogels roven)
  32. Zottegems: 't alvend van de moand (=in de helft van de maand)
  33. Amsterdams: In de feiling nemen (=In de maling nemen, Voor de gek houden)
  34. Kaatsheuvels: de kwoi jong (=de kinderen)
  35. Ossendrechts: de slaj staot in de spien (=de jam staat in de kelder)
  36. Drents: De goede mèns lacht met 't harte, de kwaoie met de mond (=De goede mens lacht met het hart, de slechte met de mond)
  37. Brugs: Old uki de vosche molk ut de kolder (=Haal eens de verse melk uit de kelder)
  38. Waregems: ie dee ol de kapellekes van de stroate (=hij bezocht al de café's in de straat)
  39. Fries: moarns let, de hiele dei nei de kloaten (=de morgenstond heeft goud in de mond)
  40. Gronings: de griesel gait mie over de grauwe (=de rillingen lopen mij over de rug)
  41. Munsterbilzen - Minsters: hae hoch et bij et raechte eind (=de smid sloeg de nagel op de kop)
  42. Waregems: de vinke skoifelt, de mèrloan skoifelt (=de vink slaat , de merel fluit)
  43. Amsterdams: ik hep de son in de see sien sakke (=ik heb de zon in de zee zien zakken)
  44. Sallands: mit de koe noar de bolle (=met de koe naar de stier)
  45. Gronings: van de Eems in de Dollerd komen (=van de regen in de drup komen)
  46. Zeels: den isten, d'iste (=de eerste)
  47. Zeeuws: de huus drienku mee tu puukn uut de dulvu (=de kinderen drinken met de kikkers uit de sloot)
  48. Ostêns: t' zèètje t'strange (=de zee)
  49. Brakels: poepn (=de liefde bedrijven)
  50. Dordts: sloeieren (=in de goot knikkeren)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen