Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


9 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `at op`

  1. (iets) staat op losse schroeven (=het is onzeker, er valt niet op te bouwen)
  2. dat staat op de agenda (=dat gaat nog gebeuren; dat gaat nog besproken worden)
  3. de kat op het spek binden (=iemand volop de gelegenheid geven zich te vergrijpen aan wat hij wil, maar beslist niet mag hebben)
  4. ergens prat op gaan (=erg trots over iets zijn en er over opscheppen)
  5. heel wat op zijn kerfstok hebben (=veel dingen misdaan hebben (afgeleid van het gebruik om schulden bij een café te registreren door kerfjes in een stok te snijden))
  6. plat op de buik gaan (=aan iemand toegeven, zich overleveren)
  7. vat op iemand krijgen (=iemand van iets kunnen overtuigen)
  8. Wie gaat slapen zonder te hebben gegeten, staat op zonder te hebben geslapen. (=Voor de gezondheid zijn eten en slapen van belang.)
  9. zijn hoed staat op halfzeven (=hij is dronken)

5 betekenissen bevatten `at op`

  1. dat is een ver-van-mijn-bed-show (=dat is iets waar ik me helemaal niet mee bezighoud; dat is iets dat op grote afstand van hier gebeurt)
  2. Eten wat de pot schaft. (=Eten wat op tafel komt.)
  3. Hij praat met een hete aardappel in de keel (=Hij praat op een bekakte manier)
  4. er nachtwerk van maken (=laat opblijven)
  5. Een schurftig paard vreest de roskam. (=Wie wat op z`n geweten heeft, is bang voor het onderzoek)

Het dialectenwoordenboek kent 2651 spreekwoorden met `at op`

  1. Mestreechs: nachbrake (=laat opblijven)
  2. Opglabbeeks: heij opaan (=doorlopend)
  3. Steins: eine get opbènje (=iemand iets wijsmaken)
  4. Helmonds: d'n voilen opbod (=zure oprisping)
  5. Lokers: Ge keud ier allemoal mijne zak opbloazen (=Jullie kunnen mijn zak opblazen (ik doe niet meer mee))
  6. Bilzers: maoger kiëtelkes sjijte (=niet veel opbrengen)
  7. brabants: K'goai effekes noar opa's en oma's (=ik ga even naar opa en oma)
  8. Munsterbilzen - Minsters: broederlëk dele en zusterlëk opaete (=eerlijk verdelen)
  9. Evergems: ge keunt mij'n zak opbloazen (=ik stop ermee)
  10. Munsterbilzen - Minsters: bau trèkste opaon (=waar ga je heen)
  11. Sint-Niklaas: zich opboteren, zich optalloren (=zich opsmukken)
  12. Zaans: Een broek lappe en gare toegeve (=Het kost meer dan dat het opbrengt)
  13. Oudenbosch: mijne zak kunde opblaoze (=je kunt de pot op)
  14. Sallands: Die's weer op't geboortegewich. (=Iemand is allang overleden)
  15. Zeeuws: opassen oor anders kom jan iik je illen (=bang makerij)
  16. Munsterbilzen - Minsters: doë zulste mér maoger kliskes van sjijte (=dat zal niet veel opbrengen)
  17. Lokers: 't is zijnen auver nie weirt (=het rendeert niet, het kost meer dan het opbrengt, het is zijn haver niet waard)
  18. Tilburgs: den vöölen opböllek krèège (=misselijk worden van (te veel) eten.)
  19. Oudenbosch: ge kun mijne zak opblaoze (=loop naar de hel)
  20. Westerkwartiers: de kool is 't sop niet weerd (=de opbrengst is niet de moeite waard)
  21. Twents: wie hebt roepen op n moos; Vi'j hebt roep'n op'n moos (=wij hebben rupsen op de boerenkool)
  22. Westerkwartiers: we mozz'n toe de wiend opboksel'n (=we moesten tegen de wind op tornen)
  23. Hulsters (NL): da's gin vette (=dat is maar een kleine opbrengst, winst etc.)
  24. Munsterbilzen - Minsters: doë geeste geen dikke kiëtële van sjijte (=dat is maar een magere opbrengst)
  25. Westfries: de hel opbouwen. (=onnodig de confrontatie aangaan, op ramkoers ligge)
  26. Westerkwartiers: ze kon niet teeg'n 'em opboksel'n (=zij kon niet van hem winnen)
  27. Tilburgs: ge kunt um optuutere !! (=je kunt hem opblazen (naar de donder lopen))
  28. Flakkees: Die heiter een paer op't gors laopen. (=Die persoon is niet helemaal goed bij zijn hoofd.)
  29. Gents: kus mijn uure, luup noar de fuure, ge keun mijne zak opbloaze: 't soepapken hangt er an (=bekijk het maar, doe het zelf)
  30. Amsterdams: je kan m.n zak opblazen (=je kunt mijn aars likken)
  31. Sint-Niklaas: ze kunnen allemoal minnen zak opbloazen, ze kunnen de pot, dasse nor de kloûten loûpen! (=het kan mij niks meer schelen!)
  32. Gronings: wievm begin der noeit aan zei mien opa altied (=vrouwen begin er nooit aan zij mijn opa altijd)
  33. Volendams: e jej nag slik van de bap at? (=heb jij nog snoep van opa gehad?)
  34. tervurens: op vadroei (=op den dool, op stap)
  35. Hedels: Op de slip (=Op schoot)
  36. Munsterbilzen - Minsters: op iemed aongewiëze zin of op z'n eege (=aangewezen op een ander of op jezelf)
  37. Weerts: op zien nöäj, op zien kloeëte kriege (=op zijn sodemieter, op zijn donder krijgen)
  38. Rotterdams: gaat fietsen stelen (=donder op)
  39. Sinttruins: veugt oech (=pas op)
  40. Geffes: zuukt (=op zoek naar)
  41. Waregems: an tijds (=stipt op tijd)
  42. Merenaars: a es op trok (=hij is op zwier)
  43. Fries: De bealch der op mannen! (=Het lichaam er op!)
  44. Overpelts: dé trekt op ginnen urgel (=dat trekt nergens op)
  45. Hulsters (NL): da trekt op niks (=dat lijkt nergens op)
  46. Bosch: flikker straal nou gauw op (=donder op)
  47. Westerkwartiers: hol op te groedjen (=hou op te morsen)
  48. Twents: pas good op oezelf (=pas goed op jezelf)
  49. Tilburgs: op de reutel kôope (=op afbetaling kopen)
  50. Bilzers: op taubaot (=op de koop toe)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen