Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


79 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `appe`

  1. appelen/knollen voor citroenen verkopen (=oplichten, bedriegen)
  2. appels met peren vergelijken (=twee totaal verschillende dingen vergelijken)
  3. appeltje eitje (=erg makkelijk)
  4. daar komt een schip met zure appels (=daar komt een stevige regenbui aan)
  5. De aardappelen afgieten (=Een plasje doen door heren)
  6. De aardappelen komen niet voor de eikenblaren (=Boerenregel. De aardappelplant begint te groeien als de eik in het blad komt)
  7. de appel valt niet ver van de stam/boom (=kinderen lijken vaak op de ouders )
  8. de appel wegdragen/winnen (=als schoonste erkend worden)
  9. de broek lappen en het garen toegeven (=er veel verlies aan overhouden)
  10. De domste boeren hebben de dikste aardappelen (=Met geluk komt men vaak verder dan met verstand)
  11. De hete aardappel doorspelen (=Iemand anders de vervelende klus laten opknappen)
  12. de rotte appels uit de mand halen (=de minder getalenteerde personen wegsturen, de minder goede dingen sorteren van de goede dingen)
  13. de slappe lach hebben/krijgen (=niet kunnen stoppen met lachen)
  14. Die haalt de nieuwe aardappelen niet (=Iemand die gauw zal gaan sterven)
  15. door de zure appel (heen)bijten (=het onaangename doen of over zich heen laten gaan)
  16. een appeltje met iemand te schillen hebben (=nog een vervelend onderwerp met iemand te bepraten hebben)
  17. een appeltje voor de dorst (=een reserve voor moeilijke tijden die mogelijk nog gaan komen)
  18. een gezicht van ouwe lappen (=een huilerig of lelijk gezicht)
  19. Een kleine aardappel moet je niet schillen (=Aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  20. een luchtje happen (=even buiten gaan wandelen)
  21. Een meid en een aardappel kies je zelf (=Je kunt niet voor iemand anders een vrouw uitzoeken)
  22. Een mens is geen aardappel (=Iedereen heeft zo nu en dan behoefte aan ontspanning)
  23. een open deur intrappen (=iets doen wat niet nodig is of iets wat al gezegd of gedaan is nog een keer doen)
  24. Een oud paard hoort graag het klappen van de zweep. (=Een oud persoon hoort graag verhalen over het oude vakmanschap)
  25. een oud voerman hoort nog graag het klappen van de zweep (=iemand die oud is vindt het fijn te praten over dingen van vroeger)
  26. eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand (=Als één persoon uit een groep zich misdraagt, wordt de hele groep erop aangekeken. / Een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen.)
  27. een twistappel vormen (=een onderwerp van ruzie/conflict/onenigheid zijn)
  28. een uiltje knappen (=een dutje doen)
  29. er zouden geen achterklappers zijn waren er geen aanhoorders (=er wordt alleen geroddeld als er ook naar geluisterd wordt)
  30. ergens geen hout van snappen (=er niets van begrijpen)
  31. gelijke monniken gelijke kappen (=gelijke mensen verdienen/krijgen een gelijke behandeling)
  32. gezien worden als een rotte appel/kool bij een fruitvrouw/groenvrouw (=er niet erg welkom zijn)
  33. goed in de slappe was zitten (=veel geld hebben)
  34. gouden appels op zilveren schalen (=iets is erg prachtig/goed/verstandig (verwoord))
  35. Groot bal op kleine aardappelen (=Boven zijn stand leven)
  36. Het hebben over blauwe aardappelen en blauwe sokken (=Zonder het aanvankelijk beseft te hebben over verschillende zaken spreken)
  37. het klappen van de zweep kennen (=precies weten hoe het eraan toegaat, ervaren zijn)
  38. het zijn niet allen monniken die kappen dragen (=niet het uiterlijk vertoon bewijst iemands vaardigheid)
  39. Hij heeft aardappelbloed (=Hij ziet er ongezond uit)
  40. Hij heeft de meeste aardappelen al gegeten (=Hij heeft al veel meegemaakt, hij leeft al lang)
  41. hij heeft een appeltje met hem te schillen (=iets met iemand te bespreken hebben naar aanleiding van iets wat men die ander verwijt)
  42. Hij is niet veel meer dan een aardappel (=Hij stelt niet erg veel voor)
  43. Hij praat met een hete aardappel in de keel (=Hij praat op een bekakte manier)
  44. iemand op zijn zeer trappen (=ergens over praten wat door iemand als erg onplezierig ervaren wordt)
  45. iemands oogappel/ooilam zijn (=iemands lieveling zijn (vaak kind))
  46. iemands voetstappen drukken (=iemands voorbeeld volgen of hetzelfde beroep gaan doen)
  47. iets aan je laars lappen (=geen notitie nemen van regels, wet of voorschriften)
  48. iets voor een appel en een ei verkopen (=voor een erg lage prijs verkopen)
  49. in de lappenmand zitten (=ziek zijn)
  50. in de slappe was (=in de contanten, in het geld)

30 betekenissen bevatten `appe`

  1. als de armoede binnenkomt vliegt de liefde het venster uit (=armoede betekent vaak het einde van vriendschappen en relaties)
  2. op heterdaad betrappen (=betrappen tijdens de misdaad)
  3. ziende blind zijn (=bijvoorbeeld iemand wel kennen maar toch niet de verkeerde eigenschappen zien)
  4. Men poot de aardappelen wanneer men wil, ze komen toch niet in april (=Boerenregel. Aardappelen komen pas in mei uit)
  5. De aardappelen komen niet voor de eikenblaren (=Boerenregel. De aardappelplant begint te groeien als de eik in het blad komt)
  6. jongens van Jan de Witt (=dappere jongens zijn)
  7. goede papieren hebben (=de goede eigenschappen hebben (voor een baan))
  8. de jongste ezel moet het pak dragen (=de jongste moet de vervelende klusjes opknappen)
  9. Je mag wel ergens anders honger krijgen, als je thuis maar komt eten. (=Een getrouwde man mag wel met knappe meisjes flirten, daar moet het bij blijven.)
  10. water naar de zee dragen (=een zinloos karwei opknappen)
  11. hete bliksem (=gestoofde aardappels met appel)
  12. er met de pet niet bij kunnen (=het niet willen/kunnen snappen)
  13. de Hebreeërs bouwden het, maar de Egyptenaren hebben het. (Exodus 1:11-14) (=het vuile werk door anderen opknappen en het resultaat zelf pakken)
  14. een eitje met iemand te pellen hebben (=hetzelfde als: een appeltje met iemand te schillen hebben. Nog iets met iemand moeten oplossen.)
  15. elke zot heeft zijn eigen marot (=iedereen heeft ook minder goede eigenschappen)
  16. De hete aardappel doorspelen (=Iemand anders de vervelende klus laten opknappen)
  17. een held op sokken (=iemand die zich dapper voordoet, maar in werkelijkheid niets durft. Een bangerik)
  18. iemand in de tang nemen (=iemand zo vasthouden dat hij of zij niet kan ontsnappen. / Iemand in zijn macht hebben)
  19. de stoute schoenen aantrekken (=iets doen wat moed vergt. (`stout` in de oude betekenis van `dapper`))
  20. ergens geen benul van hebben (=iets echt niet snappen)
  21. zo vader, zo zoon (of: Zo moeder, zo dochter) (=kinderen erven de eigenschappen van hun ouders)
  22. zijn mond voorbij praten (=meer zeggen dan dat er gezegd mag worden en/of het verklappen van een geheim)
  23. op de eerste april zendt men de gekken waar men wil (=op 1 april worden grappen uitgehaald)
  24. door de mazen van het net glippen/kruipen (=op het nippertje ontsnappen)
  25. door het oog van de naald kruipen (=op het nippertje ontsnappen)
  26. met een schone lei beginnen (=opnieuw mogen beginnen, zonder dat misstappen uit het verleden nog zichtbaar zijn)
  27. er in stinken (=te grazen genomen worden, er in trappen)
  28. weten waar Abraham de mosterd haalt (=weten hoe iets in zijn werk gaat; dingen goed snappen)
  29. een leeuwenhuid aantrekken (=zich dapper tonen)
  30. aan de vishaak bijten (=zich laten vangen, toehappen)

Het dialectenwoordenboek kent 34 spreekwoorden met `appe`

  1. Landens: preut (=appelkompot)
  2. Bilzers: appele v¨r sitroene verkope (=bedotten)
  3. Diesters: appele veur pijre verkoeëpe; em liggenemme (=iemand iets aansmeren)
  4. Westfries: Een skip met zure appele (=Donkere regenwolken)
  5. Sint-Niklaas: appelblaazeegroen (=een kleur waar men eigenlijk geen naam voor heeft)
  6. Weerts: dae zien eige bewaartj, bewaartj gein rotte appele (=denk aan je zelf)
  7. Sint-Niklaas: dien appel is zo voos as een roap (=die appel is droog en smakeloos)
  8. Sint-Niklaas: der zit een mjaasteek in (=wormstekige appel of peer)
  9. Venloos: Met dien knäök goej ik nog de appele van de buim (=Ik overleef jou)
  10. Hoogstraats: zjuust ze voader (=de appel valt ...)
  11. Sint-Niklaas: 'nen appel mè een mjasteek (=een appel waar een worm heeft ingezeten)
  12. Munsterbilzen - Minsters: zoeren appel ! (=zuurpruim !)
  13. Oudenbosch: bendal wiesse (n)appe ? (=heb je je al een gebit laten aanmeten ?)
  14. Gronings: de appel vaalt nooit wied van de boom (=de appel valt nooit ver van de boom)
  15. Evergems: Ee ee't van gieën 'ond g'ïrfd (=De appel valt niet ver van de boom)
  16. Fries: krekt san lul als sien heit (=De appel valt niet ver van de boom)
  17. Gronings: de abbel vaalt nooit ver vanne boom (=de appel valt nooit ver van de boom)
  18. Munsterbilzen - Minsters: ver hübben em zen paere lotte zien (=die fruitteler was de rotte appel in de unie)
  19. Weerts: Aan de vaere kindje de vuuëgel (=De appel valt niet ver van de boom)
  20. Munsterbilzen - Minsters: op zenen appel krijge (=klop krijgen)
  21. Munsterbilzen - Minsters: auttet zelfde hoot gesnieë (=de appel valt niet ver van de boom)
  22. Bevers: Beschete koei, beschete kallef (=De appel valt niet ver van de boom)
  23. Munsterbilzen - Minsters: dür de zoeren appel bijte (=nog even volhouden !)
  24. Bilzers: on ne paereboom konste geen appele doen wasse (=hoe ga je een kind beter opvoeden als het niet wil)
  25. Sint-Niklaas: vur nen appel en een ei (=bijna voor niets (koopje))
  26. Tilburgs: wie zenêige bewaort, bewaort ginne rotte appel (=goed voor jezelf zorgen)
  27. Bilzers: iemed op zennen appel gaeve (=iemand naar zijn voeten geven)
  28. Merenaars: vur nen appel en een au (='t is zeer goedkoop verkocht)
  29. Munsterbilzen - Minsters: de moestich mèr dër dae zoeren appel hieën bijte (=de volhouder wint)
  30. Antwerps: Een peer oep oewen appel (=Een slag op het hoofd krijgen)
  31. Antwerps: Wilde gij 'n péér oep uwen appel ? (=Wil je een klop op je gezicht ?)
  32. Drents: Elk paradies hef zien eigen slang/Elk paradies hef zien eigen zoere appel (=Overal is wel iets)
  33. Luyksgestels: iemes tege z'nen appel père (=iemand een draai om zijn oren geven)
  34. Munsterbilzen - Minsters: verpatsje vür nen appel en ee (=quasi gratis van de hand doen)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen