Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

50 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `alt`

  1. al is de leugen nog zo snel de waarheid achterhaalt ze wel (=leugens komen altijd uit)
  2. als de herder verdwaalt dolen de schapen (=als de leider het verkeerd doet weten de mensen die hem volgen niet wat ze doen moeten)
  3. als de zon een mestvaalt beschijnt, dan verspreidt deze een onaangename geur (=als je met goede wil ergens te veel aandacht aan besteedt kan het verkeerd opgevat worden. / Met alle goede wil van de wereld kun je sommige zaken nog niet verbeteren)
  4. als je alles van tevoren weet, ga je liggen voor je valt (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  5. als puntje bij paaltje komt (=als het erop aankomt)
  6. altijd brood eten verdriet ook. (=Een mens wil ook eens een verzetje.)
  7. altijd de kwade pier zijn (=altijd als de schuldige aangewezen worden)
  8. altijd de oude knecht blijven (=geen vorderingen maken (ook geen achteruitgang))
  9. altijd het oude liedje (=steeds weer hetzelfde)
  10. altijd hetzelfde deuntje zingen (=steeds weer hetzelfde herhalen)
  11. altijd op hetzelfde aambeeld hameren/slaan (=steeds weer op hetzelfde onderwerp terugkomen)
  12. bij de buren is het gras altijd groener (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  13. buurmans gras is altijd groener (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  14. daar valt wel een mouw aan te passen (=daar is wel een oplossing voor te vinden)
  15. dat komt als mosterd na de maaltijd (=dat komt op een moment dat het geen nut meer heeft)
  16. de appel valt niet ver van de stam/boom (=kinderen lijken vaak op de ouders )
  17. de boog kan niet altijd gespannen zijn (=men moet zich soms ook kunnen ontspannen)
  18. die eerst komt eerst maalt (=wie eerst komt krijgt het beste)
  19. Die haalt de nieuwe aardappelen niet (=Iemand die gauw zal gaan sterven)
  20. die molen maalt langzaam (=dat gaat traag)
  21. een kat komt altijd op z'n pootjes terecht (=ingewikkelde en vervelende dingen kunnen vanzelf weer voor elkaar komen)
  22. een vliegende kraai/vogel vangt/vindt altijd wat (=als je er maar op uit gaat, vind je altijd wel wat in je voordeel)
  23. eenmaal gestolen altijd een dief (=een verkeerde daad wordt niet vlug vergeten)
  24. er is altijd wel ergens een vogel die zingt (=er is altijd wel een lichtpuntje als je maar goed je oren en ogen open zet)
  25. er zijn altijd meer zwijgers dan sprekers (=lang niet iedereen komt altijd voor zijn mening uit)
  26. het ene woord haalt het andere uit (=als de ene persoon een grote mond opzet, krijgt die dat van de ander terug)
  27. het gras is altijd groener bij de buren (=er is altijd iets te vinden om jaloers op te zijn)
  28. het is altijd koekoek éénzang (=altijd hetzelfde verhaal vertellen of zelfde voorbeeld geven)
  29. het is altijd rouwen en trouwen (=het leven is een afwisseling van goede en slechte tijden)
  30. het is altijd vet op een andermans schotel (=een ander heeft het schijnbaar altijd beter)
  31. het kan niet altijd kaviaar zijn (=niet elke dag is een topdag)
  32. het leven gaat niet altijd over rozen (=het is niet altijd zo mooi, iedereen heeft wel eens tegenvallers)
  33. het lot valt altijd op Jonas (=hij heeft vaak pech)
  34. het oog ziet altijd van zich af (=de eigen fouten ziet men niet, maar andermans fouten altijd wel)
  35. het water loopt altijd naar de zee (=zij die al het meest hebben, krijgen ook het meeste)
  36. kreupel wil altijd voordansen (=de zwaksten willen het hoge woord hebben)
  37. mosterd na de maaltijd (=een oplossing die te laat komt)
  38. niet geschoten is altijd mis (=als je het niet probeert, komt er ook niks van)
  39. op een goudschaaltje leggen/wegen (=heel voorzichtig afwegen)
  40. over smaak valt niet te twisten (=over verschil in smaak moet men geen ruzie maken)
  41. Sijmen betaalt (=diegene die het minste verdient draagt de kosten)
  42. weten waar Abraham de mosterd haalt (=weten hoe iets in zijn werk gaat; dingen goed snappen)
  43. wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok (=als je kritiek wil hebben op iemand, vind je altijd wel een reden)
  44. wie een kuil/put graaft voor een ander valt er zelf in (=wie een ander iets wil misdoen, kan er zelf het slachtoffer van worden)
  45. wie eerst komt eerst maalt (=wie eerst komt, krijgt het beste)
  46. wie het eerst komt, het eerst maalt (=het wordt toegekend aan degene(n) die het eerst komt)
  47. wie het onderste uit de kan wil hebben die valt het lid op de neus (=wie altijd het uiterste wil, krijgt uiteindelijk niets)
  48. zijn haan moet altijd koning kraaien (=hij wil altijd de baas zijn)
  49. zijn hoed zit altijd op zijn hoofd (=hij groet nooit iemand)
  50. zijn woorden op een goudschaaltje wegen (=uiterst weloverwogen spreken)

119 betekenissen bevatten `alt`

  1. Wie weet waarom de ganzen blootsvoets gaan? (=Alles heeft een reden, ook al is die niet altijd even duidelijk)
  2. het is alle dagen visdag maar geen vangdag (=als de buit of vangst tegen valt)
  3. Waar aas is vliegen kraaien (=Als er iets te halen valt staat iedereen vooraan)
  4. er is geen ijs of het kost mensenvleis (=als er ijs op de sloten en vijvers ligt, verdrinken er altijd mensen)
  5. hoe meer vis, hoe droever water (=als er meer mensen komen valt er minder te verdelen (erfenissen))
  6. een vliegende kraai/vogel vangt/vindt altijd wat (=als je er maar op uit gaat, vind je altijd wel wat in je voordeel)
  7. als je hem een vinger geeft, neemt hij de hele hand (=als je iemand een beetje helpt, wil diegene altijd je hulp)
  8. wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok (=als je kritiek wil hebben op iemand, vind je altijd wel een reden)
  9. altijd de kwade pier zijn (=altijd als de schuldige aangewezen worden)
  10. op de kloosters reizen (=altijd bij vrienden of kennissen logeren)
  11. recht door zee gaan (=altijd eerlijk blijven/zijn)
  12. de pastoor gaat voor en de dominee loopt met hem mee (=altijd eerst de machtige mensen, dan de mindere mens)
  13. semper virens (=altijd groen)
  14. het is altijd koekoek éénzang (=altijd hetzelfde verhaal vertellen of zelfde voorbeeld geven)
  15. met alle winden draaien (=altijd iedereen gelijk geven)
  16. met alle winden meedraaien (=altijd iedereen gelijk geven)
  17. met alle winden waaien (=altijd iedereen gelijk geven / door alles en iedereen laten beïnvloeden)
  18. van leugens aaneenhangen (=altijd maar liegen)
  19. draaien als een molen (=altijd meegaan met de heersende mening - naar de mond van de toehoorder praten)
  20. die veel begeert veel ontbeert (=altijd meer willen maakt ongelukkig)
  21. op zijn stokpaard rijden (=altijd over hetzelfde praten of klagen)
  22. een bodemloos vat zijn (=altijd te weinig van iets zijn of opraken)
  23. onder een gelukkig gesternte geboren zijn (=altijd voorspoed hebben en gelukkig zijn)
  24. semper idem (=altijd weer hetzelfde)
  25. strijk en zet (=altijd weer opnieuw)
  26. niets dan wonden en builen zoeken (=altijd willen vechten)
  27. niet in een goed vel steken (=altijd ziek zijn, nooit gezond)
  28. bij de buren is het gras altijd groener (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  29. buurmans gras is altijd groener (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  30. men kan geen kaalkop bij het haar vatten (=bij de arme valt niets te rapen)
  31. men kan geen kei het vel afstropen (=bij de arme valt niets te rapen)
  32. vis moet (wil) zwemmen (=bij een goede maaltijd hoort een goed glas wijn (bier))
  33. twee ruilen een huilen (=bij het ruilen is de een altijd beter af dan de ander)
  34. Wie de teugel slap laat hangen, kan met een mak paard nog op hol raken. (=Blijf altijd aandachtig en geconcentreerd)
  35. wanneer de boeren niet meer klagen, nadert het einde der dagen (=boeren klagen altijd)
  36. kinderen die vragen worden overgeslagen (=brutale kinderen die altijd overal om vragen, worden genegeerd)
  37. het oog ziet altijd van zich af (=de eigen fouten ziet men niet, maar andermans fouten altijd wel)
  38. de beste stuurlui staan aan wal (=de toeschouwers kunnen het altijd beter dan de uitvoerders)
  39. alles komt uit al moesten de kraaien het uitbrengen (=de waarheid komt altijd uit)
  40. het heen en weer krijgen (=diarree krijgen - vooral gezegd van iets dat helemaal niet bevalt)
  41. schijn bedriegt (=dingen zijn niet altijd zoals ze zich voordoen)
  42. het is altijd vet op een andermans schotel (=een ander heeft het schijnbaar altijd beter)
  43. goed bloed kan niet liegen (=een edele afkomst wordt altijd opgemerkt)
  44. Boontjes uit water eten. (=Een eenvoudige maaltijd.)
  45. een handwerk heeft een gouden bodem (=een goed vakman verdient altijd zijn brood)
  46. eerlijk duurt het langst (=een leugen komt op den duur altijd uit, maar de waarheid blijft altijd waar)
  47. een renegaat is nog erger dan een Turk (=een vroegere vriend is een veel gevaarlijker vijand dan iemand die altijd een vijand is geweest)
  48. Vrouwenhanden en paardentanden staan nooit stil. (=Een vrouw is altijd wel wat aan het doen)
  49. zolang er leven is, is er hoop (=er is altijd hoop, dus geef nooit op!)
  50. het gras is altijd groener bij de buren (=er is altijd iets te vinden om jaloers op te zijn)

Het dialectenwoordenboek kent 15 spreekwoorden met `alt`

  1. Brussels: dos altait moyin om te moyènèiren (=een oplossing zoeken)
  2. Werviks: beele (=aan het altaar verzaken aan het huwelijk)
  3. Diesters: naa leet dië nog altaat in zenne nest (beddebak) (=nu ligt hij nog altijd in zijn bed)
  4. Antwerps: neie zoë stappekik altaaid af (=Antwoord op :Ben je gevallen met je fiets?)
  5. Antwerps: t woater loept altaaid nor de zië (=wie al veel heeft ,krijgt veel)
  6. Heusdens: ich hem nog alted probleme,ich woen inne vlaaners mer ich klap nog alted heusdes (=ik heb nog steeds problemen,ik woon in west-vlaanderen maar spreek nog steeds heusdens)
  7. Dunges: 't is alted iets, en ut so we zen es ut nie zo was (=Het is altijd iets, en het zou wat zijn als het niet zo was)
  8. Turnhouts: den besten turnauter hè nog altaai een seuzie gepikt (=de beste turnhouter heeft nog altijd een deken gestolen)
  9. Betuws: in avuzoath zeggé wie alted moar dekke mó je (=in avezaath zeggen we altijd maar zo nueken moet je)
  10. Heusdens: os nicole zee alteit,asm t'gruutste stuk nie hit begintmtebleite (=ons nicole zei altijd,als hij het grootste stuk niet heeft begint hij te wenen)
  11. Graauws: ge wur alt overreeen deur een strontkaar, nooit deur ne mercedes (=pech hebben)
  12. Sint-Niklaas: den duvel schit alt op de groetsten oûp (=het geld wil altijd bij dezelfde zijn)
  13. Graauws: ammen ouw nie oien en de voordeur, moestem alt lest achter noar binnen (=je bent een leuke meid)
  14. Reeks: (ons mam) 'smam is noit thûs, ze is alt de hort op. (=mijn moeder is nooit thuis, ze is altijd weg)
  15. Melseels: 't is alt e jonk of un aa mie 'em (=het is altijd wat met hem)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen