Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

10 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ZOR`

  1. dat zal mij een ZORg wezen (=daar trek ik me niets van aan)
  2. die dan leeft die dan ZORgt (=geen zorg om de toekomst van anderen)
  3. een hartje zonder ZORg (=een zorgeloos iemand)
  4. eten uit de korf zonder ZORg (=geen zorgen meer hebben over zijn levensonderhoud)
  5. geen ZORgen voor de dag van morgen (=maak je nu nog niet druk over mogelijke toekomstige problemen)
  6. geen ZORgen voor morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=de moeilijkheden van vandaag zijn genoeg om je zorgen over te maken)
  7. leven uit de korf zonder ZORg (=onbekommerd leven)
  8. mij een ZORg (=wat kan mij het schelen!)
  9. wie dan leeft, wie dan ZORgt (=geen zorgen maken over de toekomst)
  10. ZORg dat daar geen zwarte hond tussen komt (=Pas op dat het niet misgaat)

52 betekenissen bevatten `ZOR`

  1. de wijde wereld ingaan/intrekken (=(onbeZORgd) op reis vertrekken)
  2. Aan de veren kent men de vogel (=1: Aan iemands uiterlijk (verZORging / kleding) kan men zijn karakter afleiden. 2: Kinderen lijken vaak op hun ouders)
  3. aan de veren kent men de vogel (=aan het uiterlijk (verZORging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te maken hebt)
  4. aan de hand doen (=beZORgen)
  5. dat houdt me op de been (=dat ZORgt ervoor dat ik door kan blijven gaan; daardoor houd ik het vol)
  6. geen zorgen voor morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=de moeilijkheden van vandaag zijn genoeg om je ZORgen over te maken)
  7. zich achter de oren krabben (=door een onverwachte, ZORgelijke ontwikkeling tot nadenken gestemd zijn)
  8. leven als een god in Frankrijk (=een aangenaam en ZORgeloos leven hebben)
  9. aan de zwabber zijn (=een onbeZORgd leventje leiden)
  10. een hartje zonder zorg (=een ZORgeloos iemand)
  11. elkaar de bal toespelen (=elkaar voordeeltjes beZORgen)
  12. met de muts naar iets gooien (=ergens geen ZORg aan besteden / er een slag naar slaan, ernaar raden)
  13. je hart vasthouden (=ernstig ZORgen maken, bang zijn dat het mis gaat)
  14. iemand iets door de neus boren (=ervoor ZORgen dat iemand iets niet krijgt)
  15. iets in goede banen leiden (=ervoor ZORgen dat iets goed verloopt)
  16. ergens de angel uittrekken (=ervoor ZORgen dat iets minder gevaarlijk wordt door het meest gevaarlijke deel onschadelijk te maken; iets minder pijnlijk maken)
  17. iets aan banden leggen (=ervoor ZORgen dat iets zich niet verder kan uitbreiden)
  18. acte de présence geven (=ervoor ZORgen dat je ergens aanwezig bent)
  19. een wig drijven tussen twee personen (=ervoor ZORgen dat ze ruzie krijgen)
  20. die dan leeft die dan zorgt (=geen ZORg om de toekomst van anderen)
  21. wie dan leeft, wie dan zorgt (=geen ZORgen maken over de toekomst)
  22. eten uit de korf zonder zorg (=geen ZORgen meer hebben over zijn levensonderhoud)
  23. in de knoei zitten (=grote moeilijkheden of ZORgen hebben)
  24. hij kan goed zijn mondje roeren (=hij ZORgt er goed voor dat zijn mening wordt gehoord)
  25. elk huisje heeft z'n kruisje (=ieder gezin heeft eigen ZORgen en problemen)
  26. iemand onder zijn vleugels nemen (=iemand beschermen of verZORgen)
  27. het zonnetje in huis (=iemand die ZORgt voor een goede, opgeruimde sfeer)
  28. iemand een luis in de pels zetten (=iemand last beZORgen)
  29. iemand in de wielen rijden (=iemand tegenwerken om te ZORgen dat het mis gaat)
  30. `t Mag vloeien, `t mag ebben. Die niet waagt zal `t niet hebben (=Je moet niet denken als je niets onderneemt dat ze het dan bij je thuis komen beZORgen)
  31. iemand beest maken (=kaartspel : ZORgen dat iemand geen enkele slag haalt)
  32. kleine vossen bederven de wijngaard (=kleine fouten kunnen ZORgen voor grote problemen in het geheel)
  33. elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=men moet zich niet ZORgen maken over de toekomst)
  34. van dik hout zaagt men planken (=niet al te nauwkeurig of ZORgvuldig werken)
  35. te kort doen (=niet goed verZORgen, niet genoeg geven)
  36. uit de pot van Egypte eten (=nog thuis eten bij de ouders die voor je ZORgen)
  37. van Jan Pet (=onverZORgd, waardeloos)
  38. zich er met Jantje van Leiden afmaken (=onZORgvuldig zijn en weinig aandacht aan het werk besteden)
  39. op zijn paasbest zijn (=op zijn best gekleed en goed verZORgd zijn)
  40. om het hart slaan (=schrik beZORgen)
  41. in de watten leggen (=uitzonderlijk goed verZORgen)
  42. werk van iemand maken (=veel ZORg aan iemand besteden)
  43. op eigen benen staan (=voor jezelf ZORgen; geen hulp nodig hebben)
  44. als het hemd scheurt dan heeft het een gat (=wees niet vooraf al nodeloos beZORgd)
  45. de speelman zit op het dak (=ze zijn pas gehuwd, hebben nog geen ZORgen)
  46. een vrolijke frans zijn (=zeer opgewekt en blij zijn zonder ZORgen)
  47. ergens mee inzitten / ergens over inzitten (=zich ergens ZORgen over maken)
  48. zijn koren/korentje groen eten (=zich geen ZORgen maken om de toekomst, niet sparen. )
  49. Zijn gat aan de poort vegen (=Zich nergens ZORgen om maken)
  50. zich in acht nemen (=zichzelf verZORgen)

Het dialectenwoordenboek kent 50 spreekwoorden met `ZOR`

  1. Tilburgs: körref zonder zörreg (=een ZORgeloos iemand)
  2. Gents: aa es van zaan twiede moeder geklied (=hij is niet ZORgzaam gekleed)
  3. Munsterbilzen - Minsters: dasse pak van men hat (=één ZORg minder)
  4. Booms: gor sloage (=ZORg voor iets dragen)
  5. Mechels (BE): dattem zeurgt veu ... (=dat hij ZORgt voor...)
  6. Westerkwartiers: elk zörgt veur zich, God veur ons allemoal (=elk ZORgt voor zichzelf, God voor ons allen)
  7. Steins: get aan ziene bölles höbbe (=ergens ZORgen over hebben)
  8. Munsterbilzen - Minsters: zene kop braeke (=zich ZORgen maken)
  9. Ninoofs: a kas opfrett'n (=zich ZORgen maken)
  10. Veurns: z'n ersens klutsen mi... (=Zich ZORgen maken over...)
  11. Lokers: As de kinderen kleinen zijn terten z' op ou tienen, as ze gruêt zijn op ou erte (=Kleine kinderen, kleine ZORgen, grote kinderen, grote ZORgen)
  12. Westels: haa sloagt da ni goa (=hij draagt er geen ZORg voor)
  13. Oudenbosch: maokt dagge zijt waorut te doen is (=ZORg dat je kunt meedoen)
  14. Oudenbosch: zurreg dagoe peeje op tijt uitet (=ZORg voor de toekomst)
  15. West-Vlaams: witte perrieges èn veele strooëi nooëdieg (=mooie vrouwen vergen veel ZORg en aandacht)
  16. Oudenbosch: zurgde gij mar datta eul bleft (=ZORg dat dat niet kapot gaat)
  17. Munsterbilzen - Minsters: zèttem èn e glaoze këske (=ZORg dat hij toch maar niets negatiefs ondervindt)
  18. Kortrijks: tes ne fliereflutter (=hij maakt zich in niets ZORgen)
  19. Kinrooi: Veur de zörge van mörge zal mörge waal zörge! (=Voor de ZORgen van morgen zal morgen wel ZORgen!)
  20. Genneps: geen kie.nd of kuuke hebbe (=Niemand om voor te ZORgen)
  21. Bilzers: Haad dich bij! (=ZORg dat je je deel krijgt)
  22. Westerkwartiers: wel den leeft, den zörgt (=maak je geen ZORgen om de dingen die komen)
  23. Dilbeeks: zan kas opfrètt'n (=zich ergeren, ernstig ZORgen maken)
  24. Bilzers: mürge kump nochne daog (=ZORgen zijn voor morgen)
  25. Tilburgs: mòkt dè ge-t goet mòkt !! (=ZORg dat je het goed doet !!)
  26. Westerkwartiers: da's 'n pak van mien haart (=dat is een ZORg minder)
  27. Oudenbosch: zurg da goewoge niejin oewe zakket (=ZORg dat je alles ziet)
  28. Texels: Olle tiêde hèèwwe weer tiêde (=Wie dan leeft, wie dan ZORgt)
  29. Westerkwartiers: hij moakt zich d'r dik om (=hij heeft daar ZORgen om)
  30. Tilburgs: wie zenêige bewaort, bewaort ginne rotte appel (=goed voor jezelf ZORgen)
  31. Zeeuws: ai j trouwt kom jin de zurrehen en je rik ter noeait mi uut (=ZORgen)
  32. Weerts: as de wichter groeët zeen, doon zeuj de aojers nao béd (=kinderen ZORgen later voor hun ouders)
  33. Westfries: die? die vund z'n kaai (=over hem hoef je je geen ZORgen te maken)
  34. Munsterbilzen - Minsters: da zien ver dan wol, zaachte blinne (=ZORgen voor morgen komen altijd één dagte vroeg)
  35. Sittards: Klein kènjer traeë dich oppe sjòlk, groote op 't hart (=Kleine kinderen kleine ZORgen, grote kinderen grote ZORgen)
  36. Oudenbosch: ijee kiend noch kraai (=hij hoeft voor niemand te ZORgen)
  37. Volendams: iederien zaalt ze aige mast oeverboord (=ieder moet voor zichzelf ZORgen)
  38. Tilburgs: zit ur mar niks oover in (=maak je maar geen ZORgen)
  39. Boksmeers: liever schik as un n�je b�ks (=liever plezier dan ZORgen)
  40. Genneps: zich druk maake um óngelegde ejjer (=Zich onnodig ZORgen maken)
  41. Schevenings: 't Zel me amme gat roeste! (=Het zal mij een ZORg zijn!)
  42. Munsterbilzen - Minsters: de moes geen aa sjoen voertdoen, vÛrdaste nauw hübs (=ZORg altijd dat er op tijd vervanging is)
  43. Oudenbosch: zurreg dagge vor d n donkere tuis zijt (=ZORg dat je thuiskomt voordat het avond wordt)
  44. Helmonds: Zet oewe buijk er mar vur! (=ZORg maar dat je zin maakt!)
  45. Vechtdals: Maakt oe over morn gien zörngn. (=Maak je geen ZORgen voor de dag van morgen)
  46. Oudenbosch: diejee ok ge-f wa vor de deur le-ge (=zwaar in de ZORgen zitten)
  47. Steins: get aan ziene fits höbbe (=ergens ZORgen over hebben)
  48. Munsterbilzen - Minsters: tlaeve ès te kot vër zene kop te braeke iëver baggetelle (=ZORgen nemen de problemen niet weg, wel je energie)
  49. Munsterbilzen - Minsters: de moes nie altijd zik zin vür baeter te wiëne (=alle ZORgen verdwijnen als de zon weer gaat schijnen)
  50. Munsterbilzen - Minsters: doet nie vendaog woste mörge ook kons doen (=ZORgen voor morgen komen altijd één dag te vroeg)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen