Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


61 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Water`

  1. als het Water zakt, kraakt het ijs (=elke oorzaak heeft gevolgen)
  2. bang zijn zich aan koud Water te branden (=erg voorzichtig zijn)
  3. blijf uit zijn kielWater of je raakt in zijn zog (=blijf uit zijn buurt, want je wordt er slechter van)
  4. Boontjes uit Water eten. (=Een eenvoudige maaltijd.)
  5. boven Water komen / boven Water halen (=tevoorschijn komen / tevoorschijn halen, verschijnen, opduiken)
  6. boven Water zijn (=alles is bekend geworden of is teruggevonden)
  7. boven zijn theeWater (=dronken)
  8. dat is een paal onder Water (=dat brengt meer nadeel dan voordeel)
  9. dat kan al het Water van de zee niet afwassen (=daar is niets aan te doen - dat kan je niet wegpraten)
  10. dat staat als een paal boven Water (=dat is een absolute zekerheid)
  11. dat wast al het Water van de zee niet af (=iets is niet meer te veranderen/aan te passen)
  12. de kruik gaat zo lang te Water tot ze barst/breekt (=als men steeds risico's blijft nemen, gaat het een keer mis)
  13. De kruik gaat zolang te Water tot zij barst (=1: Alles heeft zijn beperkingen. 2: De onvoorzichtige die niet naar goede raad wil luisteren ondervindt daarvan vroeg of laat de gevolgen)
  14. de zon in het Water kunnen zien schijnen (=kunnen verdragen dat een ander ook iets krijgt)
  15. de zon niet in het Water kunnen zien schijnen (=jaloers zijn, iets niet kunnen verdragen)
  16. De zon niet in het Water kunnen zien schijnen (=Afgunst hebben (jaloers zijn) op een ander)
  17. die twee lijken als twee druppels Water op elkaar (=die twee lijken heel erg op elkaar)
  18. een lulletje rozenWater (=een weinig dynamisch persoon)
  19. geen Water is hem te diep (=hij durft alles te ondernemen)
  20. geen Water te diep zijn (=nergens bang voor zijn, alles durven)
  21. Geld in het Water gooien (=Geld verspillen)
  22. Geloof nooit iemand die in de ene hand Water en de andere hand vuur draagt (=Wees niet lichtgelovig, niet iedereen is het vertrouwen waard)
  23. gods Water over gods akker laten lopen (=de dingen op hun beloop laten)
  24. het aan zijn Water voelen (=het instinctief aanvoelen)
  25. het hoofd boven Water houden (=financieel rondkomen, juist genoeg geld hebben om te kunnen leven)
  26. het is melk en Water (=het is een futloze zaak)
  27. het is Water en melk (=het is een futloze zaak)
  28. het kind met het badWater weggooien (=samen met het slechte ook het goede wegdoen)
  29. het warm Water (her)uitvinden (=iets wat reeds lang bekend is, presenteren alsof het een originele innovatie is. (Niet verwarren met `het wiel opnieuw uitvinden`))
  30. het Water is veel te diep (=hij durft het niet aan)
  31. het Water komt aan/tot de lippen (=in groot gevaar, in hoge nood)
  32. het Water loopt altijd naar de zee (=zij die al het meest hebben, krijgen ook het meeste)
  33. het Water loopt hem in de mond (=hij heeft er heel veel trek in)
  34. hij snakt ernaar als een vis naar Water (=ergens hevig naar verlangen)
  35. hij vist in troebel Water (=hij is een profiteur)
  36. hoe meer vis, hoe droever Water (=als er meer mensen komen valt er minder te verdelen (erfenissen))
  37. iemand in zijn kielWater zeilen (=iemand op de hielen volgen)
  38. in het Water vallen (=falen (een opzet, een voornemen, een plan), mislukken, niet doorgaan)
  39. in iemands vaarWater zitten (=iemand hinderen of concurreren)
  40. in troebel Water is het goed vissen (=in tijden van onlust of oorlog kan men gemakkelijk voordelen halen)
  41. in zulk Water vangt men zulke vissen (=van dat slag volk mag men dat verwachten)
  42. kijken of men Water ziet branden (=heel erg verbaasd kijken)
  43. koffen en smakken zijn Waterbakken (=dat soort dingen kan veel doorstaan)
  44. leven als een vis in het Water (=totaal tevreden en onbekommerd leven)
  45. Men kan een paard wel in het Water trekken, maar niet dwingen dat het drinkt. (=Je moet iemand niet dwingen, zelfs niet tot iets leuks)
  46. met een Waterzeil thuiskomen (=doornat zijn)
  47. met het Water voor de dokter komen (=zeggen wat je bedoelt)
  48. om kaneelWater lopen (=beuzelwerk doen - van het kastje naar de muur gestuurd worden)
  49. onder Water zijn (=afwezig zijn)
  50. op elkaar lijken als twee druppels Water (=precies op elkaar lijken)

2 betekenissen bevatten `Water`

  1. hij heeft een paling (snoek) gevangen (=iemand die per ongeluk in het Water is gevallen)
  2. een goeie vis moet drie keer zwemmen (=in het Water, in de boter of kookvocht en in de wijn)

Het dialectenwoordenboek kent 60 spreekwoorden met `Water`

  1. Evergems: een weekmeere mee 'n teste zop (=Een Waterige wind (scheet) laten)
  2. Antwerps: Een Waterkieken, of een Watergeest (=Inwoner van een dorp aan de overkant van de Schelde)
  3. Arnhems: Water aansteken (=Water opzetten)
  4. Lutters: alle enties zwõmt int Water (=alle eendjes zwemmen in het Water)
  5. Lutters: spiekers op leeg Water zuuk'ng (=spijkers op laag Water zoeken)
  6. Geels: t woater zuijt (=het Water kookt)
  7. Geels: 't reigent aa muijers (=het giet Water)
  8. Rotterdams: In 't majum sodemieteren. (=In het Water gooien)
  9. Helders: Een nat zeikie. (=Water in je schoenen.)
  10. Overmeers: nen dreupel woatre (=een druppel Water)
  11. Mechels (NL): Landeus (=Oude Water bron)
  12. Zeeuws: \ (=smerig Water gebruiker:)
  13. Aalsters: en scheit in en fles (=storm in een glas Water)
  14. Lokers: geduepte maalk (=met Water verdunde melk)
  15. Liemers: De bluumkes buute Water geven (=Wildplassen)
  16. Merenaars: ne muujer zojjenne woeëter (=een ketel met kokend Water)
  17. Veurns: è sjcheet’ in è flessjche zien (=een storm in een gas Water zijn)
  18. Munsterbilzen - Minsters: twor loos alarm (=het was maar storm in een glas Water)
  19. Munsterbilzen - Minsters: het lotte bekiele (bezinke) (=Water bij de wijn doen)
  20. Venrays: de zon gut de regen hale (=avondrood brengt Water in de sloot)
  21. Gents: stekke tsjiepkes maïs (=een steek onder Water geven (figuurlijk))
  22. Walshoutems: Wetter hoale an de bon (=Water halen aan de bron)
  23. Munsterbilzen - Minsters: das draaj daoge raenger (=het regent blaasjes op het Water)
  24. Oudenbosch: ij gieng eulemaol kopkenonder (=hij verdween geheel onder Water)
  25. Munsterbilzen - Minsters: van watter kraajgste alléén mèr troëne èn zen ooge (=ik drink nooit Water)
  26. West-Vlaams: tis em gespoog'n (=op iemand gelijken als twee druppels Water)
  27. Munsterbilzen - Minsters: zen broek wor duidelëk te kot (=de kelner had Water in zijn kelder)
  28. Sint-Niklaas: 't woater in de moûr begint te zoûn (broebelen) (=het Water in de ketel begint te koken)
  29. West-Vlaams: 't es'tn gescheten en gespogen (=Hij lijkt er als twee druppels Water op)
  30. Steins: Doe höbs hoeag Water !! (=Jouw broek is te kort !!)
  31. Diesters: ich hem hoog Water (=ik moet dringend plassen)
  32. Drents: Ze hef 't Water in de kelder staon (=Ze is in verwachting)
  33. Heerlens: ee heufke Water (=1/2 L putWater)
  34. Diesters: Water in de kelder (=te korte pantalon)
  35. Sallands: Een fraue hef zolt Water uut de kettel in 'n bäkkie of pöttie edaone. (=Een vrouw heeft zout Water uit de ketel in een bakje of potje gedaan.)
  36. Brakels (gld): Dur komt un stoèt woater vaan bovu (=Er komt bovenstrooms zeer veel Water)
  37. Ninoofs: 't es za voeër gedrodj en geskeet'n (=hij lijkt op zijn vader als twee druppels Water)
  38. Sint-Niklaas: 't geplets van de zwemmers int woater (=het geluid van de zwemmers in het Water)
  39. Oudenbosch: elke speek vant wiel komt bove (=de waarheid komt wel boven Water)
  40. Aalsters: 't es zè voier gescheiten en gespagen (=hij trekt als 2 druppels Water op zijn vader)
  41. Melseels: 't is 'em gespoogen en gescheten (=Hij lijkt als twee druppels Water op...)
  42. Steenwijks: dat staot as 'n paole boôm d'Ao (=dat staat als een paal boven Water)
  43. Brakels (gld): Om aacht uuru 't woatur hièt (=Om acht uur het Water heet)
  44. Zelzaats: Temberken (=Oplossing van aardappelbloem in warm Water om vleesjus mee aan te dikken)
  45. Eesjdens: V'r hoeele de kaoeter mit waoeter van 't taoek van de sjtaoesie (=We halen de kater met Water van het dak van het station)
  46. Bornems: a eighet werm Water uitgevonne (=iemand die niet erg snugger is)
  47. Westfries: As Water brandt, brandt alles (=De overmacht is (te) groot)
  48. Rotterdams: Een klat Water door je gezicht halen (=Gezicht wassen)
  49. Westfries: 't spoelt / klapt van Water (=Heel hard regenen)
  50. Hunsels: Gaas, Water en leecht (=We gaan er tegenaan)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen