Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


Het dialectenwoordenboek kent 248 spreekwoorden met `WERK`

  1. Oudenbosch: er un goeie snok aon geve (=alvast een goed stuk van het WERK doen)
  2. Westerkwartiers: da's heul ondankboar waark (=aan dat WERK valt geen eer te behalen)
  3. Waregems: 'k'n zie der mij gieën doen an (=dat is een onbegonnen WERK(1° pers. enkv.))
  4. Sint-Niklaas: zènne schoofzak meepakken (=een zak met boterhammen meenemen naar het WERK)
  5. Sallands: niks (of: nums) meer um haandn hemmn (=klaar met WERK/ niets meer te doen)
  6. Westerkwartiers: met proat'n komt 't niet kloar (=met zeggen komt het WERK niet klaar)
  7. Bilzers: ¨doë mauste mene rëg és vür krabbe (=voor zo weinig geld WERK ik niet)
  8. Antwerps: klappen en braaie (breien) (=voortdoen met het WERK als men aan t praten is)
  9. West-Vlaams: Smoet je kiet'n moar in (=Zet je schrap, bereid je voor op hard WERK)
  10. Bilzers: spaor ze laeve mér nie ze geld (=beter een buikje van het zuipen dan een bult van het WERKen)
  11. Munsterbilzen - Minsters: baeter ne bauk vant zaupe, dan ne kroef vant wörke (=liever een bierbuikje dan bult van 't WERKen)
  12. Buggenhouts: hei he' geene boeilt vant WERKen (=een gediplomeerde luiaard)
  13. Lichtervelds: tis ol WERK voe dn drol (=het is verloren moeite)
  14. Kortemarks: tis ol WERK voe dn drol (=het is verloren moeite)
  15. Munsterbilzen - Minsters: natte vinger WERK (=veel gissen)
  16. Munsterbilzen - Minsters: vannen sjaun toffel zulste nie lang aete (=een vrouw moet niet alleen maar mooi zijn (ze moet ook WERKen))
  17. Kortrijks: kgao ton nen bustel in min gat stekn en terbinst dak rondlope kan ik nog wa voagn... (=ik ga dan nog meer WERKen...)
  18. Veurns: zen va WERKen e stad gemakt en van de (=ze hebben van WERKen een stad gemaakt en van de rest van de stenen bovenkerke)
  19. Lokers: kakken goa veur bakken (=De roep van de natuur gaat vóór het WERK)
  20. Rotterdams: Paar meter straat erbij nemen (verwijzing naar prostitutie) (=Extra WERK moeten zoeken (geld nodig))
  21. Tilburgs: hè lòt aander meense d-aase ötkrööje (=hij laat anderen het vuile WERK doen)
  22. Westerkwartiers: mien vingers jeuk'n mij (=graag zou ik weer aan het WERK gaan)
  23. Rotterdams: Ben geen mof (=WERK uit je handen laten nemen, laten overnemen)
  24. Oudenbosch: aarde gij wir posjus ghe-te ? (=waar kwam je voor je WERK zo laat vandaan ?)
  25. Giethoorns: Zoer verdiend,zeute verteerd (=Genieten van het zware WERK wat is gedaan)
  26. Westerkwartiers: hij speult d'r met as 'n kat met 'n muus (=hij heeft er geen WERK van)
  27. Bosch: 'T duurt ekkes moar dan hedde ok wa!! (=Goed WERK heeft tijd nodig.)
  28. Munsterbilzen - Minsters: de kestonzjele vür iemes auttet vieër haole (=het gevaarlijke WERK voor iemand anders opknappen)
  29. Zeeuws: Die vloog t'r op af as Soffel op d'n duvel (=Hij begon direct aan het WERK)
  30. Liemers: Gao'j gaete grave: daor krie'j twee bulte van\r\n één op de rug en één naeve 't gat. (=Zwaar WERK willen doen.)
  31. Zeeuws: das hin WERK ee (=geen manier)
  32. Kinrooi: Niks doon is pas good es te veul te doon höbs. (=Niets doen is pas goed wanneer je veel WERK hebt.)
  33. Munsterbilzen - Minsters: dae et langste laef hètten heile werd on zen kloete (=je wordt schatrijk als je maar gek bent om lang te WERKen)
  34. Bilzers: On hêl würke és nog niemed daud gegon, mér ich pak toch nie daaj riskaose (=Van WERKen sterf je niet, denk ik tenminste)
  35. Munsterbilzen - Minsters: doë mauge ze mene règ ins vër krabbe (=voor zo weinig geld ga ik er niet WERKen)
  36. Munsterbilzen - Minsters: wot de kop vergit, moete de been besniete (=als je niet goed oplet ,heb je dubbel WERK)
  37. Munsterbilzen - Minsters: dich zits op zen lui petatte en ich zit haaj mèr te vrietele (=jij zit op je luie K terwijl ik me dood WERK)
  38. Vechtdals: 't noadeel van wark is dat ter zovölle tied in zittn giet (=het nadeel van WERK is dat het veel tijd kost.)
  39. Bevers: WERKen i zaolig zeiden de nonnen en ze droegen met twieën nen bonenstaak (=vereende kraht halve kracht)
  40. Kaatsheuvels: ge mot nie inèèns van oe wèèrkbroek in oe vakaantiebroek kruipe (=je moet niet meteen vanuit je WERK op vakantie gaan)
  41. Waregems: iemand (iets) in plan loat'n/ loat'n zitt'n (=iemand (iets) in de steek laten (qua WERK, klus))
  42. Vechtdals: hi-j bidt um wark en daankt as e 't nie kreg (=hij bid om WERK en dankt als hij het niet krijgt.)
  43. Oudenbosch: daor kondoeweige altijd gelijk innut zweet gaon staon jakke (=daar moest je meteen vanaf het begin in een hoog tempo aan het WERK)
  44. Wierings: 'k zal m'n gat maar weer onger min erreme neme (=ik zal maar weer eens aan het WERK gaan)
  45. Zunderts: nun ouwe pap rentenier (=iemand die met weinig geld probeert rond te komen met zo weinig mogelijk WERK)
  46. Westfries: Vroeg op gat weze (=Vroeg op zijn, vroeg aan het WERK zijn)
  47. Liemers: De geestelijkheid hiel toen de minse ze bang - de ontvangers hiel de minse toen arm - de schoolmeisters hiel de minse toen dom - en de baze hiel de de minse toen muuj - Zo zat de feodale samelaeving in de Liemers toendertied now eenmaol in mekaar dah `t nie anders könte. (=Zwaar WERKen hoef je niet meer zoals vroeger.)
  48. Kinrooi: Es de baas duit of t'r mich good betaaldj, doon ich of ich good wirk! (=Wanneer de baas doet of hij me goed betaald, dan doe ik of ik goed WERK!)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen