Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek




175 betekenissen bevatten `WERK`

  1. vroeg in de weer zijn (=vroeg aan het WERK zijn)
  2. waar gehakt wordt, vallen spaanders. (=waar WERK verricht wordt, worden ook wel wat fouten gemaakt)
  3. in nood leert men zijn vrienden kennen. (=wanneer men in de problemen zit wordt duidelijk welke vrienden daadWERKelijk iets voor je willen betekenen.)
  4. eendracht maakt macht. (=wanneer mensen samenWERKen kan men veel bereiken)
  5. werken zolang het dag is (=WERKen zo lang iemand kan)
  6. de handen in de schoot (=WERKloos)
  7. op de keien staan (=WERKloos zijn)
  8. weten waar Abraham de mosterd haalt. (=weten hoe iets in zijn WERK gaat; dingen goed snappen.)
  9. die niet werkt, zal niet eten. (=wie bewust niet wil WERKen heeft geen recht op geld)
  10. wie niet werkt zal niet eten (=wie niet WERKt verdient de kost niet)
  11. liggen de handen dan liggen de tanden (=wie niet WERKt verdient niet genoeg om te eten)
  12. haastige spoed is zelden goed. (=zaken in te hoog tempo afWERKen vergroot de kans op fouten.)
  13. het zijn twee hoofden onder een kaproen (=ze verstaan elkaar volkomen , ze WERKen samen)
  14. twee handen op een buik (=ze WERKen samen, ze denken er hetzelfde over)
  15. twee hoofden onder een kaproen (=ze WERKen samen, ze denken er hetzelfde over)
  16. de juiste man op de juiste plaats zijn (=zeer geschikt zijn voor het WERK)
  17. werken als een paard (=zeer hard WERKen)
  18. zich een stoel in de hemel verdienen (=zich door een goed WERK onderscheiden)
  19. zich een strop om de hals halen (=zich in de problemen WERKen)
  20. zijn ellebogen gebruiken (=zich ten koste van anderen opWERKen)
  21. de paarden die de haver verdienen krijgen ze niet (=zij die het goede WERK verrichten, krijgen niet altijd de beloning)
  22. zijn eigen straatje vegen (=zijn eigen WERK doen)
  23. binnen zijn (=zoveel verdiend hebben dat iemand niet meer hoeft te WERKen)
  24. in goede dorpen zijn/geraken (=zoveel verdiend hebben dat iemand niet meer hoeft te WERKen)
  25. men moet geen slapende honden wakker maken. (=zwijgen over iets, om te voorkomen dat een autoriteit op het idee komt om er WERK van te maken.)

Het dialectenwoordenboek kent 248 spreekwoorden met `WERK`

  1. Sittards: Goud begónne is hawf taergeldj (=Een goed begin is het halve WERK)
  2. Vechtdals: zundagsgewin zit gien zeengn in. (=WERK op zondag wordt niet gezegend)
  3. Westerkwartiers: dat wordt eev'm zwitt'n (=dat wordt even zwaar WERKen)
  4. Munsterbilzen - Minsters: dae holt tich et hat aut -dae mok tich kepot (=die blijft je op je zenuwen WERKen)
  5. Westerkwartiers: die het luie evert op 'e rug (=die heeft een hekel aan WERKen)
  6. Munsterbilzen - Minsters: moete kretse vürter te koeëme (=hard moeten WERKen om het doel te bereiken)
  7. Lichtervelds: ge kunt gièèn pêird te loîpe besloan (=je kunt geen twee WERKen tegelijk doen)
  8. Munsterbilzen - Minsters: ter mèt zen klak noë goje (=niet de moeite doen om correct te WERKen)
  9. Bilzers: pas op daste dich nie mieg moks (=niet te hard WERKen, hé (laconiek))
  10. Munsterbilzen - Minsters: krab mene raech ès (=voor een paar euros ga ik niet WERKen)
  11. Sint-Niklaas: we gô schoven ('t is schooftijd) (=etenstijd op het WERK)
  12. Munsterbilzen - Minsters: doë ès mèr rauw iëvergegon (=dat is maar half WERK)
  13. Bilzers: tzweet (bloed) steed mich al én de sjoen (=ik WERK me dood)
  14. Waregems: elp'n an de karre trek'n (=iemand bijstaan in zijn WERK)
  15. Westerkwartiers: te haard van stoabel loop'n (=overhaast aan het WERK gaan)
  16. Sallands: Twee luien rekt veer. (=Vele handen maken licht WERK.)
  17. Sint-Niklaas: godder nog on beginnen of oe zit da 'd ier (=WERK nu door)
  18. Oudenbosch: wa doede gij vor de kost ? (=wat voor WERK doe jij ?)
  19. leuvens: Aa devoere doen (=Uw best doen bij het WERK)
  20. Sint-Niklaas: zènne streng ( zè plang) trekken (=zijn WERK goed doen)
  21. Mestreechs: aandere veur ut keerke spanne (=anderen het WERK laten doen)
  22. Tilburgs: goed ingezipt is hallef geschoore. (=een goed begin is het halve WERK.)
  23. Luyksgestels: niks te verlette hemme (=geen WERK te doen hebben)
  24. Lokers: dè affeseerd ier gelijk buenen knuepen (=het WERK schiet niet op)
  25. Mestreechs: get veur de koont kletse (=half WERK van iets maken)
  26. Zurriks: Er mej de blök dorhenne goan (=Onbehowwen/lomp te WERK gaan)
  27. West-Vlaams: kzyn effn streke (=ik ben klaar met mijn WERK.)
  28. Westfries: verskòondersgoed, opknappersgoed (=schone kleren voor na het WERK)
  29. Westerkwartiers: 'n baarg waark en gien hunning (=veel WERK gedaan, lage beloning)
  30. Bilzers: Wotte kop vergit, moette de beën besniete (=Vergeten geeft dubbel WERK)
  31. Westerkwartiers: de kaantjes d'r oaf loop'n (=weinig WERK verrichten)
  32. Tilburgs: ze hèn goet gepresontêerd (=ze hebben goed WERK geleverd)
  33. Lichtervelds: gee tied genoeg voe te rustn oaj doîd zyt (=WERK maar verder)
  34. Westerkwartiers: doar moe 'k wel 'n joar veur kromlegg'n (=daar moet ik wel een jaarvoor WERKen)
  35. Munsterbilzen - Minsters: doë mopeste hel vür ploetere (=daar moet je hard voor WERKen)
  36. Sint-Niklaas: ei zittor op ne schupstoel (=hij zal daar niet lang blijven WERKen)
  37. Westerkwartiers: ik zet heur noar mien haand (=ik leer haar op mijn manier te WERKen)
  38. kortemarks: je WERKt teegn de jukte (=hij heeft niet veel zin om te WERKen)
  39. Munsterbilzen - Minsters: rap van taan ès rap van haan (=wie snel wil eten moet ook snel WERKen)
  40. Bilzers: Hébben és hébbe, mér krijge éste kuns (=zonder te WERKen zul je niet veel bezitten)
  41. Genneps: 't Mes ien 't vé.rke loate stèèke (=Een begonnen WERK niet af maken)
  42. Roermonds: zo maak me eine paerskeutel nog lekker (=hij besteedt teveel WERK aan het eten)
  43. Westlands: ik werrek me de pleures/et schompes (=ik WERK me drie keer in de rondte)
  44. Oudenbosch: ge vurdientur un plekske in dun emel meej (=je doet er een heel goed WERK mee)
  45. Munsterbilzen - Minsters: doë kraajg ich de ziëmele van ! (=de tandarts begon deftig op mijn zenuwen te WERKen)
  46. Westerkwartiers: die moet d'r haard veur sappel'n (=die moet er hard voor WERKen)
  47. Bilzers: aste ént bootsje zits, moeste métroeje (=je doet er beter aan door mee te WERKen)
  48. Westerkwartiers: wel slept ien 'e zaaitied, krigt honger (=men moet WERKen voor zijn brood)
  49. Zeeuws: Me gaon ons péérd kééren (=We gaan stoppen met WERKen, we gaan draaien)
  50. Bilzers: de dinks toch nie dattech de gebrojde haenkes zoumér énde mond koëme valle (=Voor eten moet je WERKen)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen