Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek




175 betekenissen bevatten `WERK`

  1. het geld groeit niet op de rug (=geld komt niet zomaar binnen, er moet hard voor geWERKt worden)
  2. zo komt het luie zweet eruit (=gezegd van iemand die hard WERKt)
  3. handen aan het lijf hebben (=goed kunnen WERKen)
  4. poot-aan spelen (=hard doorWERKen (om op tijd te zijn))
  5. werken als een molenpaard (=hard WERKen)
  6. je het apelazarus werken. (=heel hard WERKen.)
  7. Tot over je oren in het werk zitten (=heel veel WERK hebben)
  8. de laatste loodjes wegen het zwaarst (=het afWERKen is vaak het lastigst)
  9. makkelijker gezegd dan gedaan (=het is eenvoudiger om iets te zeggen dan om het ook daadWERKelijk uit te voeren)
  10. met onwillige honden is het slecht hazen vangen. (=het is moeilijk om samen te WERKen met mensen die niet willen)
  11. de Hebreeërs bouwden het, maar de Egyptenaren hebben het. (Exodus 1:11-14) (=het vuile WERK door anderen opknappen en het resultaat zelf pakken)
  12. de meitak op een werk zetten (=het WERK afmaken)
  13. al vaak met dat bijltje gehakt hebben (=het WERK al vaker gedaan hebben en weten hoe het moet)
  14. het oog van de meester maakt het paard vet. (=het WERK gebeurt beter als de baas toezicht houdt)
  15. klaar is kees (=het WERK is klaar)
  16. het einde kroont het werk (=het WERK is pas goed gedaan als het klaar is)
  17. de kroon op het werk zetten (=het WERK prachtig voltooien)
  18. ergens voor opdraaien (=het WERK van een ander doen / ergens de schuld van krijgen)
  19. de vinger gods (=het WERK van God)
  20. hij maakt er een potje/soepie van. (=hij gaat niet ordelijk te WERK.)
  21. hij heeft er de hand in gehad (=hij heeft er aan meegeWERKt met raad of daad)
  22. in de krop steken (=hinderen , onverWERKt zijn)
  23. ieder moet zijn eigen kruis dragen (=ieder moet zijn eigen tegenslagen verWERKen)
  24. iedere heilige komt zijn kaarsje toe (=iedere medeWERKer moet delen in de eer)
  25. met man en macht iets doen (=iedereen WERKt hard mee)
  26. de kastanjes voor iemand uit het vuur halen (=iemand anders het gevaarlijke WERK laten doen)
  27. de gebraden duiven vliegen niemand in de mond. (=iemand die luxe wil zal er voor moeten WERKen)
  28. er is geen goed garen mee te spinnen. (=iemand die niet in staat is goed samen te WERKen)
  29. een kale kip kan nog leggen (=iemand die niets heeft, kan nog voor je WERKen)
  30. een rollende steen vergaart geen mos. (=iemand die slechts kort ergens WERKzaam is komt niet vooruit)
  31. jantje secuur (=iemand die uiterst nauwgezet WERKt)
  32. de dorsende os zult gij niet muilbanden. (=iemand die voor je WERKt moet je goed behandelen)
  33. een held op sokken. (=iemand die zich dapper voordoet, maar in WERKelijkheid niets durft. Een bangerik.)
  34. iemand in het gareel slaan (=iemand dwingen voor je te WERKen)
  35. iemands geduld uitputten (=iemand op de zenuwen WERKen)
  36. iemand in de wielen rijden (=iemand tegenWERKen om te zorgen dat het mis gaat)
  37. iemand een veer op de hoed steken (=iemand vertellen dat die z'n WERK goed gedaan heeft)
  38. als een luis in iemands pels zijn. (=iemand voortdurend in de weg lopen. Iemand tegenWERKen.)
  39. iemand uit het zadel werpen (=iemand wegWERKen, iemand in verlegenheid brengen)
  40. goedkoop is duurkoop. (=iets goedkoops kan later kosten veroorzaken, bijvoorbeeld door slechte WERKing, reparaties of onderhoud.)
  41. in het diepe gegooid worden (=in een baan aan het WERK moeten zonder ingeWERKt te worden.)
  42. in concreto (=in WERKelijkheid)
  43. vette en magere jaren (hebben) (=jaren met meer welvaart en minder WERKloosheid en jaren met minder welvaart en meer WERKloosheid)
  44. langzaam aan, dan breekt het lijntje niet. (=je kunt beter rustig doorWERKen, dan kan er het minste fout gaat)
  45. liever lui dan moe (=liever niet WERKen, het liever aan anderen overlaten)
  46. loon naar werken krijgen (=loon krijgen dat in overeenstemming is met het gedane WERK)
  47. de lijn trekken (=luieren, niet voort WERKen)
  48. iemand aan het lijntje hebben (=meeWERKen met iemand)
  49. zoals men zaait zo zal men oogsten (=men krijgt loon naar WERKen)
  50. men moet rijden en omzien (=men moet voorzichtig te WERK gaan)

Het dialectenwoordenboek kent 248 spreekwoorden met `WERK`

  1. Marine jargon (veelal Maleis): vierkant WERK maken (=je WERK afronden)
  2. Zeeuws: me mossen we vuuf kwatier in n schof WERKn (=hard WERKen)
  3. Rotterdams: Je aige `t leplazerus werruke (=Hard WERKen)
  4. Turnhouts: van zen gat geeve (=hard WERKen, lawaai maken)
  5. Tilburgs: ik doe m'n affeseerschoenen oan (=ik ga voort WERKen)
  6. Mestreechs: tege gaas geve (=niet mee WERKen)
  7. Veurns: ze spa op ze rik dragen (=niet (veel) WERKen)
  8. Antwerps: oan den boaard trekke (=traag WERKen)
  9. Lichtervelds: we meugn uzze siek ofdroajn (=we moeten hard WERKen)
  10. Bilzers: seg de pleures würke (=zich dood WERKen)
  11. Munsterbilzen - Minsters: zen knieëk aofvringe (=zich dood WERKen)
  12. werkendams: Bettie ak um aai? (=Bijt hij ( de hond/kat) als ik hem aai?)
  13. Werkendams: Van wies zijde gij d'r éne (=Van wie ben jij er een)
  14. Vechtdals: gaank in de bokse (=door lopen/ WERKen)
  15. Sint-Katelijne-Waver: Zaane nikkel afdroêje (=Hard WERKen)
  16. Liedekerks: men ( of zen'n ) oebel afdroën (=hard WERKen)
  17. Klemskerks: groate ruuten, letter kluuten: wie met uiterlijk vertoon rijkdom voorwendt, is in WERKelijkheid vaak een armoedzaaier. (=grote ruiten, letter kluiten)
  18. Bilzers: WERKen is voor dommeriken (=ik hou van WERKen want ik kan er uren naar kijken)
  19. Oudenbosch: isut WERK al aon de kaant ? (=is het WERK al gedaan ?)
  20. Westlands: Hij WERKte zich het schompus (=keihard WERKen)
  21. Munsterbilzen - Minsters: zen knieëk aofvringe (=hard WERKen)
  22. Munsterbilzen - Minsters: zen kas aofvringe (=hard WERKen)
  23. Munsterbilzen - Minsters: zene strank aofvringe (=hard WERKen)
  24. Westlands: godganse dag het leplazerus werreke (=Hele dag hard WERKen)
  25. Munsterbilzen - Minsters: mèt zen klak treën goje (=onnauwkeurig WERKen)
  26. Opglabbeeks: inne pêt wêrke (=in de mijn WERKen)
  27. Zottegems: schuppe afkuisen (=stoppen met WERKen)
  28. Arendonks: ew botteh afdrooieh (=moe van't WERKen)
  29. Westerkwartiers: ze waark'n as gekk'n (=ze WERKen in een ijltempo)
  30. Overrepens: wereke as e pjaad (=WERKen als een paard)
  31. Herentals: goa es een aveseerijzer halen (=je moet sneller WERKen)
  32. Munsterbilzen - Minsters: iemes koejenieëre (=iemand op de zenuwen WERKen)
  33. Vechtdals: an-ewarkt ween (=klaar zijn met WERKen)
  34. Westlands: goan/banen als een speer/jekko (=snel WERKen)
  35. Brabants: Ik ben afgeWERKt (=Klaar met WERKen)
  36. Liempds: Zei'de afgeWERKt (=Ben je klaar met WERKen)
  37. Mestreechs: get veur de koont klatse (=slordig WERKen)
  38. Lebbeeks: kloeët'n: Zijn kloeët'n afdroën (=Hard WERKen)
  39. Londerzeels: e doe zé wérk alftegat (=half WERK maken)
  40. Tilburgs: lozziemaoke is un krikkel wèèrek (=horlogemaken is een secuur WERK)
  41. Opglabbeeks: ein noalt inne huujmiet zeeke (=onbegonnen WERK)
  42. Zaans: Lege zakke overend zette (=Nutteloos WERK verrichten)
  43. Zeeuws: ie zit op schopstoel (=onzeker over bv WERK)
  44. Melseels: karoten trekken (=WERK vermijden lanterfanten)
  45. Achterhoeks: Met kniens en doeven köj't geld zien stoeven. (=zinloos WERK)
  46. Munsterbilzen - Minsters: spaaj es èn zen haan (=begin eens te WERKen)
  47. Munsterbilzen - Minsters: mèt moejte et zaad op zen iërappel verdiene (=bijna gratis WERKen)
  48. Munsterbilzen - Minsters: de zuls hel moette krabbe/kretse (=je zult hard moeten WERKen)
  49. Moorsel: Lotsj ge de boere mo dessn (=Laat de anderen maar WERKen)
  50. Sint-Katelijne-Waver: Mee nen bidon naa tWERK (=Met een drinkbus gaan WERKen)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen