Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


41 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `WERK`

  1. alle springveren laten WERKen (=alle middelen aanwenden)
  2. als de ragebol rust WERKt de spin (=zonder onderhoud raakt 'n huis (de omgeving) snel in verval)
  3. bij nacht en ontij (WERKen/zijn) (=wanneer anderen slapen)
  4. de kroon op het WERK zetten (=het werk prachtig voltooien)
  5. de meitak op een WERK zetten (=het werk afmaken)
  6. de paal door de oven geWERKt (=bankroet gegaan)
  7. die niet WERKt, zal niet eten. (=wie bewust niet wil werken heeft geen recht op geld)
  8. een goed begin is het halve WERK (=een goed begin vergroot de kans op een goede afwerking)
  9. een handWERK heeft een gouden bodem (=een goed vakman verdient altijd zijn brood)
  10. ellebogenWERK (=succes boeken door op slinkse wijze van anderen misbruik te maken.)
  11. er nachtWERK van maken (=laat opblijven)
  12. ergens WERK van maken (=ergens mee aan de gang gaan)
  13. Goed gereedschap is het halve WERK (=zonder goed gereedschap (hulpmiddelen) is het moeilijk een karwei goed te doen)
  14. goed gereedschap is het halve WERK. (=door de juiste hulpmiddelen te gebruiken wordt het karwei snel geklaard)
  15. het einde kroont het WERK (=het werk is pas goed gedaan als het klaar is)
  16. het is geen aangenomen WERK (=het hoeft niet noodzakelijk zo snel te gaan)
  17. het WERKt als haarlemmerolie (=iets dat overal voor te gebruiken is.)
  18. hij heeft peper in zijn achterWERK. (=hij heeft een hoog tempo.)
  19. hij WERKt op zijn elf-en-dertigst. (=erg langzaam werken)
  20. in de hand WERKen (=ertoe bijdragen)
  21. je hebt luxe paarden en WERKpaarden. (=niet iedereen heeft dezelfde positie, de een moet harder of zwaarder werken dan de ander.)
  22. je het apelazarus WERKen. (=heel hard werken.)
  23. loon naar WERKen krijgen (=loon krijgen dat in overeenstemming is met het gedane werk)
  24. met de ellebogen WERKen (=zich ten koste van anderen een weg banen)
  25. met kunst- en vliegWERK. (=niet volgens de normale gang van zaken.)
  26. nattevingerWERK zijn / Met de natte vinger doen (=onnauwkeurig, overhaast of zonder de geschikte methode of middelen uitgevoerd werk)
  27. Tot over je oren in het WERK zitten (=heel veel werk hebben)
  28. vele handen maken licht WERK. (=als een karwei samen wordt opgepakt is het snel en gemakkelijk gedaan)
  29. vloeken als een bootWERKer/kartouw/ketellapper/ketter (=onbeheerst vloeken)
  30. voorzichtig te WERK gaan. (=)
  31. WERK aan de winkel zijn (=veel werk te verzetten zijn)
  32. WERK van iemand maken (=veel zorg aan iemand besteden)
  33. WERKen als een molenpaard (=hard werken)
  34. WERKen als een paard (=zeer hard werken)
  35. WERKen als een rode lap op een stier (=onmiddellijk erg kwaad maken)
  36. WERKen zolang het dag is (=werken zo lang iemand kan)
  37. wie niet WERKt zal niet eten (=wie niet werkt verdient de kost niet)
  38. wie plast tegen de kerk, gaat gevaarlijk te WERK (=een wandaad met verstrekkende gevolgen)
  39. zich uit de naad WERKen (=veel werken, zijn uiterste best doen)
  40. zijn huisWERK maken (=de liefde bedrijven)
  41. zoiets is monnikenWERK. (=een saaie, harde, langdurige taak. / Een taak waar heel veel geduld bij komt kijken.)

175 betekenissen bevatten `WERK`

  1. van de nacht een dag maken (='s nachts WERKen)
  2. in het getouw (=aan het WERK)
  3. in het gareel slaan (=aan het WERK zetten)
  4. in het gareel spannen (=aan het WERK zetten)
  5. aan beurt komen (=aan WERK geraken)
  6. zijn snor drukken (=afwezig blijven / Zijn WERK niet doen.)
  7. alles op haren en snaren zetten (=alle middelen aanwenden / alles in het WERK stellen)
  8. zonder geluk vaart niemand wel. (=alleen met hard WERKen komt men er niet, ook een beetje geluk is nodig om ergens te komen)
  9. om den brode doen (=alleen WERKen voor het geld en niet omdat het WERK fijn/leuk is)
  10. geen steen op de andere laten (=alles in het WERK stellen)
  11. ergens een handje van hebben (=als iemand de kans ergens toe ziet die ook nemen en een ander het WERK bv laten doen)
  12. dan moet de wal het schip maar keren (=als iemand niet vooraf rekening houdt met een naderend probleem, dan moet het probleem maar daadWERKelijk in volle omvang ontstaan, en dan alsnog worden opgelost.)
  13. wie appelen vaart, die appelen eet. (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde WERKzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van.)
  14. gedeelde smart is halve smart. (=als je over problemen praat, dan kan je het makkelijker verWERKen / door de problemen/ellende van een ander is het gemakkelijker de eigen problemen/ellende te dragen)
  15. aan de slag gaan (=beginnen met WERKen)
  16. aan de slag gaan (=beginnen te WERKen, starten)
  17. de rijpste pruimen zijn geschud. (=belangrijkste WERK is gedaan of grootste deel van de oogst is binnengehaald)
  18. beter onbegonnen dan ongeeindigd (=beter niet beginnen als men het niet kan afWERKen)
  19. om kaneelwater lopen (=beuzelWERK doen - van het kastje naar de muur gestuurd worden)
  20. tussen de mazen (van het net) vissen (=creatief te WERK gaan)
  21. zoden aan de dijk zetten. (=daadWERKelijk hulp verschaffen.)
  22. daar is wat aan te kluiven (=daar is WERK aan)
  23. dat is lood om oud ijzer. (=dat komt op hetzelfde neer; dat brengt geen WERKelijke verbetering)
  24. als je je pet ertegenaan gooit dan blijft hij hangen. (=dat stukje verfWERK is niet erg vlak uitgevoerd.)
  25. de krenten uit de pap halen. (=de meest aantrekkelijke gedeelten voor zichzelf bestemmen, bijvoorbeeld de meest interessante taken uit een omvangrijk WERK.)
  26. paarden die haver verdienen krijgen ze niet. (=de mensen die het hardste WERKen, krijgen het minste geld)
  27. zijn schaapjes op het droge hebben (=de zaken op orde hebben of voldoende hebben om niet meer te hoeven WERKen)
  28. een zondagse steek houdt geen week. (=de zondag is geen WERKdag maar de dag des Heeren.)
  29. tussen die twee was er geen chemie (=die twee mensen hadden te veel karakterverschillen om goed te kunnen samenWERKen.)
  30. de ochtendstond/morgenstond heeft goud in de mond (=door vroeg te beginnen kan men meer WERK verrichten.)
  31. het wiel opnieuw uitvinden (=dubbel WERK doen.)
  32. de kat de bel aanbinden. (=een begin maken aan een gevaarlijk WERK.)
  33. een verborgen agenda hebben. (=een doel hebben dat voor de anderen verborgen gehouden wordt, bijvoorbeeld in een samenWERKingsverband.)
  34. de eerste klap is een daalder waard (=een goed begin is het halve WERK)
  35. goed begonnen is half gewonnen. (=een goed begin is het halve WERK)
  36. een goed begin is het halve werk (=een goed begin vergroot de kans op een goede afWERKing)
  37. een wig drijven tussen (=een splitsing of misverstand beWERKen)
  38. een wigge drijven tussen (=een splitsing of misverstand beWERKen)
  39. magnum opus (=een zeer groot WERK)
  40. wolf in schaapskleren (=er braaf uitziend maar in WERKelijkheid heel gevaarlijk)
  41. een zondagssteek houdt geen week. (=er rust geen zegen op het WERK wat iemand op zondag doet)
  42. Het zit in de pijplijn (=er wordt aan geWERKt)
  43. arbeiden als een galeislaaf (=erg hard WERKen)
  44. hij werkt op zijn elf-en-dertigst. (=erg langzaam WERKen)
  45. titanenarbeid verrichten (=erg zwaar WERK doen)
  46. ergens op zitten zweten (=ergens moeizaam of langdurig aan WERKen)
  47. het ervan nemen (=ervan genieten - niet WERKen)
  48. de hand aan de ploeg slaan. (=flink aan het WERK gaan)
  49. geen twee hanen op een erf/werf (=geen twee bazen voor hetzelfde WERK)
  50. geld verzoet de arbeid. (=geld dat je krijgt maakt het harde vervelende WERK weer goed)

Het dialectenwoordenboek kent 248 spreekwoorden met `WERK`

  1. Zeeuws: in den dop zittn (=WERKeloos zijn)
  2. Veurns: WERK'n knie over elleboge (=hard WERKen)
  3. Tilburgs: dè-s nògal un priegel wèèrek (=dat is nogal een secuur WERKje)
  4. Oudenbosch: daor motte gij fijn aantjes vor ebbe (=dat is een precies WERKje)
  5. Bilzers: sondes en swêrdes (=zondag en WERKdag)
  6. Giethoorns: Bi-j de deure lopen (=WERKeloos zijn of herstellende van een ziekte)
  7. Cuijks: mende da WERKeluk woar? (=meen je dat nou?)
  8. Harelbeeks: Ie weirk in deuk (=Hij is een zwart WERKer)
  9. Hansbeeks: Ij es van gienen hoaze gepoept (=Het is geen vlugge WERKer)
  10. Oudenbosch: Ijis oppun Sander motte gaon WERKe (=Hij is WERK moeten gaan zoeken)
  11. Zeeuws: over schooftied (=WERKen na het WERK)
  12. Oudenbosch: tis vandaog gewoon WERKedag (=we zijn vandaag niet vrij)
  13. Munsterbilzen - Minsters: e goed piëd èssen haover wiëd (=harde WERKers moeten goed beloond worden)
  14. Westerkwartiers: jan hoagel en zien grootmoeke (=WERKelijk iedereen)
  15. Hansbeeks: Hij es van gienen hoaze gepoept (=Hij is geen vlugge WERKer)
  16. Munsterbilzen - Minsters: ne voeëgel kinste on ze ploeme (=de WERKelijke mens herken je aan zijn kledij)
  17. Werkendams: Kon su? (=Kende ze je nog?)
  18. Werkendams: Wa zede gij daor? (=Wat zei jij daar?)
  19. Oudenbosch: daddee daor z n eige wezeluk waor voorgedaon (=dat is daar WERKelijk gebeurd)
  20. Tilburgs: heettie dè ècht gezeej gehad (=heeft hij dat WERKelijk gezegd)
  21. Bilzers: daaj hétter ooge nie énner maol staeke (=ze ziet WERKelijk alles)
  22. Werkendams: Gé wet hut hè? (=Je weet het hè?)
  23. Werkendams: Wà gade sjouwe? (=Wat ga je doen?)
  24. Rotterdams: pesterij (=WERK)
  25. Werkendams: Hedde gij t aol geheurd? (=Heb jij het ook gehoord?)
  26. Werkendams: Wa motte gij van mijn? (=Wat wil je van me?)
  27. werkendams: Waar hedde gij uitgehongen?\r\nWaor ben de gij gewist? (=Waar ben jij geweest?)
  28. Werkendams: Motte gij un bakske koffie? (=Wil je een kopje koffie?)
  29. Deinzes: Ui kluudn' afdroai'n (=Hard WERKen)
  30. Hals: zan kluuten afdroie (=hard WERKen)
  31. Antwerps: knoesten (=hard WERKen)
  32. Weerts: 'n Niêver wiêf en 'n niêver hin, bringe booter int vaat en ei-jer op d'n din (=Een hard WERKende vrouw wordt gewaardeerd)
  33. Londerzeels: e gae loëpe'n va zé WERK lék nen ond va zaine stront (=slordig en snel WERKen)
  34. Brugs: baron van zeulen en achterlappen (=bluffer; iemand die zich beter voordoet dan hij WERKelijk is)
  35. Westerkwartiers: hier benn'n d'enn'n van vot en de stukk'n tuss'n uut !! (=dit is WERKelijk helemaal niets !!)
  36. Fries: bealchjen,gek dwan (=hard WERKen)
  37. Aalsters: zen kloeïten afdroïn (=WERKen (hard -))
  38. Munsterbilzen - Minsters: tès plezanter te vraaje onder zene WERKtijd, dan te würke onder zene vraaje tijd (=vrijen is plezanter onder het WERK, dan WERKen onder zijn vrije tijd)
  39. Aalsters: zen kloeiten afdroiën (=hard WERKen)
  40. Ransts: zan botte afdroa (=hard WERKen)
  41. Bilzers: zen kni (=hard WERKen)
  42. Bosch: Doar komdegij nog wel achter (=U ontdekt zeker nog hoe het WERKelijk is)
  43. Holsbeeks: ik zal vee a es e woetteke pakke en in ne boeëm joge (=ik zal voor u eens een klein geitje (bokje) vangen en in een boom jagen. Een uitdrukking (bedankinkje) om iemand (vooral kinderen) af te schepen nadat ze een WERKje hebben opgeknapt)
  44. Heldens: smerges um vief orre, kooren verslobberen,sigrette rauken,mer WERKe ho mer. (=Smorgens om vijf uur, koren op het veld platlopen, sigaretten roken maar WERKen ho maar.)
  45. West-Vlaams: WERKen knie over elleboge (=hard WERKen)
  46. Veurns: WERKen knie over elleboge (=Hard WERKen)
  47. Werkendams: Da ge bedankt zij da wette (=Dat je bedankt ben dat weet je)
  48. Werkendams: Ge mot nie alles geleuve wa ze schrijven (=Je moet niet alles geloven wat ze schrijven)
  49. Veurns: van de WERKe weg klapp'n (=een minder netelig gespreksonderwerp aansnijden)
  50. Aalsters: grosj en fier, kol en manchet, thois giëne fret (=hovaardig naar buiten uit, maar in WERKelijkheid is het veel minder, schone schijn dus)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen