Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

3 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Uitle`

  1. iets in één adem Uitlezen (=een boek waaraan je begonnen bent heel snel uitlezen, omdat je het zo spannend vindt)
  2. tekst en Uitleg geven (=verantwoording afleggen)
  3. Uitlekken (=als iets ongewenst publiekelijk bekend wordt )

6 betekenissen bevatten `Uitle`

  1. iets in één adem uitlezen (=een boek waaraan je begonnen bent heel snel Uitlezen, omdat je het zo spannend vindt)
  2. een gladde tong hebben (=goed kunnen praten, het goed kunnen Uitleggen)
  3. iemand op het matje roepen (=iemand bij zich laten komen en om Uitleg vragen waarom iets zo gedaan is)
  4. iets uit de doeken doen (=iets Uitleggen)
  5. iemand te woord staan (=naar iemand luisteren en Uitleg geven)
  6. aan alles een kleurtje weten te geven (=voor alles wel een Uitleg weten)

Het dialectenwoordenboek kent 21 spreekwoorden met `Uitle`

  1. Hams: hij es de piest in (=vertrokken zonder Uitleg)
  2. tervurens: en den boor aa pakte zaain verke (=zonder Uitleg)
  3. Westerkwartiers: hij kon zien haart ophoal'n (=hij kon zich Uitleven)
  4. Lebbeeks: Zèn dill'n oëtlaut'n (=Zich Uitleven)
  5. Wetters: Zes op heur tonge nie gevallen (=Ze kan het goed Uitleggen)
  6. Westerkwartiers: da's 'n heul rekboar begrip (=die Uitleg kun je alle kanten mee uit)
  7. Brakels: der nen drouj oan geeen (=iets verbloemd Uitleggen)
  8. Munsterbilzen - Minsters: kaokële ès niks,mér eer lègge ès kuns (=het Uitleggen is goed,maar het ook doen is andere koek)
  9. Sint-Laureins: jis nie op zijn totte gevalln (=hij kan het nogal Uitleggen)
  10. Gents: een tonge van lijntses, goe keune klappe (=goed kunnen Uitleggen, babbelen)
  11. Oudenbosch: iets van de naold tot d n draot vertelle (=iets helemaal Uitleggen)
  12. Zottegems: de wett'n spell'n (=de regels Uitleggen (kwaad))
  13. Antwerps: zedus e kieke is gien mus en ne stamp is giene kus (=besluit na het Uitleggen)
  14. Munsterbilzen - Minsters: op vërhand en aateraof és et gauw gezaag (=vooraf en achteraf kan je het wel Uitleggen)
  15. Gents: ij speelde zaan muile af (=hij kon het goed Uitleggen)
  16. Munsterbilzen - Minsters: Kaokële kan ielek,mér eer lègge nie (=de Uitleg is mooi,nu nog doen !)
  17. Munsterbilzen - Minsters: wo nen oremus vër zau n habbekrats (=wat een Uitleg voor een simpele zaak)
  18. Munsterbilzen - Minsters: dat gon ich oech nau ës deftig eksplikiëre (=ik zal u dat eens fatsoenlijk Uitleggen)
  19. Booms: aawe ôtleg is goe maar aawe spikkelaas deegt ni (=u kan het goed Uitleggen maar het houdt geen steek)
  20. Kalkens: Uitleggen en peten tiëkenen (=uitvoerig praten en gesticuleren)
  21. Gents: ij ee 't lapken, ij ee 'n tonge van lintjes, ij ee de muile (=iemand die het goed kan Uitleggen)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen