Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek




167 betekenissen bevatten `Tijd`

  1. tot in lengte van dagen (=tot het einde der Tijden)
  2. geen koren zonder kaf (=tussen al het goeie zit alTijd ook wel iets minder goeds)
  3. geen licht zonder schaduw (=tussen al het goeie zit alTijd ook wel iets minder goeds)
  4. twee vliegen in een klap slaan (=twee problemen gelijkTijdig oplossen)
  5. met hoge heren is het kwaad kersen eten (=van de omgang met aanzienlijke personen moet men niet alTijd voordeel verwachten)
  6. veel voeten in de aarde hebben (=veel moeite en Tijd kosten)
  7. de tijd gaat snel, gebruik haar wel (=verspil nooit de Tijd die je kan gebruiken)
  8. een kruisje is genoeg voor een boterham uit het vuistje (=voor een gewone broodmaalTijd moet niet te veel gebeden worden)
  9. Aken en Keulen zijn niet op één dag gebouwd (=voor een uitgebreide klus heb je meer Tijd nodig)
  10. met passen en met meten wordt de meeste tijd versleten (=voorbereidingen zijn dikwijls het meest Tijdrovend onderdeel van een taak)
  11. haantje de voorste (=voortrekker - wie alTijd op het voorplan wil staan)
  12. het is beter een andermans hemd dan geen (=wat men niet heeft kan men desnoods nog alTijd lenen)
  13. wie het onderste uit de kan wil hebben die valt het lid op de neus (=wie alTijd het uiterste wil, krijgt uiteindelijk niets)
  14. een vette keuken een mager testament (=wie veel uitgeeft Tijdens het leven, laat weinig na)
  15. in het hoekje zitten waar de slagen vallen (=zich in een groep bevinden die alTijd het moeilijk heeft of problemen krijgt)
  16. de paarden die de haver verdienen krijgen ze niet (=zij die het goede werk verrichten, krijgen niet alTijd de beloning)
  17. geen geld, geen Zwitsers (=zonder geld krijg je hulp noch koopwaar of er is alTijd wel geld nodig om iets gedaan te krijgen)

Het dialectenwoordenboek kent 194 spreekwoorden met `Tijd`

  1. Oudenbosch: dan mot oeweige betets late n-ore (=als je het maar op Tijd laat weten)
  2. Munsterbilzen - Minsters: tsloeg vaajf vër twelf (=de horlogemaker ziet dat zijn Tijd voorbij is)
  3. Bilzers: én minder dan ne zûg zoeëpter zich lazerus (=hij dronk zich zat in minder dan geen Tijd)
  4. Bosch: 'T duurt ekkes moar dan hedde ok wa!! (=Goed werk heeft Tijd nodig.)
  5. Oudenbosch: ziede gij wir maris tuis te komme (=nu is het Tijd om naar te huis gaan)
  6. Oudenbosch: eegut al geluit (=is het al Tijd om naar de kerk te gaan)
  7. Alblasserdams: lijdt al n posie in 't zandwinkeltie (=iemand die al enige Tijd geleden begraven was)
  8. Westerkwartiers: zij het 't wel aan tied (=zij heeft er wel Tijd voor)
  9. Sallands: Oons 'öndie hef dreet'n terwol 'k met 'm an 't sleppn ware. (=Onze hond heeft zijn behoefte gedaan Tijdens het uitlaten.)
  10. Munsterbilzen - Minsters: das van Zjeezekes Tijd (=dat is van vroeger)
  11. Brakels: waagt oun' Tijd af (=wees geduldig)
  12. Munsterbilzen - Minsters: én den Tijd datte beiste koste kalle (=vroeger)
  13. Oudenbosch: die is allang uit de Tijd (=zaliger gedachtenis)
  14. Drents: Ik heb gien stres,doar heb ik gien tied veur (=Ik heb geen stres,daar heb ik geen Tijd voor)
  15. Zottegems: Tes uure van poliese (=Het is al late avond en Tijd om naar huis of bed te gaan)
  16. Zeeuws: 't Gae nie mi d'n staende waegen (=Het hoeft niet zo vlug, je kunt er de Tijd voor nemen)
  17. Waregems: in geen'n Tijd (=als de bliksem)
  18. Houtens: Dat is een poos Tijd terug (=Dat is lang geleden)
  19. Oudenbosch: diejis allang uit de Tijd (=die is al lang dood)
  20. Oudenbosch: da zien we tege dieje Tijd wel (=dat zien we later wel)
  21. Oudenbosch: ut zal mijne Tijd wel dure (=ik geloof het wel)
  22. Munsterbilzen - Minsters: at ich mich moet versjangeniëre, bèste nog nie goed aof (=als ik kwaad word, is het je hoogste Tijd)
  23. Kaatsheuvels: Ik blèèf hier gewôôn zitte want ik heb tèèd zat (=Ik blijf hier gewoon zitten want ik heb Tijd genoeg)
  24. Vechtdals: 't noadeel van wark is dat ter zovölle tied in zittn giet (=het nadeel van werk is dat het veel Tijd kost.)
  25. Roermonds: 't wird tied det t'r ins get aan dae sjnor krieg (=het wordt Tijd dat hij een vriendin krijgt)
  26. Munsterbilzen - Minsters: dat hèt zenen Tijd gehad (=dat is uit de mode)
  27. Brakels: kan d'n Tijd ne mir zèn (=weet niet meer hoelang geleden)
  28. Achterhoeks: as de garaniums gaot hang'n dan moj ze vervang'n (=als de garaniums gaan hangen ,wordt het Tijd ze te vervangen)
  29. Munsterbilzen - Minsters: woste nie kins, konste nie waardiëre (=wie nooit Tijd heeft, kan er ook niets mee aanvangen)
  30. Munsterbilzen - Minsters: aste daud bès, wiët iedereen get van dich (=een vriend is iemand die Tijdens je leven je vertelt, wat anderen na je dood van je weten te vertellen)
  31. Twents: An hard lopen he-j nich völ, iej mot op tied van hoes goan (=Aan hardlopen heb je niks, je moet gewoon op Tijd van huis weggaan)
  32. Kinrooi: Nów is d'n tied good mer 't zouw toch good zeen es 't baeter waas. (=Nu is de Tijd goed maar het zou toch goed zijn als het beter was.)
  33. Waalwijks: bekaaid ''er bekaaid vanaf komen'' De betekenis is dat je het er niet heel goed afbrengt. Mogelijke oorsprong: In oude Tijden werd er verdeeld met keien als symbolen. ''een voor jou, een voor mij, een voor jou, een voor mij, enz. Zo kon ieder zijn bezit zien. Wanneer je op deze manier verdeelt, dan valt er niet veel te winnen. Er bekaaid vanaf komen, betekent dan, dat je niet met winst naar huis komt. Een andere oorsprong van 'bekaaid', zou kunnen komen van de middeleeuwse gewoonte om gevangenen aan een zware kei vast te ketenen. (=bekaaid)
  34. Bilzers: dat it géë braut, zinne !\r\npak zenen Tijd mèr (=dat moet niet onmiddellijk, hoor !)
  35. Oudenbosch: de we-reld draait deur ee / de Tijd gao deur ee (=alles gaat voorbij he)
  36. Munsterbilzen - Minsters: de wieës aad attet langer doert vër aut te rèste as vër miech te wiëene (=oud ben je pas als de Tijd om uit te rusten langer wordt dan die om je moe te maken)
  37. Klemskerks: 't zien goe' geeëstn die keeërn: gezegd als welkomstgroet als iemand na enige Tijd terugkeert naar de plek van de spreker. (='t Zijn goede geesten die keren)
  38. Tilburgs: ten eerste ben je dronken en ten tweede ben je toch al nooit helemaal bij de Tijd. (=irstes zèède bezoope èn twiddes zèède tòch nôot himmòl hèlder.)
  39. Oudenbosch: ze bijte allemaol wel as ze brood zien en das Tijd genog (=je hoeft niet bang te zijn om over te schieten)
  40. Munsterbilzen - Minsters: Tijd mok graos en zon mok hoj (=doe alles rustig aan en 't komt wel in orde)
  41. Sint-Niklaas: zoû goddur dun eirmen Tijd in bringen (=als je zo verder doet zal ons geld rap op zijn)
  42. Utrechts: We leve nouw in de goeje ouwe Tijd van de toekoms (=Dit wordt gezegd wanneer iemand over vroeger begint)
  43. Lokers: ij zo vliegen vangen mee zijn gat moest ij t'op Tijd keunen toenijpen (=hij probeert uit alles profijt te halen)
  44. Munsterbilzen - Minsters: Vae hûbben de herlauges, zij den Tijd (=Wij Westerlingen leven op het ritme van de klok, vele volkeren leven op het ritme van het leven)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen