Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek




167 betekenissen bevatten `Tijd`

  1. een kind van zijn tijd (=iemand die leeft volgens de in zijn Tijd heersende opvattingen)
  2. een man van de klok zijn (=iemand die steeds precies op Tijd is)
  3. het op iemand begrepen hebben (=iemand goed kunnen verdragen / iemand is alTijd de pineut)
  4. uitstel van executie (=iets onaangenaams wordt Tijdelijk uitgesteld Later gaat dit toch nog gebeuren)
  5. door dik en dun (=in goede en slechte Tijden / alles overhebben voor iemand)
  6. in een mum van tijd (=in heel korte Tijd)
  7. in een zwenk (=in heel korte Tijd)
  8. in een vloek en een zucht (=in heel korte Tijd , zonder moeite)
  9. in een wip (=in heel korte Tijd , zonder moeite)
  10. in geen tijden (=in lange Tijd)
  11. in troebel water is het goed vissen (=in Tijden van onlust of oorlog kan men gemakkelijk voordelen halen)
  12. beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald (=je kan beter iets voorTijdig stoppen dan doorgaan tot het helemaal verkeerd gaat)
  13. beter voorkomen dan genezen (=je kan beter iets voorTijdig voorkomen dan er later de gevolgen van inzien)
  14. kallen is mallen maar doen is een ding (=je kan het beter doen dan er alTijd maar over blijven praten)
  15. nee heb je, ja kun je krijgen (=je kunt het alTijd proberen)
  16. je kunt wel dansen, ook al is het niet met de bruid (=je kunt je best amuseren ook al is het niet alTijd precies wat je zou willen)
  17. er zijn altijd meer zwijgers dan sprekers (=lang niet iedereen komt alTijd voor zijn mening uit)
  18. het roer in handen hebben (=leiding geven en door moeilijke Tijden heen komen)
  19. al is de leugen nog zo snel de waarheid achterhaalt ze wel (=leugens komen alTijd uit)
  20. denkt aleer gij doende zijt en doende denkt dan nog. (Guido Gezelle) (=maak een plan alvorens ergens aan te beginnen, en stel Tijdens de activiteit het plan bij indien nodig)
  21. de huik naar de wind hangen (=meeheulen - alTijd andermans standpunt volgen)
  22. men is nooit te oud om te leren (=men kan alTijd nog bijleren)
  23. men kan een paard niet lopend beslaan (=men moet er zijn Tijd voor nemen)
  24. men moet een paard de rug niet stukrijden (=men moet niet alTijd te veel eisen)
  25. leugens hebben korte benen (=met een leugen schiet iemand niets op, na verloop van Tijd komt de waarheid alTijd naar buiten)
  26. harde noten kraken (=moeilijke Tijden moeten doormaken)
  27. Eerst even uitbuiken. (=Na een flinke maalTijd het eten laten zakken.)
  28. na regen komt zonneschijn (=na een periode van tegenslag, komt er een betere Tijd)
  29. de tijd heelt alle wonden (=na lange Tijd zal de pijn vanzelf over gaan)
  30. de tijd zal het leren (=na verloop van Tijd is er bekend hoe het gegaan is)
  31. terugverlangen naar de vleespotten van Egypte (=naar de goede Tijden terugverlangen)
  32. hier niet zijn om vliegen te vangen (=niet gekomen om de Tijd de verdoen)
  33. op zijn lauweren rusten (=niets doen en genieten van de vrije Tijd)
  34. krakende wagens lopen/rijden het langst (=nieuw hoeft niet alTijd beter te zijn / mensen die vaak ziek zijn worden vaak toch heel oud)
  35. twee linkerhanden hebben (=onhandig zijn, werk alTijd laten mislukken)
  36. de tijd baart rozen (=ook de diepste (geestelijke) wonden helen na verloop van Tijd)
  37. nooit troef verzaken (=overal bij zijn, alTijd meedoen)
  38. in het schot vallen (=precies Tijdens het startschot vertrekken)
  39. Eten dat je zweet en werken dat je het koud krijgt, dat zijn de waren. (=Slecht personeel. Uit de Tijd dat meiden en knechts bij de boer in de kost waren.)
  40. kort dag zijn (=snel (in Tijd) naderen)
  41. gras gaat niet harder groeien als je eraan trekt (=sommige dingen hebben Tijd nodig)
  42. in de contramine zijn (=tegen alles in gaan of alTijd iets anders willen dan anderen)
  43. op tijd en stond (=ten gepasten Tijde, af en toe)
  44. Beter thuis rapen eten dan elders gebraad. (=Thuis is het alTijd nog het beste.)
  45. De dag met manden uitdragen (=Tijd verdoen)
  46. De ooievaar nakijken (=Tijd verdoen)
  47. ad interim (=Tijdelijk - tussenTijds)
  48. op een klein pitje zetten (=Tijdelijk laten wachten, slechts langzaam laten verdergaan)
  49. katjes die muizen miauwen niet (=Tijdens het eten wordt er veel minder gesproken)
  50. uit z`n rol vallen (=Tijdens het spelen iets zeggen of doen wat niet bij de rol hoort)

Het dialectenwoordenboek kent 194 spreekwoorden met `Tijd`

  1. Kortrijks: te tid dat tut ê (='t is Tijd dat het gedaan is.)
  2. Munsterbilzen - Minsters: das get van langen ojem (=dat heeft zijn Tijd nodig)
  3. Westerkwartiers: eev'm tied veur 'n pafke (=even Tijd voor een sigaretje)
  4. Oudenbosch: das op,gewiest en gedaon (=die Tijd is nu wel voorbij)
  5. Westerkwartiers: tied zal 't leer'n (=de Tijd zal het leren)
  6. Harelbeeks: tès ès tid ta tut é (=het is Tijd dat het uit is)
  7. Zeeuws: ie tummer nie oohe (=hij is niet goed bij de Tijd)
  8. Westerkwartiers: ien 'n vloek en 'n zucht (=in een hele korte Tijd)
  9. Berchems: de goein ouwn Tijd (=vroeger)
  10. Lebbeeks: goestingen: Vieze goestingen émmen (=Trek hebben in niet-alledaags gerechten Tijdens de zwangerschap)
  11. Zeeuws: n zjee van tied (=alle Tijd van de wereld)
  12. Genks: de moes nie wille loope ierste kons goeën (=alles op zijn Tijd)
  13. Fries: De tiid hâldt gjin skoft (=De Tijd heeft geen pauze's)
  14. Westerkwartiers: tied holt gien schoft (=de Tijd staat niet stil)
  15. Bachten de kupes: ried moran tis koschie (=het is Tijd om te vertrekken)
  16. Lovendegems: 't Es Kirmesse in d'helle (=regen en zonneschijn ter zelfde Tijd*)
  17. Munsterbilzen - Minsters: tès plezanter te vraaje onder zene werkTijd, dan te würke onder zene vraaje Tijd (=vrijen is plezanter onder het werk, dan werken onder zijn vrije Tijd)
  18. Weerts: zoeë drök as de pân met vastelaovundj (=flink eten Tijdens carnaval zo vlak voor de vasten)
  19. Aalsters: noeit ni zwoigen toidens de lessen! (=nooit niet zwijgen Tijdens de lessen)
  20. Westerkwartiers: niet uukleed'n veurda'j noar berre goan (=niet Tijdens je leven de erfenis verdelen)
  21. Mechels (BE): as 't schoppeke blèt verliest het zennen beet (=wie praat Tijdens het eten verliest zijn eetlust)
  22. Oudenbosch: zurreg dagge vor de bui binne zijt (=maak dat je op Tijd klaar bent)
  23. Lichtervelds: je goa gièèn tyd één voe doîd te goan (=hij heeft alTijd Tijd tekort)
  24. Aalsters: ge zetter weir een pansj ont oon angen ein ! (=Je bent de Tijd weer aan het rekken !)
  25. Oudenbosch: ge gao nie blijve plakke (=je moet op Tijd naar huis komen)
  26. Oudenbosch: tot in dun pruimeTijd wir zumme mar ze-ge (=tot over lange Tijd maar weer)
  27. Munsterbilzen - Minsters: Aoke en Keule zin ook nie gemok op ene daog (=alles heeft zijn Tijd nodig)
  28. Westerkwartiers: da's monnik'nwaark (=dat is een klus die veel Tijd vergt)
  29. Lekkerkerks: de klok het gelooien (=de (toren-)klok heeft geluid (betekent: het is Tijd))
  30. Oudenbosch: webbe nut gat net as d n os (=de beste Tijd ligt weer achter ons)
  31. Tilburgs: de liste tèèt gao-g-ut wir un bietje (=de laatste Tijd gaat het weer een beetje)
  32. Liwwadders: ut Fliet is oek niet meer wat ut weest is ... (=de Tijd vliedt onherroepelijk heen ...)
  33. wijlres: hae is mit d'r mispelsjek op waeg (=hij zoekt de hele Tijd ruzie)
  34. Waregems: wiens haaëste ? (=je hebt alle Tijd (om weg te gaan))
  35. Twents: Met `n schier wief kom ie tied tekort.* (=Met een mooie vrouw kom je Tijd tekort)
  36. Mestreechs: Sjeet op; 't is 'kortdaag'! (=Schiet op; we hebben niet meer zo veel Tijd!)
  37. Westerkwartiers: kalm aan, de dag is nog zwaart van uur'n (=rustig aan, we hebben nog Tijd genoeg)
  38. Vechtdals: dat schöt 't de leste tied ter nog wel bi-j in (=daar is tegenwoordig niet zoveel Tijd meer voor)
  39. Oudenbosch: de Tijd eenie stilgestaon (=er is veel veranderd)
  40. Brakels: de diene za nie mir moet'n weerekirren (=iemand die het er zich Tijdens zijn leven van neemt)
  41. Zaans: Moet je 'n turref? (=Niet Tijdens het eten met je hoofd op je hand leunen!)
  42. Munsterbilzen - Minsters: zene pêrreplie op Tijd trèkke (=zich indekken)
  43. Westerkwartiers: keul'n en oak'n benn'n niet op één dag bouwd (=alles heeft zijn Tijd nodig)
  44. Westerkwartiers: dat gijt deur tot ien lengte van doag'n (=dat gaat zo nog een hele Tijd door)
  45. Lokers: een levende weeve (=een vrouw wiens echtgenoot voor lange en/of onbepaalde Tijd weg is)
  46. Deinzes: Zot ziddn (=Een goede Tijd beleven met behulp van genotsmiddelen.)
  47. Izegems: tes tit dat ut es ee (=het word Tijd dat het gedaan is)
  48. Munsterbilzen - Minsters: de moes geen aa sjoen voertdoen, vÛrdaste nauw hübs (=zorg alTijd dat er op Tijd vervanging is)
  49. Munsterbilzen - Minsters: tès haug Tijd vür ze laeve te baetere (=het is de hoogste Tijd om er nog wat van te maken)
  50. Genneps: Alles op zienen tied en boekende koe.k ien d'n herfst (=alles op zijn Tijd)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen