Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


56 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Tijd`

  1. Tijd slijt (=door het verloop van tijd worden herinneringen zwakker en de erge dingen minder erg)
  2. van Tijd noch uur weten (=hoegenaamd niet weten hoe laat het is - altijd te laat komen)
  3. wie een hond wil slaan, vindt alTijd wel een stok (=als je kritiek wil hebben op iemand, vind je altijd wel een reden)
  4. zeeën van Tijd hebben (=ergens erg veel tijd voor hebben)
  5. zijn haan moet alTijd koning kraaien (=hij wil altijd de baas zijn)
  6. zijn hoed zit alTijd op zijn hoofd (=hij groet nooit iemand)

167 betekenissen bevatten `Tijd`

  1. niets te verletten hebben (=de Tijd hebben)
  2. hora ruit (=de Tijd vliet snel)
  3. de beste stuurlui staan aan wal (=de toeschouwers kunnen het alTijd beter dan de uitvoerders)
  4. alles komt uit al moesten de kraaien het uitbrengen (=de waarheid komt alTijd uit)
  5. schijn bedriegt (=dingen zijn niet alTijd zoals ze zich voordoen)
  6. tijd heelt alle wonden (=door het verloop van Tijd worden herinneringen zwakker en de erge dingen minder erg)
  7. tijd slijt (=door het verloop van Tijd worden herinneringen zwakker en de erge dingen minder erg)
  8. het is altijd vet op een andermans schotel (=een ander heeft het schijnbaar alTijd beter)
  9. goed bloed kan niet liegen (=een edele afkomst wordt alTijd opgemerkt)
  10. Boontjes uit water eten. (=Een eenvoudige maalTijd.)
  11. een handwerk heeft een gouden bodem (=een goed vakman verdient alTijd zijn brood)
  12. eerlijk duurt het langst (=een leugen komt op den duur alTijd uit, maar de waarheid blijft alTijd waar)
  13. belofte is een hemd der dwazen (=een nietszeggende belofte kan toch Tijdelijk gelukkig maken)
  14. een appeltje voor de dorst (=een reserve voor moeilijke Tijden die mogelijk nog gaan komen)
  15. zo rood als een kreeft (=een rode kleur hebben. (kreeft wordt knalrood Tijdens het koken))
  16. de vleespotten van Egypte (=een vroegere Tijd van grote welvaart)
  17. een renegaat is nog erger dan een Turk (=een vroegere vriend is een veel gevaarlijker vijand dan iemand die alTijd een vijand is geweest)
  18. Vrouwenhanden en paardentanden staan nooit stil. (=Een vrouw is alTijd wel wat aan het doen)
  19. terminus ad quem (=eindpunt van de Tijdsberekening)
  20. zolang er leven is, is er hoop (=er is alTijd hoop, dus geef nooit op!)
  21. het gras is altijd groener bij de buren (=er is alTijd iets te vinden om jaloers op te zijn)
  22. er is altijd wel ergens een vogel die zingt (=er is alTijd wel een lichtpuntje als je maar goed je oren en ogen open zet)
  23. een baas boven baas zijn (=er is alTijd wel iemand die het beter kan of het beter denkt te kunnen)
  24. het is een kwade wind die niemand voordeel brengt (=er is alTijd wel iemand die van de omstandigheden weet te profiteren)
  25. eén gek kan meer vragen dan tien wijzen kunnen beantwoorden (=er zijn alTijd wel vragen waar niemand het antwoord op weet)
  26. alle wegen leiden naar Rome (=er zijn veel manieren om je doel te bereiken / de uitkomst is alTijd hetzelfde)
  27. een heilig boontje zijn (=erg braaf doen, maar niet alTijd braaf zijn)
  28. zeeën van tijd hebben (=ergens erg veel Tijd voor hebben)
  29. lont ruiken (=ergens het vermoeden toe hebben / het gevaar Tijdig aanvoelen)
  30. leergeld betalen (=fouten maken Tijdens het leren)
  31. het takje buigen als het nog jong is (=goede gewoonten leert men het beste op jonge leefTijd aan)
  32. Keulen en Aken zijn niet op een dag gebouwd (=grote projecten kosten Tijd (en vergen geduld))
  33. poot-aan spelen (=hard doorwerken (om op Tijd te zijn))
  34. moet je heen hooien? (=heb je geen Tijd?)
  35. het leven gaat niet altijd over rozen (=het is niet alTijd zo mooi, iedereen heeft wel eens tegenvallers)
  36. het leven is geen zoete krentenbol (=het is niet alTijd zo mooi, iedereen heeft wel eens tegenvallers)
  37. hora est (=het is Tijd)
  38. je weet nooit hoe een koe een haas vangt (=het kan alTijd nog op onverwachte wijze tot een oplossing komen)
  39. het is altijd rouwen en trouwen (=het leven is een afwisseling van goede en slechte Tijden)
  40. niet kunnen heksen (=het niet zo snel afkunnen - er meer Tijd voor nodig hebben)
  41. boontje komt om zijn loontje (=hij krijgt wat hij verdient, de gevolgen zal iemand alTijd wel een keer moeten gaan dragen)
  42. zijn mond gaat als een lazarusklep (=hij spreekt alTijd)
  43. zijn haan moet altijd koning kraaien (=hij wil alTijd de baas zijn)
  44. van tijd noch uur weten (=hoegenaamd niet weten hoe laat het is - alTijd te laat komen)
  45. tussen hoop en vrees dobberen (=hopen dat het goed gaat, maar tegelijkerTijd vrezen dat het mis gaat)
  46. tussen hoop en vrees zweven (=hopen dat het goed gaat, maar tegelijkerTijd vrezen dat het mis gaat)
  47. iemand van Pontius naar Pilatus sturen (=iemand aan het lijntje houden, alTijd ergens anders naartoe sturen)
  48. iemand op zijn wenken bedienen (=iemand alTijd en onmiddellijk geven waar hij om vraagt)
  49. hij heeft het gelijk van de vismarkt (=iemand die (alTijd) probeert men een grote mond zijn gelijk te krijgen)
  50. een Pietje precies (=iemand die de dingen alTijd heel precies wil doen)

Het dialectenwoordenboek kent 194 spreekwoorden met `Tijd`

  1. Genneps: Mé.n kumt ter ok wèr ennen dag (=Neem je Tijd)
  2. Sint-Niklaas: zjuust in tits (=net op Tijd)
  3. Sittards: oppen tied vaerdig (=op Tijd klaar)
  4. Fries: Tiid hâld gjin skoft (=Tijd staat niet stil)
  5. Zeeuws: D'n tied vergang (=de Tijd ging verloren)
  6. Bilzers: aste slups béste daud (=zijn Tijd verslapen)
  7. Zeeuws: D'n tied vergoeng (=de Tijd is voorbij)
  8. Oudenbosch: das uit de Tijd (=dat is niet meer van deze Tijd)
  9. Tilburgs: tuuter intèts (=claxonneer op Tijd)
  10. Westerkwartiers: dat was op 't hap-zegg'n (=dat was net op Tijd)
  11. Sint-Niklaas: das gepasseerd (=dat is verleden Tijd)
  12. Fries: it net oan tiid hawwe (=geen Tijd hebben)
  13. kortemarks: jeet gat ofgeschootn (=hij was nog net op Tijd)
  14. Sallands: kannie wach'n (=ik heb geen Tijd)
  15. Lunters: In gien tieje ezien (=In geen Tijd gezien.)
  16. Sint-Niklaas: zjuust in tits (=nat op Tijd)
  17. Waregems: de krop in de keele (=erg aangedaan (Tijdens het spreken))
  18. Vechtdals: ko'j volk gebruukn (=heb je Tijd voor visite)
  19. Valkenswaards: hil hel zen (=bij de Tijd zijn)
  20. Achterhoeks: Kunnen Wachten (=Er Tijd voor hebben)
  21. Kaatsheuvels: ties zo 10 uur (=het is zo Tijd)
  22. Gents: tes nie de momeint (=het past niet (Tijd))
  23. Westerkwartiers: komt tied komt road (=komt Tijd komt raad)
  24. Westerkwartiers: kenst eev'm wacht'n ? (=heb je even Tijd ?)
  25. Vechtdals: ku'j wachn (=heb je Tijd)
  26. Marine jargon (veelal Maleis): tempo dulu (=goeie ouwe Tijd)
  27. Hulsters (NL): van die taid (=sinds die Tijd)
  28. Drents: teumige tied; tuumige tied (=rustige Tijd)
  29. Oudenbosch: keb genog in de laoj gat de leste Tijd (=ik heb genoeg meegemaakt de laatste Tijd)
  30. Munsterbilzen - Minsters: de moes tich op Tijd autte viet maoke (=je moet op Tijd weten hoe laat het is)
  31. Sint-Niklaas: er veel Tijd insteken (=ergens veel Tijd (moeite, geld...) aan iets besteden)
  32. Munsterbilzen - Minsters: Tijd konste maoke, minse nie (=de Tijd gaat niet voorbij, wij wel)
  33. Oudenbosch: zis al ne eule Tijd op scheut (=zij is al een hele Tijd zwanger)
  34. Westerkwartiers: tied hold gien schoft (=de Tijd staat niet stil)
  35. Fries: De tiid hâldt gjin skoft (=De Tijd staat niet stil)
  36. Bathmens: Det kan'k ni wach'n (=Daar heb ik geen Tijd voor)
  37. Oudenbosch: da mot z n verloop ebbe (=daar is Tijd voor nodig)
  38. Zeeuws: t'is nôg gin tiet ô (=het is nog geen Tijd hoor)
  39. West-Vlaams: tetidtatute (vettige e) (=het is Tijd dat het gedaan is)
  40. Zeeuws: ie spit nie diepe (=hij is niet goed bij de Tijd)
  41. Achterhoeks: De mölle uut 't kaf trekken (=Tijd om naar huis tegaan.)
  42. Weerts: vrouwehang en paerstang moôge noeëts stilstaon (=geen Tijd om te rusten)
  43. Brugs: 't is tied dat 't uut is (=Het is Tijd dat het gedaan is.)
  44. Westerkwartiers: 't is berregoanstied (=het is Tijd om naar bed te gaan)
  45. Westerkwartiers: dat kenn'n zij niet wacht'n (=daar hebben zij geen Tijd voor)
  46. Westerkwartiers: ik ken 't niet wacht'n (=ik heb geen Tijd)
  47. Achterhoeks: Tied van kommen, tied van gaon. Tied um effen bi-j stille te staon. (=Tijd van komen, Tijd van gaan. Tijd om even bij stil te staan.)
  48. Sint-Niklaas: da kind is on 't smokkelen (=het kind bevuilde zich Tijdens het eten)
  49. Tilburgs: meej de kèrremes stòn ooveral pòllingkraome (=Tijdens de kermis staan overal palingkramen)
  50. Munsterbilzen - Minsters: iëver de brêg vant kanaal noë Zietendel loeg nog een hoote brèg, baliebrèg zaagte ze doë tiëge, ze wont 'taajelëk ongelaach as naudbrèg vërret bels laeger, noët boembardement onder den oerlog. (=over het Albertkanaal richting Zutendaal lag een houten noodbrug, baliebrug genaamd, die de soldaten van het Belg. leger er zogezegd Tijdelijk legden na een Duits bombardement)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen