Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


9 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `TERUG`

  1. de bal TERUGkaatsen (=op een vraag die gesteld wordt geen antwoord geven, maar een tegenvraag stellen; op een kritische opmerking van iemand reageren door zelf ook meteen een kritische opmerking te maken over de ander)
  2. ergens niet van TERUG hebben (=er geen antwoord op weten)
  3. gas TERUGnemen (=het iets rustiger aan gaan doen)
  4. geef mijn fiets TERUG (=grapje om Duitsers te wijzen op de Tweede Wereldoorlog, toen er veel fietsen geconfisqueerd werden)
  5. TERUG naar af (=begin maar weer opnieuw)
  6. TERUGverlangen naar de vleespotten van Egypte (=naar de goede tijden terugverlangen)
  7. van alle markten TERUGgekomen zijn (=nergens voor deugen)
  8. Wat de boer aan het koren verliest zal hij aan het spek wel TERUGvinden (=Waar iemand iets verliest zal iemand (anders) iets winnen)
  9. wat het huis verliest, brengt het weer TERUG (=als men iets in huis zoek maakt, komt het meestal vanzelf weer tevoorschijn)

29 betekenissen bevatten `TERUG`

  1. boven water zijn (=alles is bekend geworden of is TERUGgevonden)
  2. het ene woord haalt het andere uit (=als de ene persoon een grote mond opzet, krijgt die dat van de ander TERUG)
  3. na gedane arbeid is het goed rusten (=als een klus geklaard is kan men er tevreden op TERUG kijken)
  4. wie kaatst kan/moet de bal verwachten (=als je een ander plaagt, kun je verwachten dat die jou TERUG gaat plagen)
  5. wee de wolf die in een kwaad gerucht staat (=als je je goede naam verliest is die haast niet TERUG te winnen)
  6. reageren met de voeten (=door ergens weg te gaan, weg te blijven of niet meer TERUG te keren, aangeven dat men niet tevreden is)
  7. de schepen achter zich verbranden (=een beslissing nemen en niet meer TERUG kunnen)
  8. een taling uitzenden om een eendvogel te vangen (=een kleinigheid opofferen om iets belangrijks TERUG te krijgen)
  9. er geen been in zien (=geen bezwaar onderkennen. Er niet voor TERUGschrikken)
  10. de rode draad (in een verhaal of betoog) (=het centrale thema, hetgeen waar steeds weer op wordt TERUGgegrepen)
  11. met gelijke munt betalen (=hetzelfde kwaad TERUGdoen)
  12. het heilig kruis achterna geven (=hopen dat iets of iemand nooit meer TERUGkomt)
  13. een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen (=iets kleins aan een ander geven met de gedachte zelf iets groots TERUG te krijgen)
  14. met een metworst naar een zij spek gooien (=iets weinig waardevols opofferen om iets waardevols TERUG te krijgen)
  15. de melk optrekken (=je woord TERUGnemen, je belofte niet helemaal vervullen)
  16. in het schuitje zitten en mee moeten varen (=mee moeten doen, zich niet meer kunnen TERUGtrekken)
  17. terugverlangen naar de vleespotten van Egypte (=naar de goede tijden TERUGverlangen)
  18. zijn schepen achter zich verbranden (=obstinaat doorgaan, zodanig dat men niet meer TERUG kan)
  19. oude koeien uit de sloot halen (=oude geschiedenissen TERUG ten tonele voeren)
  20. korte afrekening maakt lange vriendschap (=snel TERUGbetalen (TERUGgeven) voorkomt ruzie)
  21. altijd op hetzelfde aambeeld hameren/slaan (=steeds weer op hetzelfde onderwerp TERUGkomen)
  22. een muurbloempje zijn (=stil en TERUGgetrokken zijn)
  23. de klok achteruit zetten (=TERUG naar oude toestanden gaan)
  24. iemand het heilig kruis achterna geven (=van iemand hopen dat hij nooit meer TERUGkomt)
  25. de ene dienst is de andere waard (=wanneer iemand helpt, doet men graag iets TERUG)
  26. de verloren zoon is terecht (=wat (of wie) al lang verloren was, is TERUGgevonden)
  27. wie goed doet, goed ontmoet (=wie goede dingen doet voor andere mensen kan soms ook goede dingen TERUG verwachten)
  28. in zijn schulp kruipen (=zich in zichzelf TERUGtrekken, niet verder aandringen)
  29. op de kleintjes letten (=zuinig zijn. Ook de kleine uitgaven proberen TERUG te dringen)

Het dialectenwoordenboek kent 65 spreekwoorden met `TERUG`

  1. Munsterbilzen - Minsters: zene stat éntrékke (=TERUGkrabbelen)
  2. Bilzers: zene stat éntrékke (=TERUGkrabbelen)
  3. Brakels: vos omdraun' (=TERUGkeren)
  4. Waregems: van niets vervoard zijn (=van niets bang zijn/niet TERUGdeinzen)
  5. Westerkwartiers: één met gelieke munt betoal'n (=op dezelfde manier iemand TERUGpakken)
  6. Waregems: d'r van weerekeeërn (=op je stappen TERUGkeren(figuurlijk))
  7. Waregems: ol da je zegt zij je zelve (=TERUGfluiten met identiek verwijt)
  8. Munsterbilzen - Minsters: zene kak èntrèkke (=op zijn beslissing TERUGkomen)
  9. Melseels: zijne kak intrekken (=op zijn woorden of beslissing TERUGkomen)
  10. Bilzers: opgeston, plaots vergon, trëggekoëme,plaots verloëre (=opgestaan, plaats vergaan, TERUGgekomen,plaatsverloren)
  11. West-Vlaams: tis e beskeetn kommisje (=van een kale reis TERUGgekomen zijn)
  12. Sint-Laureins: zijn kerre(kar) kéeiren (=op zijn (haar) beslissing TERUGkomen)
  13. Iepers: je toenge deur je gat trekken (=TERUGkeren op je woorden)
  14. Oudenbosch: dijee z n aartenuit (=die kan beter maar niet TERUGkomen)
  15. Ninoofs: uit de duivenmelkerij, een duif die te ver is gevlogen en te laat TERUGkeert. (=a komt van oever)
  16. Klemskerks: 't zien goe' geeëstn die keeërn: gezegd als welkomstgroet als iemand na enige tijd TERUGkeert naar de plek van de spreker. (='t Zijn goede geesten die keren)
  17. Schijndels: alé, vuruit, achteruit (=gauw TERUG)
  18. Harelbeeks: Kèrrekjiwere! (=Keer eens TERUG!)
  19. Sint-Niklaas: 'k ben op ne pink (wiep) TERUG (=ik ben direct TERUG)
  20. Nijlens: ha komt vroem - ook veroem (=hij komt TERUG)
  21. Lichtervelds: je trekt zne stêirt in (=hij krabbelt TERUG)
  22. Hams: om en vedrom (=heen en TERUG)
  23. Harelbeeks: kjeire (ne) kje weere (=keer eens TERUG)
  24. Gents: z'hee tegen een ronde tafel geleupen (=TERUG zwanger zijn)
  25. Huizers: vróm en tóm (=heen en TERUG)
  26. herenthouts: sebiet komt dieje vroem (=straks kom hij TERUG)
  27. Diesters: emes direkt vroem (=hij is zo dadelijk TERUG)
  28. Brakels: ij trekt zijne stert iejn (=hij krabbelt TERUG)
  29. Turnhouts: kzen bedijeme vrom (=ik ben dadelijk TERUG)
  30. Heusdens: ich zen zoe trug (=ik kom dadelijk TERUG)
  31. Mols: ik koom bediëme vrom (=ik kom straks TERUG)
  32. Kortrijks: kgao min karre kjèrn (=ik ga TERUG)
  33. Zeeuws: tis hin anouwertje (=steeds TERUG komen)
  34. Balens: ik zen bediejeme vrom (=ik ben direkt TERUG)
  35. Kortrijks: kjèere nekjèe weere (=kom eens TERUG)
  36. turnhouts: komde derekt verom (=kom je direct TERUG)
  37. Gents: Kloas moe were koome (=ze is TERUG zwanger)
  38. Waregems: de poaskloogg'n zijn weere (=de paasklokken zijn TERUG (van Rome))
  39. Westerkwartiers: hij mos wat ienbiend'n (=hij moest een stapje TERUG doen)
  40. Munsterbilzen - Minsters: hae ès trëg bij de zaajn (=hij kwam TERUG bij bewustzijn)
  41. Westerkwartiers: dat zel 'k em betoald zett'n (=ik pak hem wel TERUG)
  42. Munsterbilzen - Minsters: nau trèkter zene stat wir èn (=nu krabbelt hij weer TERUG)
  43. kortemarks: je kièèrt ze karre (=hij komt op zijn beslissing TERUG)
  44. Mestreechs: diene keutel intrekke-passe (=TERUG komen op je beslissing)
  45. Oudenbosch: luste gij nog peultjes ? (=gey heb je daar van TERUG ?)
  46. Antwerps: wat de kop verget,moete de biëne bekoepe (=als men iets vergeet , moet je TERUG lopen)
  47. Bilzers: Daai stôse zin ver allang verbij (=Daar komen we niet meer op TERUG)
  48. Maas en waals: tôh mèr zè boudewijn (=die zien we nooit meer TERUG)
  49. Tilburgs: die kunde over oe schouwers gooien en TERUG schuppen (=hangtieten)
  50. Westerkwartiers: wel wiend zaait zel störm oogst'n (=doe je kwaad, je krijgt erger TERUG)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen