Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

40 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Rood`

  1. Als de boter duur wordt, leert men het bRood droog eten. (=Als het niet anders kan, is men ook met minder tevreden.)
  2. als warme bRoodjes over de toonbank gaan (=zeer goed verkopen)
  3. Altijd bRood eten verdriet ook. (=Een mens wil ook eens een verzetje.)
  4. avondRood brengt water in de sloot (=weerspreuk : rood ondergaande zon betekent vaak regen 's anderendaags)
  5. Bakkerskinderen eten oud bRood. (=Aan het vak dat men uitoefent, besteedt men in zijn directe omgeving weinig aandacht.)
  6. bij gebrek aan bRood eet men korstjes van pasteien (=bij gebrek aan het goedkope, het dure gebruiken)
  7. Bij gebrek aan bRood eet men korstjes van pasteien. (=Bij gemis aan het gewone moet men zijn toevlucht soms wel tot iets duurders nemen.)
  8. Boter op je hoofd smeren en droog bRood eten. (=In de war zijn.)
  9. bRoodnodig (=onmisbaar)
  10. de bRoodkruimels steken hem (=hij kan de welstand niet dragen)
  11. de een z'n dood is een ander z'n bRood (=wat voor de één een nadeel is, daar profiteert een ander van)
  12. de kunst gaat om bRood (=een kunstenaar verdient moeizaam z'n brood)
  13. een kruimeltje is ook bRood (=wees gelukkig met wat je hebt)
  14. een profeet die bRood eet (=iemand die waardeloze voorspellingen doet)
  15. ergens geen bRood in zien (=niet denken dat iets kan werken)
  16. genadebRood eten (=door anderen onderhouden worden)
  17. het eet geen bRood (=het kost niets om het te bewaren, behoeft geen onderhoud)
  18. hij is voor zijn Roodkoperen (=oud Haags voor: Het is allemaal piekfijn in orde)
  19. Hij kan meer dan alleen bRood eten. (=Verstand van zaken.)
  20. hij kan meer dan bRood eten (=hij weet veel)
  21. Hij laat zich de kaas niet van het bRood eten. (=Opkomen voor iets.)
  22. Hij moet droog bRood eten. (=Hij moet erg zuinig zijn, het gaat hem financieel slecht.)
  23. iemand het bRood uit de mond nemen/stoten (=iemand het onmogelijk maken om in eigen inkomen te kunnen voorzien)
  24. iemand iets op zijn bRood geven (=iemand onvriendelijk iets verwijten)
  25. klagers hebben geen nood en pochers hebben geen bRood (=zowel klagers als pochers kunnen de zaken nogal eens overdrijven)
  26. komen met de paal als het bRood in de oven is (=te laat komen)
  27. liever bRood in de zak, dan een pluim op de hoed (=van eer kan men niet leven)
  28. morgenRood/avondRood brengt water in de sloot (=na een rode morgen- of avondlucht komt regen)
  29. niet bij bRood alleen leven (=men heeft meer nodig dan alleen eten om te kunnen leven)
  30. Niet van het ene bRood tot het andere weten te geraken (=Niet rond kunnen komen)
  31. Ongegund bRood wordt veel gegeten. (=Vaak kan men het niet verdragen dat het een ander beter gaat.)
  32. Rood worden (=zich schamen)
  33. scoren alsof het warme bRoodjes zijn (=scoren alsof het helemaal niets is)
  34. wiens bRood men eet, diens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  35. Wiens bRood men eet, diens woord men spreekt. (=Men pacteert met hen van wie men afhankelijk is.)
  36. zich de kaas niet van het bRood laten eten (=zich de voordelen niet zomaar laten afpakken)
  37. zich de kaas van het bRood laten eten (=zich laten ontnemen waarop men recht heeft)
  38. zo Rood als een kreeft (=een rode kleur hebben. (kreeft wordt knalrood tijdens het koken))
  39. zo Rood worden als een kalkoense haan (=bloedrood worden (van schaamte))
  40. zoete bRoodjes bakken (=dingen zeggen om een goede indruk achter te laten bij mensen met invloed)

7 betekenissen bevatten `Rood`

  1. zo rood worden als een kalkoense haan (=bloedRood worden (van schaamte))
  2. een handwerk heeft een gouden bodem (=een goed vakman verdient altijd zijn bRood)
  3. de kunst gaat om brood (=een kunstenaar verdient moeizaam z'n bRood)
  4. zo rood als een kreeft (=een rode kleur hebben. (kreeft wordt knalRood tijdens het koken))
  5. zuivel op zuivel is voer voor de duivel (=in de Middeleeuwen gebruikt om mensen van hekserij te beschuldigen, wanneer zij zuivel op zuivel op hun bRood deden)
  6. een kruisje is genoeg voor een boterham uit het vuistje (=voor een gewone bRoodmaaltijd moet niet te veel gebeden worden)
  7. avondrood brengt water in de sloot (=weerspreuk : Rood ondergaande zon betekent vaak regen 's anderendaags)

Het dialectenwoordenboek kent 28 spreekwoorden met `Rood`

  1. Westfries: Roôie vale binne donderstrale! (=Gezegd over Roodharigen)
  2. Venloos: Eine roeëje zit in de bótter te knoeëje (=Een Roodharige pesten)
  3. Waregems: ip 'n Roode (=op een rij)
  4. Lokers: Ei rosten, oeveel kosten au wosten? (=Om een Roodharige uit te schelden)
  5. Rotterdams: rooie reetaap (=Rood harige)
  6. Gents: roaste wa moede gei koste, k' goa eu kieze veur achter mein kiekes te luupe (=een Roodharig persoon)
  7. Venloos: Eine bläöker kriege (=Een Rood hoofd krijgen)
  8. Munsterbilzen - Minsters: e gezich waajen temaat krijge (=Rood worden)
  9. Zeeuws: ie zie zo roead as een sloter (=Rood zien)
  10. Weerts: unne roeëje kiebus (=een Rood hoofd)
  11. Leids: Je ken een kind krijgen met een Roodkopere kop dan ken je je de kolere poetsen juh! (=Schelden)
  12. Genneps: Enne kop as enne tuujhaamer (=Een dik, Rood hoofd hebben)
  13. Waregems: rooë wirden tot achtre zijn ooërn (=Rood worden van schaamte)
  14. Bilzers: ne kop waaj n tomat (=een Rood aangelopen gezicht)
  15. Munsterbilzen - Minsters: raud van kelaer (=Rood van woede)
  16. Giethoorns: Rooien en valen bin-n donderstralen (=Dit zegt men van iemand met Rood haar)
  17. Bilzers: zoe raud as 'n tomat (=zo Rood als een kreeft)
  18. Izegems: ze droaht eur hoehnwerk in de wekn (=ze heeft Rood haar)
  19. Tilburgs: un rôoj kesjoeke van un beugelflèske Grolsch pils (=een Rood gummiringetje van een beugelflesje Grolsch bier)
  20. Sint-Niklaas: zè wezen is verbrangd van de zon (=zijn gezicht is Rood van de zon)
  21. Epers: Hee is zo Rood as een kralle (=PVDA'er)
  22. Rotterdams: voor z'n Rood koperen (=Het is klaar, is in orde)
  23. Steins: sjoean roead is neet lijëlik (=schimpende opmerking over iemand met Rood haar)
  24. Twents: hee hef ne kop as ne bolle (=hij heeft een Rood aangelopen hoofd)
  25. Sint-Niklaas: ei zie so roût as ne kalkoen (=hij heeft een heel Rood gezicht)
  26. Bilzers: hae wiëd raud van de guf (=hij kleurt Rood van de woede)
  27. Flakkees: Roaije en vaele da binne dongderstraele (=pas op voor iemand met Rood haar)
  28. Heusdens: hei goof ze mutske feur de ierste kier en mun , en zei woord zoe roed as en poet (=hij gaf voor de eerste keer zijn meisje een kus en zij werd zo Rood als een wortel)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen