Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


99 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Omen`

  1. aan beurt kOmen (=aan werk geraken)
  2. aan de bak kOmen (=aan de beurt komen; een baan krijgen)
  3. aan de galg kOmen (=ter dood veroordeeld worden)
  4. aan het licht kOmen (=bekend worden van ongunstige dingen)
  5. aan zijn gerief kOmen (=vinden wat men nodig heeft (inz. seksuele behoeften))
  6. aan zijn trekken kOmen (=krijgen wat diegene graag wilt en fijn/leuk vindt)
  7. als winnaar/beste uit de bus kOmen (=iets of iemand blijkt het beste te zijn)
  8. beslagen ten ijs kOmen (=goed voorbereid zijn)
  9. Beslagen ten ijs kOmen. (=Goed voorbereid zijn)
  10. beter voorkOmen dan genezen (=je kan beter iets voortijdig voorkomen dan er later de gevolgen van inzien)
  11. bOmen ontmoeten elkaar niet, mensen wel (=de kans dat je iemand toevallig tegenkomt is groot)
  12. boven water kOmen / boven water halen (=tevoorschijn komen / tevoorschijn halen, verschijnen, opduiken)
  13. daar kan niets van inkOmen (=dat zal niet lukken)
  14. De aardappelen kOmen niet voor de eikenblaren (=Boerenregel. De aardappelplant begint te groeien als de eik in het blad komt)
  15. de gaande en kOmende man (=iedereen die komt opdagen)
  16. de liefde kan niet van één kant kOmen (=als je samen iets doet zal ieder moeten bijdragen)
  17. de maan komt al door de bOmen/wolken (=gezegd van iemand die kaal begint te worden)
  18. denken met kousen en schoenen in de hemel te kOmen (=denken dat men zich niet moet inspannen)
  19. door de bank genOmen (=gemiddeld; meestal; gewoonlijk)
  20. door de bOmen het bos niet meer zien (=door alle details het overzicht verliezen)
  21. door de kajuitsramen aan boord kOmen (=onmiddellijk bevelhebber worden, zonder eerste ondergeschikte te zijn geweest)
  22. door het kluisgat aan boord kOmen (=de lagere rangen doorlopen alvorens bevelhebber te worden)
  23. een kink in de kabel kOmen (=iets tussen komen)
  24. er is een tijd van kOmen en er is een tijd van gaan (=aan alles komt een einde)
  25. er is geen doorkOmen aan (=je geraakt er niet door)
  26. er kOmen met krabben en bijten (=er met heel veel moeite komen)
  27. er zonder kleerscheuren afkOmen (=helemaal niets mankeren na een ongeluk)
  28. ergens bekaaid (van) afkOmen (=een te lage prijs ervoor krijgen)
  29. ergens kunnen inkOmen (=het wel kunnen begrijpen)
  30. ergens mee voor de draad kOmen (=zeggen wat de precieze bedoeling is)
  31. eruit kOmen (=een oplossing vinden)
  32. handen te kort kOmen (=te weinig hulp hebben , overstelpt worden)
  33. het is geen aangenOmen werk (=het hoeft niet noodzakelijk zo snel te gaan)
  34. het moet uit de lengte of uit de breedte kOmen (=het moet hoe dan ook uitgespaard worden)
  35. Het paard moet tot de kribbe kOmen. (=Wie belang heeft bij een zaak moet er zelf op uit gaan)
  36. hoge bOmen/masten vangen veel wind (=in een hoge positie heeft men ook veel verantwoordelijkheid)
  37. iemand in het naadgaren kOmen (=iemand erg hinderen)
  38. iemand zien aankOmen (=weten waar hij over zal beginnen, zich er alvast tegen wapenen)
  39. iemands eer te na kOmen (=iemand beledigen - iemands naam aantasten)
  40. in een goed blaadje proberen te kOmen (=een goede reputatie proberen te verkrijgen)
  41. in geen kerk of kluis kOmen (=niet godsdienstig zijn)
  42. in het gedrang kOmen (=met moeilijkheden te maken krijgen)
  43. in het gevlij kOmen (=doen wat iemand graag ziet om in de gunst te komen)
  44. in iemands kraam te pas kOmen (=iets wat iemand nodig had)
  45. in zwang kOmen / raken (=iets wordt een modeverschijnsel)
  46. kan uit Nazareth iets goeds kOmen? (=wanneer iemand een bepaalde opvoeding heeft gehad kan daar niks goeds van verwacht worden)
  47. kOmen als een dief in de nacht (=onverwacht komen)
  48. kOmen met de paal als het brood in de oven is (=te laat komen)
  49. man met de hamer tegenkOmen (=totaal uitgeput geraken)
  50. men moet geen oude bOmen verplanten/verpoten/verplaatsen (=je moet geen oude mensen uit hun vertrouwde omgeving halen)

160 betekenissen bevatten `Omen`

  1. de eindjes (niet) aan elkaar knopen (=(niet) rond kOmen (met z'n inkOmen))
  2. met zijn gat in de boter vallen (=(onverwacht) goed terechtkOmen)
  3. met zijn neus in de boter vallen (=(Onverwacht) goed terechtkOmen)
  4. aan de bak komen (=aan de beurt kOmen; een baan krijgen)
  5. over de drempel komen (=aan huis kOmen)
  6. werelds goed is eb en vloed (=aardse goederen kOmen en gaan)
  7. in de lucht zitten (=algemeen voorkOmen)
  8. geld stinkt niet (=alle manieren om aan geld te kOmen zijn toegestaan)
  9. zonder geluk vaart niemand wel (=alleen met hard werken komt men er niet, ook een beetje geluk is nodig om ergens te kOmen)
  10. hoe meer vis, hoe droever water (=als er meer mensen kOmen valt er minder te verdelen (erfenissen))
  11. belofte maakt schuld (=als je iets beloofd hebt moet je dat ook nakOmen)
  12. een geplaveide weg is des duivels oorkussen (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen kOmen daardoor)
  13. met hangende pootjes thuiskomen (=bewust van schuld (thuis)kOmen / zeer tegen zijn zin)
  14. Men poot de aardappelen wanneer men wil, ze komen toch niet in april (=Boerenregel. Aardappelen kOmen pas in mei uit)
  15. met opgestoken/opgestreken/opgezet zeil naar iemand toe gaan (=boos naar iemand toe gaan of boos bij iemand binnen kOmen)
  16. dat komt als mosterd na de maaltijd (=dat komt op een mOment dat het geen nut meer heeft)
  17. er zal geen haan naar kraaien (=dat zal niemand te weten kOmen)
  18. de teerling is geworpen (=De beslissing is genOmen)
  19. Het hinkende paard komt er achteraan. (=De bezwaren kOmen achterop. Na blijdschap volgt iets minder aangenaams)
  20. De prins op het witte paard. (=De man uit je drOmen)
  21. de prins op het witte paard (=de man van je drOmen)
  22. de vrucht der ervaring rijpt niet aan jonge takken (=de verstandigste opmerkingen kOmen van oudere mensen)
  23. de kraaien zullen het uitbrengen (=de waarheid zal aan het licht kOmen)
  24. als men van de duivel spreekt trapt men hem op zijn staart (=degene waarover men spreekt, laat zich dikwijls op dat mOment zien)
  25. zij hebben een te grote broek aangetrokken (=die organisatie heeft een doel op zich genOmen waarvoor ze niet de benodigde capaciteiten, financiële middelen en/of invloed heeft)
  26. op til zijn (=dingen zijn op dit mOment gaande (met name veranderingen))
  27. in het gevlij komen (=doen wat iemand graag ziet om in de gunst te kOmen)
  28. een zware pijp roken (=door eigen schuld in moeilijkheden kOmen)
  29. door vragen wordt men wijs (=door het stellen van vragen kun je veel te weten kOmen en veel kennis opdoen)
  30. de regen schuwen en in de sloot vallen (=door iets onaangenaams te ontwijken in nog groter problemen kOmen)
  31. voorkomen is beter dan genezen (=door voorzichtig te zijn kun je problemen en ongelukken voorkOmen)
  32. met een nat zeil thuiskomen (=dronken thuiskOmen)
  33. in de papieren lopen (=duur uitkOmen, veel geld kosten)
  34. Niet het zout op zijn patatten verdienen (=Een klein inkOmen hebben)
  35. één uur van onbedachtzaamheid, kan maken dat men jaren schreit (=één mOment van onvoorzichtigheid kan verschrikkelijke gevolgen hebben)
  36. een paar mensen optrommelen (=een paar mensen laten kOmen)
  37. een appeltje voor de dorst (=een reserve voor moeilijke tijden die mogelijk nog gaan kOmen)
  38. het kind bij de naam noemen (=eerlijk voor de mening uitkOmen)
  39. goede sier maken (=er (overdreven) goed van leven / goed overkOmen bij anderen)
  40. tussen twee stoelen in de as vallen (=er bekaaid vanaf kOmen)
  41. er komen met krabben en bijten (=er met heel veel moeite kOmen)
  42. tegen de paal lopen (=er slecht vanaf kOmen)
  43. er zijn maal wel mee kunnen doen (=er wel mee toekOmen)
  44. de hand op iets leggen (=ergens aan kunnen kOmen)
  45. de kraag kosten (=ergens bij om het leven kOmen)
  46. in de termen vallen (=ergens in aanmerking voor kOmen)
  47. zuur opbreken (=ergens mee in moeilijkheden kOmen (later))
  48. iets niet over zijn hart kunnen krijgen (=ergens niet toe kunnen kOmen of ergens op gesteld zijn)
  49. onder de schoenzolen schrijven (=ergens niets van terecht kOmen)
  50. ergens part noch deel aan hebben (=ergens niets van weten of niet aan deelgenOmen hebben)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen