Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

11 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ONGELUK`

  1. een ONGELUK begaan (=zodanig kwaad zijn dat er 'nongeluk van komt)
  2. een ONGELUK komt te paard en gaat te voet. (=een ongeluk is snel gebeurd, maar de gevolgen slepen lang aan.)
  3. een ONGELUK komt zelden/nooit alleen. (=als er iets misgaat, gaat er vaak nog meer mis.)
  4. een ONGELUK zit in een klein hoekje. (=door een kleine fout kunnen gemakkelijk erg nare ongelukken gebeuren)
  5. geluk bij een ONGELUK. (=terwijl iets mis gaat, gaat iets anders goed.)
  6. iemand van twaalf ambachten en dertien ONGELUKken zijn. (=steeds verschillende baantjes hebben maar in geen enkel baantje succesvol zijn.)
  7. ONGELUK komt zelden alleen. (=een tegenslag wordt vaak gevolgd door nog meer problemen)
  8. ONGELUKkig in het spel gelukkig in de liefde (=wie tegenslag heeft in het spel heeft misschien wel geluk in de liefde)
  9. twaalf ambachten, dertien ONGELUKken (=wie telkens van beroep verandert, slaagt uiteindelijk nergens in)
  10. van twaalf ambachten en dertien ONGELUKken zijn (=telkens ander werk doen maar er bij geen van allen iets terecht brengen)
  11. zich een ONGELUK lachen. (=hetzelfde als 'In een deuk liggen', niet meer bijkomen van het lachen.)

14 betekenissen bevatten `ONGELUK`

  1. die veel begeert veel ontbeert (=altijd meer willen maakt ONGELUKkig)
  2. een ongeluk zit in een klein hoekje. (=door een kleine fout kunnen gemakkelijk erg nare ONGELUKken gebeuren)
  3. voorkomen is beter dan genezen. (=door voorzichtig te zijn kun je problemen en ONGELUKken voorkomen)
  4. een ongeluk komt te paard en gaat te voet. (=een ONGELUK is snel gebeurd, maar de gevolgen slepen lang aan.)
  5. er zonder kleerscheuren afkomen (=helemaal niets mankeren na een ONGELUK)
  6. een jatmous van een wijf, maakt de nering stroef en stijf (=het brengt ONGELUK als je eerste klant een vrouw is.)
  7. hij kijkt of hij zijn laatste oortje versnoept heeft (=hij kijkt heel ONGELUKkig (een oord is een oude munt))
  8. hij heeft een paling (snoek) gevangen (=iemand die per ONGELUK in het water is gevallen)
  9. tussen wal en schip geraken (=iets raakt per ONGELUK verloren of zoek)
  10. die niet omziet is haast teniet (=overhaastig werken leidt tot ONGELUKken)
  11. naar de kelder gaan (=verONGELUKken (en met een schip: zinken))
  12. wie zich aan een ander spiegelt spiegelt zich zacht (=wie uit het ONGELUK van anderen lering trekt, zal minder ONGELUK hebben)
  13. wie een varken is moet in het schot (=wie voor het ONGELUK geboren is, hoeft geen geluk te verwachten)
  14. een ongeluk begaan (=zodanig kwaad zijn dat er 'nONGELUK van komt)

Het dialectenwoordenboek kent 22 spreekwoorden met `ONGELUK`

  1. Twents: Alle proemen in drek (=Malheur/ONGELUKje)
  2. Zelzaats: Per abuus (=Per ONGELUK)
  3. Poperings: e volt doa kul over kloètn (=hij valt heel ONGELUKkig neer)
  4. Waregems: 'k ee 'n maleurke tee(g)nekoomn (=ik heb een ONGELUKje gehad)
  5. Walshoutems: Nen trasmestie (=Iemand met twaalf stielen en dertien ONGELUKken)
  6. Texels: Je leit 'r bee os een ferwenteld skéép (=In een ONGELUKkige houding liggen)
  7. Hulsters (NL): gheluk meej un ongheluk (=geluk bij een ONGELUK)
  8. Waregems: 't doet dr'omme, 't moe dr'omme doen (=het valt ONGELUKkig samen)
  9. Westerkwartiers: 't is of de duvel d'r met speult (=alle ONGELUKken komen tegelijk)
  10. Munsterbilzen - Minsters: al viël watterkes dërzwoeme hübbe, behaave wijwatter (=Twaalf stielen, dertien ONGELUKken)
  11. Sint-Niklaas: zich verklappen (=per ONGELUK iets zeggen wat men niet wou)
  12. Hansbeeks: Hij es strontroab'r achter den trein (=Twaalf stielen, dertien ONGELUKken)
  13. Antwerps: een ONGELUK ligt oep een klaain pleutske (=een ONGELUK zit in een klein hoekje)
  14. Bilzers: tés gebiërd ei dasset wiës (=een ONGELUK zit in een klein hoekje)
  15. Zottegems: ij ee een kezze gezet (=hij heeft een auto ONGELUK gehad)
  16. Munsterbilzen - Minsters: moeste mesjin e pêkske rammel hëbbe (=je zoekt je ONGELUK)
  17. Amsterdams: Daar zit de nieges op, dat brengt nieges, daar krijg je nieges van (=dat brengt ONGELUK)
  18. Harelbeeks: den'iën zyn dwud es den andr'n zyn brwud (=iemand verdiend altijd aan iemand anders' ONGELUK)
  19. Hendrik-Ido-Ambachts: d'n die is ONGELUKkig geboruh (=er waren complicaties bij zijn geboorte)
  20. Munsterbilzen - Minsters: terdievel op zene stat traeë (=het ONGELUK uitdagen)
  21. Zeeuws: nou moe kdee-ut er nie om (=per ONGELUK)
  22. Bilzers: asof terdievel termét gemoeid és (=n ONGELUK komt zelden alleen)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen