Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


23 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Niet a`

  1. dat kan al het water van de zee Niet afwassen (=daar is niets aan te doen - dat kan je niet wegpraten)
  2. dat wast al het water van de zee Niet af (=iets is niet meer te veranderen/aan te passen)
  3. de boog kan Niet altijd gespannen zijn (=men moet zich soms ook kunnen ontspannen)
  4. de vrucht der ervaring rijpt Niet aan jonge takken (=de verstandigste opmerkingen komen van oudere mensen)
  5. die snaar moet men Niet aanroeren (=daarover moet niet gesproken worden)
  6. Die zijn pap gemorst heeft kan Niet alles weer oprapen (=Schade kan nooit geheel worden goedgemaakt)
  7. er Niet aan kunnen tippen (=er een voorbeeld aan kunnen nemen)
  8. er zijn mond Niet aan vuil maken (=er niets over willen zeggen)
  9. het is Niet al goud wat blinkt (=schijn bedriegt)
  10. het kan er Niet af (=er is niet genoeg geld voor)
  11. het kan Niet altijd kaviaar zijn (=niet elke dag is een topdag)
  12. het leven gaat Niet altijd over rozen (=het is niet altijd zo mooi, iedereen heeft wel eens tegenvallers)
  13. Het zijn Niet al ridders die sporen dragen (=Je kunt niet alleen aan iemands uiterlijk afleiden of hij ergens geschikt voor is)
  14. het zijn Niet allen koks die lange messen dragen (=niet het uiterlijk vertoon bewijst iemands vaardigheid)
  15. het zijn Niet allen monniken die kappen dragen (=niet het uiterlijk vertoon bewijst iemands vaardigheid)
  16. Je kunt wel alleen eten, maar Niet alleen werken. (=Men moet goed voor het personeel zijn.)
  17. Je mag wel alles eten, maar Niet alles weten. (=Ik hoef je niet alles te vertellen.)
  18. men moet zijn hoed Niet afnemen, voor men gegroet wordt (=men moet een ander nooit in de rede vallen)
  19. Niet aan zijn trekken komen (=niet krijgen wat men wil)
  20. we kunnen Niet allen paus van Rome zijn (=niet iedereen kan de baas zijn)
  21. weet wat je zegt, maar zeg Niet alles wat je weet (=wees voorzichtig met woorden en je informatie)
  22. ze Niet alle vijf hebben (=vreemd gedragen of niet goed bij het verstand zijn)
  23. ze Niet allemaal (alle vijf) op een rijtje hebben (=niet bij zijn volle verstand zijn. (alle vijf = de zintuigen))

61 betekenissen bevatten `Niet a`

  1. Wie weet waarom de ganzen blootsvoets gaan? (=Alles heeft een reden, ook al is die Niet altijd even duidelijk)
  2. Als de boter duur wordt, leert men het brood droog eten. (=Als het Niet anders kan, is men ook met minder tevreden.)
  3. Geef het veulen geen haver en het kind geen brandewijn. (=Behandel kinderen Niet als grote mensen)
  4. daar kan de schoorsteen niet van roken (=dat brengt niets op / men kan Niet alleen van vriendelijke woorden leven)
  5. dat staat niet in zijn woordenboek (=dat kent hij niet, daar doet hij Niet aan mee, heeft hij nog nooit van gehoord)
  6. de mens wikt, maar God beschikt (=de mensen maken allerlei plannen, maar het is Niet aan hen of dat ook gebeurt)
  7. de leer veroordelen maar de leraar sparen (=de wortel van het probleem Niet aanpakken)
  8. schijn bedriegt (=dingen zijn Niet altijd zoals ze zich voordoen)
  9. zand schuurt de maag (=een beetje zand eten is niet erg (meer algemeen: stel je Niet aan!))
  10. ergens een kleine jongen bij zijn (=er Niet aan kunnen tippen)
  11. er niet mee getrouwd zijn (=er Niet aan vastzitten, er niet toe verplicht zijn)
  12. feestelijk danken (=er voor danken maar het zeker Niet aannemen)
  13. een heilig boontje zijn (=erg braaf doen, maar Niet altijd braaf zijn)
  14. schitteren door afwezigheid (=ergens Niet aanwezig zijn, terwijl je komst wel verwacht werd)
  15. ergens part noch deel aan hebben (=ergens niets van weten of Niet aan deelgenomen hebben)
  16. goede waar prijst zichzelf (=goed materiaal moet Niet aangeprezen worden)
  17. de vogel over het net laten vliegen (=goede kansen Niet aangrijpen)
  18. het leven gaat niet altijd over rozen (=het is Niet altijd zo mooi, iedereen heeft wel eens tegenvallers)
  19. het leven is geen zoete krentenbol (=het is Niet altijd zo mooi, iedereen heeft wel eens tegenvallers)
  20. het mes snijdt aan twee kanten (=het levert dubbel voordeel op (NL.) Er zijn Niet alleen voordelen aan verbonden, je kan eender wat vanuit verschillende en zelfs tegengestelde standpunten bekijken (BE).)
  21. geen graten in iets vinden (=het niet erg vinden, zich er Niet aan storen)
  22. ergens lak aan hebben (=het zich helemaal Niet aantrekken)
  23. het water is veel te diep (=hij durft het Niet aan)
  24. zo lang er leven is, is er hoop (=hoe slecht het ook staat, zolang nog Niet alles verloren is, kan alles nog goed komen)
  25. Als het hooi het paard volgt, dan wil het gegeten zijn. (=Huwbare meisjes moeten Niet achter de vrijer aanlopen.)
  26. iemand niet kunnen zetten (=iemand Niet aardig vinden)
  27. iemand met de nek aankijken (=iemand Niet als volwaardig beschouwen)
  28. een heilige koe (=iets waar je Niet aan mag komen en zuinig op bent, voor sommige mensen is dat bijv. een auto)
  29. Je mag wel alles eten, maar niet alles weten. (=Ik hoef je Niet alles te vertellen.)
  30. moeten is dwang en huilen is kindergezang (=ik wil het wel doen, maar Niet als het me verplicht wordt)
  31. geen haar op mijn hoofd die er aan denkt (=ik wil hiermee Niet akkoord gaan)
  32. je kunt wel dansen, ook al is het niet met de bruid (=je kunt je best amuseren ook al is het Niet altijd precies wat je zou willen)
  33. Het zijn niet al ridders die sporen dragen (=Je kunt Niet alleen aan iemands uiterlijk afleiden of hij ergens geschikt voor is)
  34. men moet de snaren niet te sterk spannen (=je moet Niet al te streng zijn, Niet al te veel eisen)
  35. de huid van de beer niet verkopen voor hij geschoten is (=je moet Niet al willen genieten van wat men nog niet verworven heeft)
  36. zich wel voor de kop kunnen slaan (=kwaad zijn op zichzelf over het feit dat men ergens Niet aan gedacht heeft)
  37. er blijft veel aan maat en strijkstok hangen (=lang Niet alles komt op zijn plaats terecht)
  38. men moet van zijn kantje blijven (=men mag hem Niet aanraken, hij is Niet aanspreekbaar)
  39. men moet geen struif om een ei bederven (=men moet het geheel Niet afkeuren voor één gebrek)
  40. men moet een paard de rug niet stukrijden (=men moet Niet altijd te veel eisen)
  41. van de hand slaan/wijzen (=Niet aannemen)
  42. de handen thuis houden (=Niet aanraken)
  43. op het appèl ontbreken (=Niet aanwezig zijn)
  44. van dik hout zaagt men planken (=Niet al te nauwkeurig of zorgvuldig werken)
  45. geen groot licht zijn (=Niet al te slim zijn)
  46. alle vis is geen bakvis (=Niet alles is even dienstig (of handelbaar of lekker))
  47. ik ben Sinterklaas niet (=Niet alles voor niks doen)
  48. het maar in het midden laten (=Niet argumenteren)
  49. alle hout is geen timmerhout (=niet iedereen beschikt over dezelfde kwaliteiten / Niet alles is van voldoende kwaliteit)
  50. krakende wagens lopen/rijden het langst (=nieuw hoeft Niet altijd beter te zijn / mensen die vaak ziek zijn worden vaak toch heel oud)

Het dialectenwoordenboek kent 3427 spreekwoorden met `Niet a`

  1. Leuvens: poapeplekker (=nietsnut)
  2. Liwwadders: o nietan (=of niet dan)
  3. Texels: Dot is toch ellef en een oortje (=Niets waard)
  4. Genneps: tís mèr un ert (=klein, nietig zijn)
  5. Heerlens: mit d'r baat waggele (=nietszeggend reageren)
  6. Hendrik-Ido-Ambachts: je mot nie lullen (=klets nietl)
  7. Veurns: op niet'n trekk'n (=nergens naar lijken)
  8. Neerpelts: Nietegelujve! (=Ongelooflijk)
  9. Brakels: tstopt gelijk een mande zonder gat (=een nietszeggend einde (van film))
  10. Brugs: u stroentroaper achter den tring, medun mangde zoender gat (=een nietsnut)
  11. Westerkwartiers: dat zal mij de lauw sjakk'n (=dat interesseert mij totaal nietr)
  12. Lichtervelds: kee nietn duuvle gekreegn (=ik heb helemaal niets gekregen)
  13. Zwevegems: 'k Verstoa d'er nietekloat'n van. (=Ik versta er niets van.)
  14. Rotterdams: ja toch? Niettan? (=iemand gelijk geven)
  15. Harelbeeks: Ie n'es ginne klets in zyn oanzichte weir (=hetis een nietswaardig persoon)
  16. Harelbeeks: Ie n'es ginne klets in zyn oanzichte weir (=hij is een nietswaardig persoon)
  17. Brakels: da wezen eetij niet (=dat inzicht heeft hij niett)
  18. Amsterdams: Lamzak, Lamlul, Lapzwans, (=Nietsnut)
  19. Brakels: wor ons Irre zij goedeeten in steekt (=een nietsnut die men tolereert)
  20. Waregems: 'k 'n weete geên beskeeêt, 'k weete van niet'n (=ik ben niet ingelicht)
  21. Londerzeels: hij es geen peip zeik waait (=hij is een nietsnut)
  22. Lichtervelds: ge zie ne groîtn zeero (=je bent een nietsnut)
  23. Waregems: 't un trekt ip nietn (=dat gelijkt nergens op)
  24. Veurns: nie ol gin suuker en zeeëm zien (=nietallemaal rozengeur en maneschijn zijn)
  25. kortemarks: jee nieten in de pap te brokkn (=hij heeft er niets te zeggen)
  26. Antwerps: Ginne zjiever, hé ? (=Geen discussie, nietwaar ?)
  27. Zelzaats: 't Es e zwalpei. (=Dronken nietsnut die blijft rondhangen. Of nietsnut die van geen hout pijlen weet te maken.)
  28. Langemarks: tschilde an nieten of en a prys (=Hij had bijna prijs)
  29. Munsterbilzen - Minsters: bel mich mèr as ge traut zit (=met mij moet je geen welles-nietes spelleke)
  30. Tilburgs: tis tòch stèèrk war ! (=het is toch bijna niet te geloven, nietwaar !)
  31. Veurns: 't is nie ol gin goed dat blienkt, en slicht da stienkt! (=Nietalles wat blinkt is goud, en Niet alles wat stinkt is slecht.)
  32. Munsterbilzen - Minsters: das ne Jan men kloete (='t is een nietsnut)
  33. Waregems: van niets vervoard zijn (=van niets bang zijn/niet terugdeinzen)
  34. Tilburgs: kiek is ofter kiek en aster kiek, nie kieke (=kijk eens of hij kijkt en als hij kijkt nietkijken)
  35. Westerkwartiers: wel niet woagt, wel niet wint (=wie niets probeert bereikt ook niets)
  36. Tilburgs: dè-s un kösselek kedoo, war (=dat is een kostbaar cadeau, nietwaar)
  37. Tilburgs: tis toch euweg sund war! (=dat is nu toch echt jammer,nietwaar!)
  38. Sint-Niklaas: rjein de knots (=niets)
  39. Antwerps: ni veel soeps (=niets bijzonders)
  40. Bilzers: nie viël sops (=niets bizonders)
  41. Turnhouts: das niks van pettik (=dat is niets bijzonder/niet belangerijk)
  42. Sint-Niklaas: niet nie meer (=niets meer)
  43. Westerkwartiers: die zit niet veur zwitvoet'n ien de bak (=die zit niet voor niets in de bajes)
  44. Bilzers: nul de botte (=helemaal niets)
  45. Aalsters: van krommenoos geboren (=niets weten)
  46. Aarschots: 't Is noppes (=Het is niets)
  47. Hams: Niets genauderd (=Het brengt niet op)
  48. Waregems: da 'n broochte niets ip (=dat leverde niets op)
  49. Lichtervelds: ge kunt gièène kei vloan (=van iemand die niets heeft moet je niets verwachten)
  50. Waregems: ie 'n es gieëne stamp teeën z'n klooëtn wird, ie 'n es gieën roste kluite wird (=het is een nietsnut)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen