Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


331 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Niet`

  1. `t Mag vloeien, `t mag ebben. Die Niet waagt zal `t Niet hebben (=Je moet niet denken als je niets onderneemt dat ze het dan bij je thuis komen bezorgen)
  2. aalmoezen geven verarmt Niet (=van een aalmoes te geven wordt men zelf niet armer)
  3. aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes Niet. (Naar Hieronymus van Alphen) (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden)
  4. aan mijn nooit Niet (=geen sprake van)
  5. aan zijn eerste leugen Niet gebarsten en voor zijn tweede Niet opgehangen zijn (=een grote leugenaar zijn)
  6. Aken en Keulen zijn Niet op één dag gebouwd (=voor een uitgebreide klus heb je meer tijd nodig)
  7. als de berg Niet tot Mohammed komt, zal Mohammed tot de berg gaan (=genoegen nemen met wat er beschikbaar/mogelijk is)
  8. als de boeren Niet meer klagen en de pastoors Niet meer vragen, dan nadert het einde der dagen (=sommige mensen veranderen nooit)
  9. Als ik ze Niet hoef te hoeden laat ik de ganzen ganzen zijn (=Ik bemoei me niet met andermans zaken als het niet hoeft)
  10. als katten muizen, mauwen ze Niet (=wanneer je aan het eten bent, praat je niet zoveel)
  11. als Niet komt tot iet dan is het allemans verdriet (=een 'parvenu' heeft dikwijls kapsones)
  12. als Niet komt tot iet kent iet zichzelf Niet (=een 'parvenu' heeft dikwijls kapsones)
  13. baat het Niet, schaadt het Niet (=iets kan helpen, maar als het niet helpt zal het geen problemen geven)
  14. blaffende honden bijten Niet (=zij die het hardst roepen, zijn het minst gevaarlijk)
  15. bomen ontmoeten elkaar Niet, mensen wel (=de kans dat je iemand toevallig tegenkomt is groot)
  16. breek me de bek Niet open (=begin daar maar niet over, want daar kan ik heel veel negatieve dingen over vertellen)
  17. daar kan de schoorsteen Niet van roken (=dat brengt niets op / men kan niet alleen van vriendelijke woorden leven)
  18. daar kan Niets van inkomen (=dat zal niet lukken)
  19. Daar wordt Niet hard op gebikt. (=Met tegenzin eten.)
  20. dat gaat je Niet in de kouwe/koude kleren zitten (=dat is heel ingrijpend. Daar ben je niet snel overheen (bijvoorbeeld een traumatische ervaring))
  21. dat is alleen voor pater en mater en Niet voor het hele convent (=dat is voor jou te hoog gegrepen)
  22. dat kan al het water van de zee Niet afwassen (=daar is niets aan te doen - dat kan je niet wegpraten)
  23. dat kan Bruin(tje) Niet trekken (=dat kunnen we ons niet veroorloven (afgeleid van een populaire naam voor trekpaarden))
  24. Dat kan het paard Niet trekken. (=Daar heb ik onvoldoende geld voor)
  25. dat moet je Niet uitpoetsen/uitvlakken (=dat is ernstiger dan het lijkt)
  26. dat paard zal mij Niet meer slaan (=dat zal mij niet meer gebeuren)
  27. Dat paard zal mij Niet meer slaan. (=Voortaan zal ik beter oppassen)
  28. dat raak je aan de straatstenen Niet kwijt (=dat is niet te verkopen)
  29. dat raakt mijn koude kleren Niet (=ergens niets mee te maken hebben en zich niet voor interesseren)
  30. dat staat Niet in zijn woordenboek (=dat kent hij niet, daar doet hij niet aan mee, heeft hij nog nooit van gehoord)
  31. dat vlas is Niet te spinnen (=daar is niets mee te beginnen)
  32. dat wast al het water van de zee Niet af (=iets is niet meer te veranderen/aan te passen)
  33. dat zal hem Niet glad zitten (=iets zal niet meevallen en moeilijk zijn)
  34. dat zal mijn klomp Niet roesten (=ik maak me er niet druk om; het kan mij niet schelen)
  35. dat zijn ze Niet die `t Wilhelmus blazen (=dat zijn onze vrienden niet)
  36. De aardappelen komen Niet voor de eikenblaren (=Boerenregel. De aardappelplant begint te groeien als de eik in het blad komt)
  37. de appel valt Niet ver van de stam/boom (=kinderen lijken vaak op de ouders )
  38. de boog kan Niet altijd gespannen zijn (=men moet zich soms ook kunnen ontspannen)
  39. de dorsende os zult gij Niet muilbanden (=iemand die voor je werkt moet je goed behandelen)
  40. de druiven zijn zuur (zei de vos maar hij kon er Niet bij) (=van iets dat men niet krijgen kan, zeggen dat men het niet wil)
  41. De één mag een paard stelen, de ander mag Niet over het hek kijken. (=Sommigen mogen alles, anderen mogen niets)
  42. de eindjes (Niet) aan elkaar knopen (=(niet) rond komen (met z'n inkomen))
  43. De ene bedelaar ziet de andere Niet graag voor de deur staan (=Men is bang voor concurrentie)
  44. de ene kraai pikt de andere de ogen Niet uit (=ze benadelen elkaar niet)
  45. De ganzen geloven Niet dat de kuikens hooi eten. (=Zelfs bij domme mensen vinden ongerijmdheden geen geloof.)
  46. De haring braadt hier Niet (=Het gaat niet zoals het zou moeten)
  47. de huid van de beer Niet verkopen voor hij geschoten is (=je moet niet al willen genieten van wat men nog niet verworven heeft)
  48. de kap maakt de monnik Niet (=aan het uiterlijke kan men het innerlijke niet beoordelen)
  49. de kleintjes vallen Niet groot (=wordt gezegd als eerder kleine vruchten verkocht worden)
  50. de klok hebben horen luiden maar Niet weten waar de klepel hangt (=ergens over gehoord hebben, zonder er echt iets van af te weten)

887 betekenissen bevatten `Niet`

  1. iemand (niet) voor vol aanzien (=(Niet echt) naar iemand luisteren wanneer iemand meepraat)
  2. de eindjes (niet) aan elkaar knopen (=(Niet) rond komen (met z'n inkomen))
  3. in de ijskast zetten (=(tijdelijk) Niet uitvoeren)
  4. buiten spel blijven (=(willen) proberen Niet betrokken te zijn)
  5. De kruik gaat zolang te water tot zij barst (=1: Alles heeft zijn beperkingen. 2: De onvoorzichtige die Niet naar goede raad wil luisteren ondervindt daarvan vroeg of laat de gevolgen)
  6. Een morse muur is snel afgebroken (=1: Een slechte zaak gaat Niet lang mee. 2: Als iets slecht gemaakt wordt gaat het gemakkelijk kapot)
  7. as is verbrande turf (=aan een belofte (as = als) heb je Niets)
  8. de kap maakt de monnik niet (=aan het uiterlijke kan men het innerlijke Niet beoordelen)
  9. niet in iemands schaduw kunnen staan (=aan iemand absoluut Niet kunnen tippen)
  10. iemands maat niet kunnen halen (=aan iemand Niet kunnen tippen)
  11. Een kleine aardappel moet je niet schillen (=Aan mensen die weinig geld hebben, moet je Niet veel geld vragen)
  12. van een mooi bord kun je niet eten (=aan uiterlijk alleen heb je Niets)
  13. zo welkom als een hond in de keuken (=absoluut Niet welkom)
  14. zich Oost-Indisch doof houden (=absoluut Niet willen horen)
  15. op een letter doodblijven (=absoluut Niets veranderd willen zien)
  16. zijn snor drukken (=afwezig blijven / Zijn werk Niet doen)
  17. zonder geluk vaart niemand wel (=alleen met hard werken komt men er Niet, ook een beetje geluk is nodig om ergens te komen)
  18. om den brode doen (=alleen werken voor het geld en Niet omdat het werk fijn/leuk is)
  19. Wie weet waarom de ganzen blootsvoets gaan? (=Alles heeft een reden, ook al is die Niet altijd even duidelijk)
  20. men moet geen paaseieren op goede vrijdag eten (=alles op zijn tijd, het feest Niet te vroeg vieren)
  21. als de herder verdwaalt dolen de schapen (=als de leider het verkeerd doet weten de mensen die hem volgen Niet wat ze doen moeten)
  22. mal moertje mal kindje (=als de moeder te veel toegeeft zal het kind Niet deugen)
  23. in het donker zijn alle katten grijs/grauw (=als de situatie Niet duidelijk is, zijn de zaken Niet goed te beoordelen)
  24. het is maar een weet (=als het eenmaal bekend is, is het Niet moeilijk meer)
  25. gezelligheid kent geen tijd (=als het gezellig is, is het Niet erg als het wat later wordt)
  26. Als de boter duur wordt, leert men het brood droog eten. (=Als het Niet anders kan, is men ook met minder tevreden.)
  27. morgen gaat het beter (=als het vandaag Niet zo best is gegaan...)
  28. dan moet de wal het schip maar keren (=als iemand Niet vooraf rekening houdt met een naderend probleem, dan moet het probleem maar daadwerkelijk in volle omvang ontstaan, en dan alsnog worden opgelost)
  29. lieg ik, dan lieg ik in commissie (=als ik Niet de waarheid vertel komt dat omdat ik Niet beter weet of vertel wat anderen vertellen)
  30. als honden konden bidden zou het kluiven regenen (=als is een Niet ter zake doende opmerking)
  31. laat uw linkerhand niet weten wat uw rechterhand doet (=als je een ander geld geeft kun je dat beter stilhouden want anderen hoeven het Niet te weten)
  32. wie het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het meest (=als je ergens nauw bij betrokken bent, geNiet je het meeste voordeel ervan)
  33. grijze haren zijn kerkhofsbloemen (=als je grijze haren krijgt, ben je Niet zo ver van het kerkhof)
  34. wie appelen vaart, die appelen eet (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geNiet daar doorgaans zelf ook van)
  35. wie zwijgt, stemt toe (=als je het ergens Niet mee eens bent, moet je het zeggen)
  36. niet geschoten is altijd mis (=als je het Niet probeert, komt er ook niks van)
  37. een spiering is vis als er anders niet is (=als je honger hebt, ben je Niet kieskeurig / bij gebrek aan beter)
  38. ongevraagd, ongeweigerd (=als je iets doet waarvoor geen toestemming is gevraagd kan het achteraf Niet meer geweigerd worden omdat het al gebeurd is)
  39. van uitstel komt afstel (=als je iets Niet meteen doet, loop je het risico dat het nooit meer gebeurt)
  40. uitstel is geen afstel (=als je iets uitstelt wil dat nog Niet zeggen dat je het nooit meer gaat doen)
  41. wee de wolf die in een kwaad gerucht staat (=als je je goede naam verliest is die haast Niet terug te winnen)
  42. als de zon een mestvaalt beschijnt, dan verspreidt deze een onaangename geur (=als je met goede wil ergens te veel aandacht aan besteedt kan het verkeerd opgevat worden. / Met alle goede wil van de wereld kun je sommige zaken nog Niet verbeteren)
  43. Waar geen aardappelen gepoot worden, zullen er ook geen groeien (=Als je Niet een goed begin voor iets legt, zal er ook Niets van worden)
  44. geen bericht is goed bericht (=als je Niet weet hoe het met iets of iemand gaat, kun je ervan uitgaan dat het goed gaat, zolang je geen slecht bericht ontvangt)
  45. gissen doet missen (=als je Niet zeker bent van je zaak maar gokt, gaat het meestal fout)
  46. een geplaveide weg is des duivels oorkussen (=als je Niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze Niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
  47. oude liefde roest niet (=als men al lang verliefd is, verdwijnt die liefde Niet meer)
  48. Oude paarden jaagt men aan de dijk. (=Als men de taak Niet meer goed aankan, wordt men ontslagen)
  49. Een gegeven paard mag men niet in de bek kijken. (=Als men een geschenk krijgt, dan moet men Niet zoeken of er hier of daar wat aan mankeert.)
  50. Men moet de schapen scheren maar niet villen (=Als men uit hebberigheid de inkomstenbron opoffert heeft men Niets meer voor in de toekomst)

Het dialectenwoordenboek kent 3427 spreekwoorden met `Niet`

  1. Leuvens: poapeplekker (=Nietsnut)
  2. Liwwadders: o Nietan (=of Niet dan)
  3. Texels: Dot is toch ellef en een oortje (=Niets waard)
  4. Genneps: tís mèr un ert (=klein, Nietig zijn)
  5. Heerlens: mit d'r baat waggele (=Nietszeggend reageren)
  6. Hendrik-Ido-Ambachts: je mot nie lullen (=klets Nietl)
  7. Veurns: op Niet'n trekk'n (=nergens naar lijken)
  8. Neerpelts: Nietegelujve! (=Ongelooflijk)
  9. Brakels: tstopt gelijk een mande zonder gat (=een Nietszeggend einde (van film))
  10. Brugs: u stroentroaper achter den tring, medun mangde zoender gat (=een Nietsnut)
  11. Westerkwartiers: dat zal mij de lauw sjakk'n (=dat interesseert mij totaal Nietr)
  12. Lichtervelds: kee Nietn duuvle gekreegn (=ik heb helemaal Niets gekregen)
  13. Zwevegems: 'k Verstoa d'er Nietekloat'n van. (=Ik versta er Niets van.)
  14. Rotterdams: ja toch? Niettan? (=iemand gelijk geven)
  15. Harelbeeks: Ie n'es ginne klets in zyn oanzichte weir (=hetis een Nietswaardig persoon)
  16. Harelbeeks: Ie n'es ginne klets in zyn oanzichte weir (=hij is een Nietswaardig persoon)
  17. Brakels: da wezen eetij Niet (=dat inzicht heeft hij Niett)
  18. Amsterdams: Lamzak, Lamlul, Lapzwans, (=Nietsnut)
  19. Brakels: wor ons Irre zij goedeeten in steekt (=een Nietsnut die men tolereert)
  20. Waregems: 'k 'n weete geên beskeeêt, 'k weete van Niet'n (=ik ben Niet ingelicht)
  21. Londerzeels: hij es geen peip zeik waait (=hij is een Nietsnut)
  22. Lichtervelds: ge zie ne groîtn zeero (=je bent een Nietsnut)
  23. Waregems: 't un trekt ip Nietn (=dat gelijkt nergens op)
  24. Veurns: nie ol gin suuker en zeeëm zien (=Nietallemaal rozengeur en maneschijn zijn)
  25. kortemarks: jee Nieten in de pap te brokkn (=hij heeft er Niets te zeggen)
  26. Antwerps: Ginne zjiever, hé ? (=Geen discussie, Nietwaar ?)
  27. Zelzaats: 't Es e zwalpei. (=Dronken Nietsnut die blijft rondhangen. Of Nietsnut die van geen hout pijlen weet te maken.)
  28. Langemarks: tschilde an Nieten of en a prys (=Hij had bijna prijs)
  29. Munsterbilzen - Minsters: bel mich mèr as ge traut zit (=met mij moet je geen welles-Nietes spelleke)
  30. Tilburgs: tis tòch stèèrk war ! (=het is toch bijna Niet te geloven, Nietwaar !)
  31. Veurns: 't is nie ol gin goed dat blienkt, en slicht da stienkt! (=Nietalles wat blinkt is goud, en Niet alles wat stinkt is slecht.)
  32. Munsterbilzen - Minsters: das ne Jan men kloete (='t is een Nietsnut)
  33. Waregems: van Niets vervoard zijn (=van Niets bang zijn/Niet terugdeinzen)
  34. Tilburgs: kiek is ofter kiek en aster kiek, nie kieke (=kijk eens of hij kijkt en als hij kijkt Nietkijken)
  35. Westerkwartiers: wel Niet woagt, wel Niet wint (=wie Niets probeert bereikt ook Niets)
  36. Tilburgs: dè-s un kösselek kedoo, war (=dat is een kostbaar cadeau, Nietwaar)
  37. Tilburgs: tis toch euweg sund war! (=dat is nu toch echt jammer,Nietwaar!)
  38. Sint-Niklaas: rjein de knots (=Niets)
  39. Antwerps: ni veel soeps (=Niets bijzonders)
  40. Bilzers: nie viël sops (=Niets bizonders)
  41. Turnhouts: das niks van pettik (=dat is Niets bijzonder/Niet belangerijk)
  42. Sint-Niklaas: Niet nie meer (=Niets meer)
  43. Westerkwartiers: die zit Niet veur zwitvoet'n ien de bak (=die zit Niet voor Niets in de bajes)
  44. Bilzers: nul de botte (=helemaal Niets)
  45. Aalsters: van krommenoos geboren (=Niets weten)
  46. Aarschots: 't Is noppes (=Het is Niets)
  47. Hams: Niets genauderd (=Het brengt Niet op)
  48. Waregems: da 'n broochte Niets ip (=dat leverde Niets op)
  49. Lichtervelds: ge kunt gièène kei vloan (=van iemand die Niets heeft moet je Niets verwachten)
  50. Waregems: ie 'n es gieëne stamp teeën z'n klooëtn wird, ie 'n es gieën roste kluite wird (=het is een Nietsnut)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen