Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


97 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Mak`

  1. alles malletje naar malletje doen/Maken (=alles steeds weer op precies dezelfde manier doen)
  2. benen Maken (=(haastig) weggaan)
  3. bokkensprongen Maken (=van het een op het ander springen - zotte sprongen maken)
  4. captie Maken (=bezwaren/aanmerkingen maken)
  5. dat is geen punt. / Daar Maken we geen punt van (=dat is geen probleem. / Dat is helemaal geen argument)
  6. dat is Makkelijker gezegd dan gedaan (=het valt in de praktijk nog niet mee)
  7. de balans opMaken (=kijken hoe iets verlopen is; nagaan of je ergens voordeel of nadeel van hebt gehad)
  8. de blits Maken (=opvallen)
  9. de boel aan kant Maken (=opruimen)
  10. de dienst uitMaken (=vertellen wat er gebeuren moet)
  11. de kleren Maken de man (=iemands kleding bepaalt het aanzien dat hij krijgt)
  12. de tongen losMaken (=aanleiding geven tot gepraat)
  13. een gehuurd paard en eigen sporen Maken korte mijlen (=eigen bezit beschadigt men minder dan gekregen of gehuurd bezit)
  14. Een gehuurd paard en eigen sporen Maken korte mijlen. (=Men is geneigd andermans spullen te misbruiken)
  15. een goede beurt Maken (=iets heel goed doen, een goede indruk maken)
  16. een kattenrug Maken (=diep buigend groeten)
  17. een lange neus Maken (=tong uitsteken, iemand iets inpeperen (Jaloers maken))
  18. een put Maken om een andere te vullen (=met de ene lening de vorige afbetalen)
  19. één uur van onbedachtzaamheid, kan Maken dat men jaren schreit (=één moment van onvoorzichtigheid kan verschrikkelijke gevolgen hebben)
  20. een vuist Maken (=krachtig opstellen)
  21. er een potje van Maken (=er een janboel van maken)
  22. er gaan veel Makke schapen in een hok (=met inschikkelijke mensen is meer mogelijk)
  23. er geen tekeningetje bij moeten Maken (=het is overduidelijk)
  24. er is geen chocola van te Maken (=het is niet te begrijpen)
  25. er nachtwerk van Maken (=laat opblijven)
  26. er zijn mond niet aan vuil Maken (=er niets over willen zeggen)
  27. ergens een halszaak van Maken (=iets heel erg aantrekken en ernstig nemen)
  28. ergens geen woorden aan vuilMaken (=er niets eens over spreken)
  29. ergens werk van Maken (=ergens mee aan de gang gaan)
  30. geen bokkensprongen kunnen Maken (=weinig geld hebben om extra dingen te kunnen kopen)
  31. geen cent te Makken hebben (=weinig te besteden hebben)
  32. geen complimenten Maken met (=niet ontzien, beslist optreden)
  33. geen plaatje Maken (=er niet geweldig uitzien)
  34. geen slapende honden wakker Maken (=beter niet over een bepaald onderwerp beginnen / aan mensen die ergens niets van weten en het er wellicht niet mee eens zijn, niets erover vertellen)
  35. geluk is de kunst een boeket te Maken van de bloemen waar je bij kunt (=gelukkig leven met de gegeven mogelijkheden/beperkingen)
  36. gewag Maken van (=verwijzen naar, melding maken van)
  37. goede sier Maken (=er (overdreven) goed van leven / goed overkomen bij anderen)
  38. het erg bont Maken (=zich al te fel te buiten gaan)
  39. het iemand warm Maken (=iemand in moeilijkheden brengen)
  40. het uitMaken (=een relatie beëindigen)
  41. hij is zo stoned als een garnaal (ook Makreel) (=hij is stomdronken)
  42. iemand beest Maken (=kaartspel : zorgen dat iemand geen enkele slag haalt)
  43. iemand blij Maken met een dode mus (=iemand iets goeds in het vooruitzicht stellen, dat uiteindelijk waardeloos zal blijken te zijn)
  44. iemand een kopje kleiner Maken (=iemand vermoorden)
  45. iemand ergens voor warm Maken (=iemands interesse voor iets opwekken)
  46. iemand het hof Maken (=aardig tegen iemand doen in de hoop aardig gevonden te worden)
  47. iemand iets diets Maken (=iemand iets wijs maken)
  48. iemand kunnen Maken en breken (=de mogelijkheid hebben te beslissingen over iemands leven en dood en welbevinden)
  49. iemand uitMaken voor rotte vis (=iemand uitschelden voor alles wat mooi en lelijk is)
  50. iemand van kant Maken (=iemand doden)

223 betekenissen bevatten `Mak`

  1. het zwaard aangorden (=(zich klaarMaken om) de strijd aan (te) binden)
  2. Een morse muur is snel afgebroken (=1: Een slechte zaak gaat niet lang mee. 2: Als iets slecht gemaakt wordt gaat het geMakkelijk kapot)
  3. aan de veren kent men de vogel (=aan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te Maken hebt)
  4. van de daken schreeuwen (=aan iedereen luid kenbaar Maken)
  5. long en lever verteren (=alles opMaken)
  6. vele handen maken licht werk (=als een karwei samen wordt opgepakt is het snel en geMakkelijk gedaan)
  7. de kat de bel aanbinden (=als eerste een begin Maken aan iets moeilijks (een lastige klus of een ingewikkeld gesprek))
  8. als een warm mes door de boter (=als iets erg Makkelijk of geleidelijk gaat)
  9. wie a zegt moet ook b zeggen (=als je eenmaal ergens aan begonnen bent, moet je het ook afMaken)
  10. gedeelde smart is halve smart (=als je over problemen praat, dan kan je het Makkelijker verwerken / door de problemen/ellende van een ander is het geMakkelijker de eigen problemen/ellende te dragen)
  11. wie zijn klomp breekt, schiet gemakkelijk uit zijn slof (=als je wordt teleurgesteld, kun je geMakkelijk boos worden)
  12. waar twee kijven hebben twee schuld (=beide personen hebben schuld als ze ruzie met elkaar Maken)
  13. aan het klokzeel hangen (=bekend Maken)
  14. aan het licht brengen (=bekend Maken (bijz. van ongunstige dingen))
  15. iets aan de kaak stellen (=bekend Maken wat niet in orde is)
  16. op zijn achterste zolder jagen (=beledigen, bang Maken)
  17. captie maken (=bezwaren/aanmerkingen Maken)
  18. de ogen verblinden (=blind Maken voor de waarheid)
  19. dat gaat erin als klokspijs (=dat gaat er geMakkelijk in)
  20. dat snijdt geen hout (=dat heeft er niets mee te Maken; het bewijst niets)
  21. dat is ook geen heksen (=dat is wel heel geMakkelijk)
  22. de mens wikt, maar God beschikt (=de mensen Maken allerlei plannen, maar het is niet aan hen of dat ook gebeurt)
  23. geen zorgen voor morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=de moeilijkheden van vandaag zijn genoeg om je zorgen over te Maken)
  24. als de ene hand de andere wast worden ze beide schoon (=de taak wordt geMakkelijk als je elkaar helpt)
  25. aan hetzelfde euvel mank gaan (=dezelfde fouten Maken als iemand anders)
  26. een ongeluk zit in een klein hoekje (=door een kleine fout kunnen geMakkelijk erg nare ongelukken gebeuren)
  27. ondervinding is de beste leermeester (=door iets zelf mee te Maken of te oefenen leert men het snelst)
  28. de derde man brengt de spraak aan (=drie hebben geMakkelijker een gesprek dan twee)
  29. aan het verstand brengen (=duidelijk Maken)
  30. aan de bel trekken (=duidelijk Maken dat er iets aan de hand is; duidelijk Maken dat er iets niet klopt)
  31. de neus optrekken (=duidelijk Maken dat men iets of iemand niet waardeert)
  32. moeten kiezen of delen (=een (vervelende) keus moeten Maken)
  33. een (modder)figuur slaan (=een belachelijke of domme indruk Maken)
  34. Een paard dat eens op hol is geslagen, kan dat snel weer doen. (=Een eens gemaakte fout, begaat men Makkelijk weer)
  35. voor het inkoppen hebben (=een eenvoudige kans om in een discussie een punt te Maken dankzij een voorzet van een ander)
  36. over de schreef gaan (=een ernstige fout Maken)
  37. een wit voetje halen (=een goede indruk Maken bij de leider(s))
  38. hoge ogen gooien (=een goede kans Maken op iets)
  39. een slok op een borrel schelen (=een groot verschil Maken)
  40. op je bek gaan (=een grote fout Maken; afgaan)
  41. stukken maken (=een grote indruk Maken , veel kapot Maken)
  42. een ridder van de el (=een kleerMaker)
  43. wie zijn naasten te schande maakt, onteert zichzelf (=een klein foutje, kan een groot geheel te schande Maken)
  44. Vast in het zadel zitten. (=Een leider die niet Makkelijk uit zijn positie te verwijderen is)
  45. belofte is een hemd der dwazen (=een nietszeggende belofte kan toch tijdelijk gelukkig Maken)
  46. een flater slaan (=een nogal domme fout Maken)
  47. bij Neck om naar Den Haag (=een onnodige omweg Maken)
  48. op oud ijs vriest het licht (=een oude kwaal komt geMakkelijk weer boven)
  49. tegen het zere been schoppen (=een pijnlijke opmerking Maken over iets wat gevoelig ligt)
  50. een slecht figuur slaan (=een slechte indruk Maken)

Het dialectenwoordenboek kent 325 spreekwoorden met `Mak`

  1. Overmeers: 'n vel Makrons (=Makrons (koekjes))
  2. Zeeuws: ouwe jongens krentebroead (=Makkers)
  3. Zeeuws: opassen oor anders kom jan iik je illen (=bang Makerij)
  4. Bocholtz: Makkedam (=asfalt)
  5. Mestreechs: zoe errem es un kerrek rat (=geen cent te Makken)
  6. Vechtdals: d'r zit gien zinnigheid an (=hij/ zij is Mak)
  7. Waregems: dad es keenderspel (=dat is een Makkie)
  8. Munsterbilzen - Minsters: de Makreil zit trop (=dat is vervloekt)
  9. Alblasserdams: hij weunt in den legen hoek (=iemand die geen cent te Makken had)
  10. Sint-Niklaas: Makkies? maggekikkies? (=mag ik eens?)
  11. Zaans: Zo Makkelek as Mariebuur (=Slordig en lui)
  12. Gronings: moakieker zeit dan doan (=Makkelijker gezegt dan gedaan)
  13. Westerkwartiers: da's Makkel'ker zeit dan doan (=dat is sneller gezegd dan gedaan)
  14. Vaals: d'r laudie fleute (=ergens Makkelijk vanaf Maken, lui zijn)
  15. Sint-Niklaas: Mak? (=mag ik?)
  16. Sint-Niklaas: ier Makeerdiets (=hier is iets niet juist (niet pluis))
  17. Zaans: 't Vriest Makkelek op een oud skotsie (=Jong geleerd, oud gedaan)
  18. Rotterdams: geen cent te Makken (=Niets te verteren, zonder gelde zitten)
  19. Zeeuws: ie ei un Makkelijk lief (=Makkelijk persoon)
  20. Poperings: Akk 'en ze Makke (=Onscheidbare vrienden)
  21. Oudenbosch: ij schiet Makkeluk uit z n pak (=hij valt vaak uit)
  22. Bargoens: geen cent te Makke (=niets hebben)
  23. Mechels (BE): van uilesen tèppe Make (=lawaai Maken - rusie Maken)
  24. Aalsters: Mak isj deir (=mag ik u even passeren ?)
  25. Munsterbilzen - Minsters: noëvenant datter Makkementëg ès, worter altijd ollëg (=alhoewel hij gebrekkig is, was hij toch altijd bezig)
  26. Munsterbilzen - Minsters: da lëp Makkemêntëg (=dat loopt niet van een leien dak)
  27. Zeeuws: nie van je neuze Makn (=niet zo hoog van de toren blazen)
  28. Antwerps: Mak â ies tegen mene jillée trekken (=iemand willen omhelzen)
  29. Westlands: Makkie an doen (=het rustig aan doen)
  30. Antwerps: Mak auwe gank is witte (=Mag ik met u naar bed)
  31. Arnhems: hé jij een Makke Duutser (=je hebt een blunder begaan)
  32. Zwols: IJ ef gien cent te Makke (=Hij heeft geen geld)
  33. Zeeuws: ze leevn uut ut kurfje zonder zurruhun (=Makkelijk leven)
  34. Westerkwartiers: die is Mak ien alle zeel'n (=die voelt zich overal thuis)
  35. Haags: kakkuh zondah dâwée (=Als iets Makkelijk is)
  36. Zeeuws: da hoeng nie van eihhes (=niet Makkelijk)
  37. Zeeuws: tis illen en briengen (=niet Makkelijk)
  38. Haarlems: ik heb geen piek meer, ik heb geen cent te Makken (=ik heb geen geld (meer) / ik ben platzak)
  39. Sint-Niklaas: kang nog mor alleen ô Makoar mè oaken en oûgen (=ik heb overal pijn)
  40. Sittards: te Make haet mit (=te Maken heeft met)
  41. Eindhovens: Da ken hendig (=Dat kan Makkelijk)
  42. Munsterbilzen - Minsters: de hëbs sjaun kalle (=je hebt Makkelijk praten)
  43. Dordts: Das kakke zonder douwe (=Dat is Makkelijk te doen)
  44. Tegels: Dae Mak zig vuer unne sjoènen hieès neet bang (=Goh, wat is die man dik)
  45. Harelbeeks: Ie Mak nog oal goe van zyn'n deuvle (=Hij maakt zich nogal boos)
  46. Zeeuws: Mak us even aije zitten (=ergens niet goed bij kunnen)
  47. Drents: kaokeln is gien kuunst, maor eierleggen wal (=kakelen is geen kunst, maar eieren leggen wel -> Makkelijker gezegd dan gadaan)
  48. Zeeuws: de mikker [Maker] leef nog (=gebroken servies e d)
  49. Steins: Doe höbs good kalle !! (=Dat is Makkelijk gezegd)
  50. Waregems: ten oudt niet in/ 't es goe te doen(e) (=het is Makkelijk realiseerbaar)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen