Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


2 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `MINSTE`

  1. die de MINSTE tanden hebben, kauwen het meest (=de domste mensen voeren gewoonlijk het hoogste woord.)
  2. men moet van twee kwaden het MINSTE kiezen (=als er enkel slechte oplossingen zijn, kiest men de minst slechte)

8 betekenissen bevatten `MINSTE`

  1. paarden die haver verdienen krijgen ze niet. (=de mensen die het hardste werken, krijgen het MINSTE geld)
  2. sijmen betaalt. (=diegene die het MINSTE verdient draagt de kosten)
  3. een hazeslaapje (=een slaap, die zo licht is, dat men bij 't MINSTE geluid wakker wordt)
  4. er kan geen luis over zijn lever lopen (=hij windt zich voor het MINSTE op)
  5. er loopt hem een luis over de lever (=hij windt zich voor het MINSTE op)
  6. langzaam aan, dan breekt het lijntje niet. (=je kunt beter rustig doorwerken, dan kan er het MINSTE fout gaat)
  7. holle vaten bommen/klinken het hardst. (=wie er het MINSTE verstand van heeft, verkondigt het luidst zijn mening)
  8. zonder slag of stoot (=zonder het MINSTE probleem)

Het dialectenwoordenboek kent 2554 spreekwoorden met `MINSTE`

  1. Munsterbilzen - Minsters: mètte wènd mèt draeë (=bij het MINSTE van politieke kleur veranderen)
  2. Lichtervelds: tis oolsan van aj en oej (=hij klaagt van het MINSTE ongemak)
  3. Sint-Niklaas: das 't MINSTE va min zurgen (=daar ben ik niet bezorgd om)
  4. Munsterbilzen - Minsters: én MINSTEr lik ook e graut gestich, e gekkehaus nieme ze dat nog per abuis, mér de echte gekken loope nog vraaj rond ént dürp (=Het St Jozefsinstituut herbergt heel wat mensen die geestelijke verzorging nodig hebben, vroeger gekken genoemd, maar die lopen er genoeg los in het dorp zelf)
  5. Munsterbilzen - Minsters: verhiemele (=verdorie!)
  6. Waregems: rijz' an rijze/ rijzerijze (=tot de rand/ tot op zekere hoogte gevuld (MINSTEns twee))
  7. Munsterbilzen - Minsters: Tsjik volk èn MINSTEr, Kebotseküp daaj vrigger vieël (zwat) geld verdiende mèt bloeme en plante (=Een mooi volkje in Munster, die Kabotsekoppen, die zich (indertijd met veel in het zwart te doen) rijk maakten met bloemen en planten)
  8. Bilzers: daaj moeste MINSTEs ne meiter boëve hërre kop raoke vër ze daud te sjiete (=dat is een ingebeelde truut)
  9. Munsterbilzen - Minsters: wit spier (=blondine)
  10. Munsterbilzen - Minsters: stijten en broeksjijten (=bluffen)
  11. Munsterbilzen - Minsters: zen pijp autkloppe (=doodgaan)
  12. Munsterbilzen - Minsters: zoe los assen mieëlepoeët (=gek)
  13. Munsterbilzen - Minsters: dër de band (=gemiddeld)
  14. Munsterbilzen - Minsters: tès krimmeneil (=het is wraakroepend)
  15. Munsterbilzen - Minsters: zoe maoger assen rie (=graatmager)
  16. Munsterbilzen - Minsters: autte koje (=groot geworden)
  17. Munsterbilzen - Minsters: gene mwajae (=hopeloos)
  18. Munsterbilzen - Minsters: das niks (=graag gedaan)
  19. Munsterbilzen - Minsters: arrozjiëre (=in orde brengen)
  20. Munsterbilzen - Minsters: slappe kos (=matige vertoning)
  21. Munsterbilzen - Minsters: tzal wir wol ieëverwaeë (=Noentje)
  22. Munsterbilzen - Minsters: autte losse pols (=ongegeneerd)
  23. Munsterbilzen - Minsters: vür sjaajnes (=niet echt)
  24. Munsterbilzen - Minsters: laajs vange (=niets doen)
  25. Munsterbilzen - Minsters: gehaspel-gekloemel (=onhandig gedoe)
  26. Munsterbilzen - Minsters: zoe stil asse maajske (=muisstil)
  27. Munsterbilzen - Minsters: van zenen tak maoke (=protesteren)
  28. Munsterbilzen - Minsters: opstand maoke (=opspelen)
  29. Munsterbilzen - Minsters: leed sjendaol (=smeerlap)
  30. Munsterbilzen - Minsters: on zen in koëme (=sterven)
  31. Munsterbilzen - Minsters: zoe erm as Joep (=straatarm)
  32. Munsterbilzen - Minsters: köpke onder gon (=verliezen)
  33. Munsterbilzen - Minsters: verzoeëpe kat (=verregend persoon)
  34. Munsterbilzen - Minsters: bedörve stront (=verwend kind)
  35. Munsterbilzen - Minsters: m (=schrik hebben)
  36. Munsterbilzen - Minsters: zene gielis volgoje (=schrokken)
  37. Munsterbilzen - Minsters: iëver den top zeeke (=overdrijven)
  38. Munsterbilzen - Minsters: verliefdigh (=liefde is blind)
  39. Munsterbilzen - Minsters: noë de kloete helpe (=verprutsen)
  40. Munsterbilzen - Minsters: foetsjie (zin) (=weg (zijn))
  41. Munsterbilzen - Minsters: on de graute klok hange (=uitbazuinen)
  42. Munsterbilzen - Minsters: asse fleetsje vannen sent (=vanzelf)
  43. Munsterbilzen - Minsters: de floepers höbbe (=angst hebben)
  44. Munsterbilzen - Minsters: kommendant vant sjijthaus (=baas van mijn voeten)
  45. Munsterbilzen - Minsters: geen pap mei konne zègge (=bekaf zijn)
  46. Munsterbilzen - Minsters: besjieëte trautkoeëme (=belabberd er vanaf komen)
  47. Munsterbilzen - Minsters: nöë de krup/troëg gon (=aan tafel komen)
  48. Munsterbilzen - Minsters: de ooge autstaeke (=afgunstig maken)
  49. Munsterbilzen - Minsters: zenen troeëg liëg aete (=alles opeten)
  50. Munsterbilzen - Minsters: de bès zjus nen hoote sinterkloës (=beweeg eens wat !)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen