Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


68 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `LEI`

  1. aan de LEIband lopen (=erg volgzaam zijn)
  2. aan iemands LEIband (=door iemand geleid)
  3. alle wegen LEIden naar Rome (=er zijn veel manieren om je doel te bereiken / de uitkomst is altijd hetzelfde)
  4. alles kort en kLEIn slaan (=de hele inboedel kapot slaan)
  5. als bliksemafLEIder fungeren (=iemand die of iets dat de boze bui van iemand kan afleiden)
  6. als een lam ter slachtbank geLEId worden (=weerloos zijn)
  7. als een olifant in de porseLEInkast (=buitengewoon onvoorzichtig of tactloos)
  8. arbeiden als een gaLEIslaaf (=erg hard werken)
  9. beter kLEIne meester dan grote knecht (=liever een bescheiden zelfstandige dan een grote knecht bij een baas)
  10. dan is LEIden in last. (=dan zijn er problemen!)
  11. dat ging van een LEIen dakje. (=dat ging vanzelf.)
  12. de grote vissen eten de kLEIne (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas zegt)
  13. de grote vissen eten de kLEIne (=de grote (mensen) verdringen de kleine of geringen)
  14. de kLEIntjes vallen niet groot (=wordt gezegd als eerder kleine vruchten verkocht worden)
  15. een grote lantaarn en een kLEIn licht (=veel praat, maar weinig verstand)
  16. een kLEIn hartje hebben (=weinig durven/gauw bang zijn)
  17. een kLEIn lek doet een groot schip zinken. (=een geringe onachtzaamheid kan tot grote schade leiden.)
  18. een kLEIn visje een zoet visje (=een klein voordeel of winstje dat ook met weinig moeite is verkregen)
  19. een kLEIn visje is een zoet visje (=je moet ook met weinig tevreden kunnen zijn)
  20. Een kLEIne aardappel moet je niet schillen (=Aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  21. een ongeluk zit in een kLEIn hoekje. (=door een kleine fout kunnen gemakkelijk erg nare ongelukken gebeuren)
  22. een pLEIster op de wonde leggen (=iets troostends aanbieden)
  23. er is geen ijs of het kost mensenvLEIs (=als er ijs op de sloten en vijvers ligt, verdrinken er altijd mensen)
  24. er is kLEI aan de kloet/knikker (=er is iets mis)
  25. er zijn vele wegen die naar Rome LEIden. (=er zijn meerdere manieren om iets te doen.)
  26. ergens een kLEIne jongen bij zijn (=er niet aan kunnen tippen)
  27. geen zo kLEIne sant of hij wil zijn kaars hebben (=ook de mindere machten moet men gunstig stemmen)
  28. Groot bal op kLEIne aardappelen (=Boven zijn stand leven)
  29. grote lantaren kLEIn licht (=een groot hoofd met weinig verstand)
  30. grote parade en kLEIn garnizoen (=een grote vertoning maar niet veel zaaks)
  31. het geluk ligt in een kLEIn hoekje (=geluk komt onverwachts)
  32. het is een pLEIster op een houten been. (=het is een nutteloos voorstel.)
  33. het is een pLEIster op een zere wonde. (=het is bedoeld om het leed wat te verzachten.)
  34. het pLEIt beslechten/beslissen/verliezen (=de zaak definitief verliezen)
  35. het pLEIt winnen (=de zaak winnen)
  36. het zijn vogels van enerLEI veren (=ze zijn eender)
  37. het zo druk hebben als een kLEIn baasje (=veel kleine karweitjes moeten doen)
  38. hij ligt er bij als een bLEI (=hij beweegt niet (meer))
  39. iemand een kopje kLEIner maken. (=iemand vermoorden.)
  40. iemand kLEIn krijgen (=iemand laten merken dat je hem aankunt, over iemand de baas zijn en diegene tot gehoorzaamheid dwingen)
  41. iemand om de tuin LEIden (=iemand beetnemen of bedriegen)
  42. iets in goede banen LEIden. (=ervoor zorgen dat iets goed verloopt.)
  43. in de kLEInste potjes zit de beste pommade/zalf (=gezegd van uitzonderlijk kleine personen)
  44. kLEIne kopjes hebben ook oren. / KLEIne potjes hebben grote oren. (=je moet uitkijken met wat je zegt als er kinderen bij zijn)
  45. kLEIne oorzaken, grote gevolgen. (=kleine dingen kunnen groete gevolgen hebben)
  46. kLEIne potjes hebben grote oren. (=je moet uitkijken met wat je zegt als er kinderen bij zijn.)
  47. kLEIne potjes hebben ook oren / KLEIne potjes hebben grote oren (=ook kleine kinderen luisteren mee)
  48. kLEIne vossen bederven de wijngaard. (=kleine fouten kunnen zorgen voor grote problemen in het geheel)
  49. LEIden in last zijn (=een echt probleem zijn)
  50. met een jantje van LEIden aflopen (=wel meevallen)

120 betekenissen bevatten `LEI`

  1. op kop staan (=aan de LEIding staan)
  2. de tongen losmaken (=aanLEIding geven tot gepraat)
  3. lief en leed delen (=allerLEI plezierige en droevige dingen met elkaar beleefd hebben)
  4. iemand over de hekel halen (=allerLEI slechte dingen vertellen over iemand)
  5. als de herder verdwaalt dolen de schapen. (=als de LEIder het verkeerd doet weten de mensen die hem volgen niet wat ze doen moeten)
  6. men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan. (=als er allerLEI vervelende dingen worden verteld is er vast wel iets van waar)
  7. als een warm mes door de boter. (=als iets erg makkelijk of geLEIdelijk gaat.)
  8. wie hoog klimt kan laag vallen. (=belangrijke zaken snel kwijt raken door kLEIne dingen)
  9. op de poot spelen (=bij de kLEInste tegenslag flink te keer gaan/razen)
  10. dat is de druppel die de emmer doet overlopen (=dat is maar een kLEIne ergernis, maar samen met wat er al gebeurd is, wordt het niet meer geaccepteerd.)
  11. dat kan ik wel in mijn holle kies stoppen (=dat is wel een heel kLEIn beetje)
  12. dat kan Bruin(tje) niet trekken (=dat kunnen we ons niet veroorloven. (afgeLEId van een populaire naam voor trekpaarden))
  13. de aanval bloedt dood (=de aanval komt geLEIdelijk uit op een mislukking.)
  14. de bezem in de mast voeren (=de baas zijn en LEIding hebben)
  15. de grote vissen eten de kleine (=de grote (mensen) verdringen de kLEIne of geringen)
  16. aan het roer zitten (=de LEIding hebben)
  17. de teugels in handen hebben/houden (=de LEIding hebben/houden)
  18. het heft in eigen hand(en) nemen (=de LEIding nemen)
  19. eerste viool willen spelen (=de meest prominente taak willen vervullen, bijvoorbeeld als LEIder of woordvoerder van de groep.)
  20. de mens wikt, maar God beschikt. (=de mensen maken allerLEI plannen, maar het is niet aan hen of dat ook gebeurt)
  21. de opgaande zon aanbidden (=de nieuwe LEIder vLEIen)
  22. de druppel die de beker/emmer doet overlopen (=de uiteindelijke aanLEIding voor een uitbarsting)
  23. dat zaakje zal wel doodbloeden (=die kwestie zal geLEIdelijk aan wel worden vergeten.)
  24. de wal keert het schip. (=door beperkingen enigerLEI niet verder kunnen)
  25. een ongeluk zit in een klein hoekje. (=door een kLEIne fout kunnen gemakkelijk erg nare ongelukken gebeuren)
  26. aan iemands leiband (=door iemand geLEId)
  27. de knoop doorhakken. (=een beslissing forceren. (AfgeLEId van het verhaal van de Gordiaanse knoop).)
  28. een klein lek doet een groot schip zinken. (=een geringe onachtzaamheid kan tot grote schade LEIden.)
  29. zijn hemel op aarde verdienen (=een goed en eerlijk leven LEIden)
  30. een wit voetje halen (=een goede indruk maken bij de LEIder(s).)
  31. een bitter beetje (=een kLEIn beetje)
  32. wie zijn naasten te schande maakt, onteert zichzelf. (=een kLEIn foutje, kan een groot geheel te schande maken.)
  33. Niet het zout op zijn patatten verdienen (=Een kLEIn inkomen hebben)
  34. een tip van de sluier oplichten (=een kLEIn stukje van het onbekende onthullen)
  35. een tipje van de sluier oplichten (=een kLEIn stukje van het onbekende onthullen)
  36. een klein visje een zoet visje (=een kLEIn voordeel of winstje dat ook met weinig moeite is verkregen)
  37. een duit in het zakje doen (=een kLEIne bijdrage doen)
  38. een loodje in het zakje doen (=een kLEIne bijdrage leveren)
  39. een duit in het zakje doen. (=een kLEIne bijdrage leveren. Historisch de kLEInst mogelijke gave in het collectezakje van de kerk.)
  40. een steentje bijdragen (=een kLEInigheid aan het grote geheel bijdragen)
  41. een visje verschalken (=een kLEInigheid meepikken)
  42. een taling uitzenden om een eendvogel te vangen (=een kLEInigheid opofferen om iets belangrijks terug te krijgen)
  43. de lange weg maakt een moede man (=een langdurige ziekte LEIdt tot uitputting)
  44. de teugels laten vieren. (=een minder streng beLEId voeren.)
  45. aan de zwabber zijn (=een onbezorgd leventje LEIden)
  46. rusten aan abrahams borst (=een rustig, aangenaam leven LEIden)
  47. te weinig om te leven en te veel om te sterven (=een te kLEIne aalmoes)
  48. een druppel op een gloeiende plaat (=een zeer kLEIne bijdrage aan iets groters)
  49. geen twee kapiteins op één schip. (=er moet maar één persoon de LEIding hebben, anders gaat het niet goed.)
  50. haardje bij schuurtje (=erg kLEIn)

Het dialectenwoordenboek kent 30 spreekwoorden met `LEI`

  1. Waregems: ie ee 't vooër 't zegn (=hij is de LEIdinggevende)
  2. Westerkwartiers: één om 'e tuun LEId'n (=iemand op het verkeerde been zetten)
  3. Zeeuws: De tange LEI in 't vier (=We hebben haast)
  4. Zeeuws: achter ieder [h]oogte LEI un pit (=dip)
  5. Waregems: ie 'n kan 't nie LEI'n, ie 'n kan ter nie teeën (=hij kan het niet verdragen)
  6. Sint-Niklaas: ne flierefluiter (=een losbandig leven LEIden)
  7. Veurns: te pissen leen (=om de tuin LEIden)
  8. Tilburgs: Gaodemee dokkelen in de laai (=ga je mee pootje baden in de LEI)
  9. Veurns: De broek draag'n (=De LEIding hebben)
  10. Westerkwartiers: we begunn'n met 'n schone LEI (=we vergeten wat er is gebeurd)
  11. Bilzers: op kop vaore (=aan de LEIding rijden)
  12. Bilzers: de kaar trékke (=zich als LEIder opwerpen)
  13. Vlijtingens: op kop voare (=aan de LEIding rijden)
  14. Munsterbilzen - Minsters: on gokke konste verslaof wiëne, wèdde op honned euro (=wedden dat gokken LEIdt tot verslaving)
  15. Londerzeels: Ei z'n aare'n oep een ander ge LEI (=Een scheve schaats rijden)
  16. Antwerps: het LEI oep men toeng (=ik kan er niet opkomen)
  17. Westels: wa LEI doa nei te spettelen ? (=wat ligt daar nu te spartelen ?)
  18. Weerts: eeme op glaad iês LEI-je (=iemand anders in de problemen brengen)
  19. leuvens: zemme me wei goe LEI (=ze hebben me weer goed beetgenomen)
  20. Leids: Hij heb een tuin op ze buik (=Hij is overleden)
  21. Gronings: Iemand de jas uitvegen (=iemand van LEIden naar Delft geven)
  22. Westerkwartiers: zij zat doar an 't roer (=zij had daar de LEIding)
  23. Leids: juh, pleur lekka je graf in (=ik vind je niet aardig)
  24. Horster: LEI, hedde geej ruuk beej oow? (=Leo, heb jij deo bij je?)
  25. Munsterbilzen - Minsters: den traajn oppet verkeirde spoeër zètte (=een hovenier om de tuin LEIden)
  26. Liemers: Achter in de tuin LEI-j meneer de Bruin hi-j had gin botte en gin vel en toch rookte hi-j wel. (=Hoop stront achter in de hof. (vers))
  27. Leids: ik teer je netten in met een bledder (=ik trap je ramen in met een voetbal)
  28. Venloos: Bezeuk en vis bliève gen dreej daag fris (=Gasten die langer dan een nacht blijven logeren, LEIden tot irritatie)
  29. Mestreechs: dao geit ut LEId op z'n zoondegs (=daar is veel verborgen leed)
  30. Kinrooi: Ins örges lekker gaon aete duit veul hoeselik LEId vergaete! (=Eens ergens lekker gaan eten, doet veel huiselijk leed vergeten!)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen