Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


18 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Kwaad`

  1. elke dag heeft genoeg aan zijn eigen Kwaad (=men moet zich niet zorgen maken over de toekomst)
  2. geen vlieg Kwaad doen (=uitsluitend goede bedoelingen hebben, niemand tot last zijn)
  3. geen zorgen voor morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen Kwaad (=de moeilijkheden van vandaag zijn genoeg om je zorgen over te maken)
  4. gierigheid is de wortel van alle Kwaad (=door gierigheid ontstaan er veel problemen en is er veel ellende in de wereld)
  5. goed geld naar Kwaad geld gooien (=geld ergens insteken waarvan bekend is dat het verlies oplevert)
  6. goedschiks of Kwaadschiks (=met of tegen de zin)
  7. het Kwaad loont zijn meester (=wie kwaad doet, kwaad ontmoet)
  8. het Kwaad straft zichzelf (=wie kwaad doet, kwaad ontmoet)
  9. kattenKwaad uithalen (=kwajongensstreken)
  10. Kwaad bloed zetten (=ongunstig onthaald worden, kwaad maken)
  11. Kwaad bloed zetten (=iemand boos maken)
  12. Met hem is het Kwaad kersen eten. (=Het is beter hem te mijden.)
  13. met hoge heren is het Kwaad kersen eten (=van de omgang met aanzienlijke personen moet men niet altijd voordeel verwachten)
  14. Tegen de stroom is het Kwaad roeien / zwemmen (=Tegen algemene opvattingen kan men zich moeilijk verzetten)
  15. van de prins geen Kwaad weten (=uiterst argeloos zijn)
  16. van Kwaad tot erger komen/vervallen (=steeds erger worden)
  17. wee de wolf die in een Kwaad gerucht staat (=als je je goede naam verliest is die haast niet terug te winnen)
  18. zo Kwaad als een spin zijn (=erg kwaad zijn)

29 betekenissen bevatten `Kwaad`

  1. fiolen van toorn over iemand uitstorten (=aan iemand duidelijk laten blijken dat je Kwaad op diegene bent)
  2. Een oorblazer (=Een Kwaadspreker)
  3. op de achterste benen staan (=erg Kwaad worden)
  4. zo kwaad als een spin zijn (=erg Kwaad zijn)
  5. iemand wel kunnen villen (=erg Kwaad zijn op iemand / Een erge hekel hebben aan iemand)
  6. de bijl aan de wortel leggen (=het Kwaad in de oorsprong trachten uit te roeien)
  7. de oude zuurdesem (=het oude Kwaad)
  8. met gelijke munt betalen (=hetzelfde Kwaad terugdoen)
  9. de kat in de gordijnen jagen (=iemand goed Kwaad maken)
  10. achter iemand zoeken (=iemand Kwaad proberen te doen)
  11. het onweer is niet van de lucht (=iets dat steeds blijft doorgaan of iemand die telkens weer Kwaad tekeer gaat)
  12. de kat(jes) in 't donker knijpen (=Kwaad doen waar niemand het ziet)
  13. uit zijn slof schieten (=Kwaad uitvallen, boos worden )
  14. de kuif opsteken (=Kwaad worden)
  15. zich wel voor de kop kunnen slaan (=Kwaad zijn op zichzelf over het feit dat men ergens niet aan gedacht heeft)
  16. over de doden niets dan goeds (=men ziet Kwaadspreken over overledenen als iets heel onbeleefd, er mag niet gespot worden met de dood)
  17. zijn gemak houden (=niet te veel werk doen, niet Kwaad worden)
  18. kwaad bloed zetten (=ongunstig onthaald worden, Kwaad maken)
  19. werken als een rode lap op een stier (=onmiddellijk erg Kwaad maken)
  20. iemand naar de keel vliegen (=op iemand erg Kwaad worden, aanvallen, ermee vechten)
  21. honi soit qui mal y pense (=schande over hem die er Kwaad over denkt)
  22. van de gaffel in de greep (=van Kwaad tot erger)
  23. het kwaad loont zijn meester (=wie Kwaad doet, Kwaad ontmoet)
  24. het kwaad straft zichzelf (=wie Kwaad doet, Kwaad ontmoet)
  25. die wind zaait zal storm oogsten (=wie Kwaad doet, zal er uiteindelijk zelf de gevolgen van dragen)
  26. uit zijn vel springen (=zeer Kwaad zijn)
  27. zich op de lippen bijten (=zich inhouden (niet lachen of Kwaad worden))
  28. zich druk maken over (=zich Kwaad maken om, zich aantrekken van)
  29. een ongeluk begaan (=zodanig Kwaad zijn dat er `n ongeluk van komt)

Het dialectenwoordenboek kent 93 spreekwoorden met `Kwaad`

  1. Vejels: die hei ne kop lak ne moeër (=een nors, Kwaadkijkend persoon)
  2. Munsterbilzen - Minsters: iemes terdoër trèkke (=van iemand Kwaadspreken)
  3. Tilburgs: hè reej um verèkkes (=hij sprong uit zijn vel van Kwaadheid)
  4. Geels: iemand de groond in bore (=van iemand Kwaadspreken)
  5. Walshoutems: Se in heur/zen eige vet loate stoave. (=Geen aandacht meer geven aan iemands Kwaadheid)
  6. Sint-Niklaas: iemand koejoneren (=het iemand Kwaadwillig zeer lastig maken)
  7. Steins: eine minsj bekalle (=Kwaadspreken over iemand;)
  8. Munsterbilzen - Minsters: versjangeniëre (=Kwaad maken)
  9. Zeeuws: ie ei dn bobber in (=Kwaad)
  10. Oudenbosch: ij reetum (=hij was Kwaad)
  11. Bilzers: autze vel springe (=Kwaad reageren)
  12. Amsterdams: Gallish worden (=Kwaad worden)
  13. Gents: zijne oet oan en, zijne oet mee binders oan en (=Kwaad zijn, zeer Kwaad zijn)
  14. Hals: ei èèt in zen roape geskeite (=hij is Kwaad)
  15. Zottegems: de wett'n spell'n (=de regels uitleggen (Kwaad))
  16. Bilzers: dae zoet rap opse piëdsje (=die werd vlug Kwaad)
  17. Siebengewalds: Ik wier zu hét (=Ik werd zo Kwaad)
  18. Wetters: ke au liegop (=ik ben Kwaad op u)
  19. Gents: ij ee en vies haar is zijn ol (=hij is Kwaad)
  20. Munsterbilzen - Minsters: hae kraajchet opzen heupe (=hij wordt stilaan Kwaad)
  21. Westerkwartiers: hij sprong uut zien vel (=hij werd razend Kwaad)
  22. Bilzers: ës defteg aut zen kramme sjiete (=goed Kwaad worden)
  23. Bilzers: iemed sjeef bekieke (=iemand Kwaad bezien)
  24. Ronsisch: Bloest oi ezuu nie oop. (=Maak je niet Kwaad.)
  25. Giethoorns: De kop oranje em-m (=Kwaad wezen)
  26. Munsterbilzen - Minsters: énne franse kolaer sjiete (=Kwaad worden)
  27. Munsterbilzen - Minsters: aut zen sloeffe sjiete (=Kwaad worden)
  28. Lommels: ien zijn kram schieten (=Kwaad worden)
  29. Nieuwerkerks: va zen kluuëten moken. (=zich Kwaad maken)
  30. Zaamslags: ik bin om te bost'n (=ik ben erg Kwaad)
  31. Baasrode: lup nor de wup jong (=Kwaad iemand wegsturen)
  32. Munsterbilzen - Minsters: autzen kramme sjiete (=Kwaad uitvliegen)
  33. kortemarks: etwie deur de stroent trekkn (=Kwaad van iemand spreken)
  34. Sint-Niklaas: een buzzukke vloûn (=iemand die rap Kwaad is)
  35. Westerkwartiers: één oafkamm'n (=iemand in een Kwaad daglicht stellen)
  36. Evergems: Zijn stront zit dichte teen zijn herte. (=Hij maakt zich vlug Kwaad.)
  37. Munsterbilzen - Minsters: daaj wor ferm èn her K gebieëte (=die was Kwaad, zeg !)
  38. Oudenbosch: gij lijket aoske pek wel (=jij wordt veel te vlug Kwaad)
  39. Zaans: Me bloed wordt karnemelk (en me ribbe takkebosse) (=Ik word erg Kwaad)
  40. Sint-Niklaas: een buzzukke vloûn (=iemand die zich vlug Kwaad maakt)
  41. Huizers: van 't pissebedde in 't kakkebedde kommen (=van Kwaad tot erger)
  42. West-Vlaams: In zien gat gebet'n zien (=Zich verongelijkt voelen, tekort gedaan, Kwaad)
  43. Westerkwartiers: zij biet'n n'kanner niet (=zij doen elkaar geen Kwaad)
  44. kortemarks: je krygt e schièè (=hij wordt plots ontzettend Kwaad)
  45. Lichtervelds: jis dul voer e gès (=hij maakt zich rap Kwaad)
  46. Tongers: hè és koot veur ën habbëkrats (=hij is Kwaad voor een kleinigheid)
  47. Oudenbosch: ijeettum nog lang zitte rije (=hij is nog lang Kwaad geweest)
  48. Oudenbosch: van de vliege nin de blindaoze terechtkomme (=van Kwaad tot erger komen)
  49. Brussels: zes keut van oesem (=ze wordt heel snel Kwaad)
  50. Lichtervelds: jis in ze gat gebeetn (=ze hebben hem Kwaad gemaakt)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen