Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


50 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Kaar`

  1. aan elKaar gewaagd zijn (=beiden vrijwel evenwaardig zijn)
  2. aan elKaar hangen als droog zand (=geen enkele samenhang vertonen)
  3. aan elKaar knopen (=gegevens samenvoegen)
  4. alles op één Kaart zetten (=een groot risico nemen door op slechts één kans te gokken)
  5. als een nachtKaars uitgaan (=in een gestaag tempo minder worden en eindigen)
  6. als los zand aan elKaar hangen (=zonder enige samenhang)
  7. bij elKaar flansen (=samenrapen)
  8. bij elKaar passen als twee trommelstokken (=goed bij elkaar passen)
  9. bomen ontmoeten elKaar niet, mensen wel (=de kans dat je iemand toevallig tegenkomt is groot)
  10. de eindjes (niet) aan elKaar knopen (=(niet) rond komen (met z'n inkomen))
  11. De gekken krijgen de beste Kaarten (=Het geluk is met de dommen)
  12. de gekken krijgen de Kaart (=dwaze en onverstandige mensen krijgen hun gelijk of ze dat hebben of niet)
  13. de grote Kaars gaat uit (=de zon gaat onder)
  14. De haan en de vos hebben elKaar te gast (=Twee bedriegers zijn steeds op hun eigen voordeel uit)
  15. de hoofden bij elKaar steken (=overleg plegen)
  16. de Kaart leggen (=de toekomst voorspellen)
  17. de Kaart van het land kennen (=de omstandigheden kennen)
  18. de koppen bij elKaar steken (=overleggen)
  19. die twee lijken als twee druppels water op elKaar (=die twee lijken heel erg op elkaar)
  20. doorgestoken Kaart (=er is heel duidelijk iets mis! Hier is getracht om iemand te laten geloven dat er bij toeval iets gebeurt, terwijl het in feite van tevoren gearrangeerd is)
  21. een gek en zijn geld blijven nooit lang bij elKaar (=geld uitgeven aan nutteloze en onnodige dingen)
  22. Een Kaars voor de duivel branden (=Bij iedereen slijmen)
  23. een kwestie aanKaarten (=een onderwerp ter discussie brengen)
  24. een zaak aanKaarten (=een onderwerp in de aandacht brengen)
  25. ElKaar bij de neus nemen (=Elkaar voor de gek houden)
  26. elKaar de bal toespelen (=elkaar voordeeltjes bezorgen)
  27. elKaar in de haren vliegen (=ruzie maken)
  28. elKaar vliegen afvangen (=op onbeduidende details elkaar beconcurreren dan wel duidelijk willen laten uitkomen dat men zelf gelijk heeft en de ander niet)
  29. ergens de handen voor op elKaar krijgen (=ergens steun (applaus) voor krijgen)
  30. geen zo kleine sant of hij wil zijn Kaars hebben (=ook de mindere machten moet men gunstig stemmen)
  31. Het is maar hoe de Kaarten vallen (=Het hangt van het lot af)
  32. iedere heilige komt zijn Kaarsje toe (=iedere medewerker moet delen in de eer)
  33. iemand in de Kaart spelen (=iemand onbewust helpen)
  34. instorten als een Kaartenhuisje (=plots en snel in elkaar zakken, tenietgedaan worden)
  35. je Kaarten op tafel leggen (=laten weten over welke middelen je beschikt om iets gedaan te krijgen)
  36. kinderen en dronKaards spreken de waarheid (=ze zeggen wat ze vinden, ze zijn ongeremd)
  37. laten we elKaar geen mietje noemen (=laten we precies zeggen hoe we denken over de ander)
  38. naKaarten heeft geen zin (=men moet niet doorgaan met zeuren over iets dat al geweest is)
  39. op de Kaart zetten (=gemaakt tot iets waar rekening mee gehouden wordt. )
  40. op elKaar lijken als het ene ei op het andere (=goed op elkaar lijken)
  41. op elKaar lijken als twee druppels water (=precies op elkaar lijken)
  42. open Kaart spelen (=eerlijk zijn, niets verbergen)
  43. uitgaan als een nachtKaars (=langzaam doven, sterven)
  44. van de Kaart zijn (=uitgeschakeld zijn - totaal versuft zijn)
  45. voor elKaar boksen (=gedaan krijgen, in orde maken)
  46. wat baten Kaars en bril als de uil niet zien en lezen wil (=het is vruchteloos iemand te willen voorlichten als hij dat niet wil)
  47. ze alle vijf bij elKaar hebben (=goed bij zijn verstand zijn)
  48. zich in de Kaart laten kijken (=meestal onopzettelijk een ander inzicht geven in je bedoelingen)
  49. zij kunnen elKaar een hand geven (=zij bevinden zich in een vergelijkbare situatie)
  50. zijn Kaars aan twee kanten branden (=zijn krachten of mogelijkheden al te vroeg verspillen)

66 betekenissen bevatten `Kaar`

  1. Het varken is door de buik gestoken (=1: Door krachtig optreden zijn de moeilijkheden uit de weg geruimd. 2: Alles is doorgestoken Kaart, opgezet spel, de zaak is vooraf bedisseld)
  2. Uit hetzelfde gat schijten (=1: Onafscheidelijke kameraden zijn. 2: Het met elKaar eens zijn)
  3. als de ganzen (=achter elKaar op een rijtje)
  4. de barricades opgaan (=actie voeren om iets voor elKaar te krijgen of juist tegen te houden)
  5. lief en leed delen (=allerlei plezierige en droevige dingen met elKaar beleefd hebben)
  6. bij de roes (=alles door elKaar)
  7. wanneer twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen (=als twee strijdende personen of partijen zich richten op elKaar, kan een ander daarvan profiteren door zich datgene toe te eigenen waar om gestreden wordt)
  8. waar twee kijven hebben twee schuld (=beide personen hebben schuld als ze ruzie met elKaar maken)
  9. dat is de aard van het beestje (=dat is typisch iets voor die persoon; zo zit hij of zij nu eenmaal in elKaar)
  10. dat zijn aambeien met slagroom (=dat zijn dingen die niets met elKaar van doen hebben)
  11. onder de pannen zijn (=de (geld)zaken goed voor elKaar hebben)
  12. als de ene hand de andere wast worden ze beide schoon (=de taak wordt gemakkelijk als je elKaar helpt)
  13. op een kluitje (=dicht bij elKaar)
  14. die twee lijken als twee druppels water op elkaar (=die twee lijken heel erg op elKaar)
  15. niet kunnen rijmen (=dingen die niet met elKaar kloppen of het samen niet kunnen begrijpen)
  16. een Babylonische spraakverwarring (=door elKaar spreken zonder naar elKaar te luisteren en elKaar niet verstaan)
  17. iets/iemand in de gaten hebben/krijgen (=doorkrijgen hoe dingen in elKaar steken of zicht houden op de situatie)
  18. klare wijn schenken (=eerlijk en duidelijk vertellen hoe de situatie in elKaar steekt)
  19. water en vuur zijn (=elKaar niet kunnen verdragen)
  20. hou en trouw (beloven) (=elKaar overal (zullen) helpen)
  21. Elkaar bij de neus nemen (=ElKaar voor de gek houden)
  22. elkaar de bal toespelen (=elKaar voordeeltjes bezorgen)
  23. op dezelfde leest geschoeid zijn (=erg op elKaar lijken)
  24. ergens haring of kuit van willen hebben (=ergens precies van willen weten hoe het in elKaar steekt)
  25. bij elkaar passen als twee trommelstokken (=goed bij elKaar passen)
  26. op elkaar lijken als het ene ei op het andere (=goed op elKaar lijken)
  27. het is er haardje bij schuurtje (=het is er klein, dicht op elKaar)
  28. op zijn pootjes terecht komen (=het komt vanzelf wel voor elKaar)
  29. iemand uit de tent lokken (=het voor elKaar krijgen dat iemand ergens een uitspraak over doet)
  30. hoe komt het kalf bij zijn maat (=hoe wonderlijk men elKaar kan ontmoeten)
  31. een brutaal mens heeft de halve wereld (=iemand die wat durft te zeggen krijgt het meestal wel voor elKaar)
  32. ik maak een platvis van je (=iemand dreigen in elKaar te slaan)
  33. in zijn zak hebben (=iemand goed kennen, iets helemaal begrijpen, iets voor elKaar hebben)
  34. iemand uit de droom helpen (=iemand vertellen hoe het écht in elKaar zit)
  35. Een man zonder vrouw is als een paard zonder teugels. (=In het huwelijk hebben man en vrouw elKaar nodig)
  36. een kat komt altijd op z'n pootjes terecht (=ingewikkelde en vervelende dingen kunnen vanzelf weer voor elKaar komen)
  37. iemand beest maken (=Kaartspel : zorgen dat iemand geen enkele slag haalt)
  38. job krijgt op zijn kop (=Kaartspel: als klaveren heer wordt afgetroefd)
  39. soort zoekt soort (=mensen met dezelfde interesses zoeken elKaar op)
  40. het op een akkoordje gooien (=met elKaar afspreken iets op een bepaalde manier aan te pakken)
  41. de violen stemmen (=met elKaar onderhandelen, naar compromissen zoeken)
  42. op gespannen voet (zijn) (=moeilijk met elKaar omgaan, ruzie)
  43. ieder voor zich en God voor ons allen (=niemand helpt elKaar)
  44. als een tang op een varken passen/sluiten (=niet bij elKaar passen)
  45. schots en scheef zijn/staan (=ongeordend door elKaar heen)
  46. van een bruiloft komt een bruiloft (=op een bruiloft kunnen twee mensen elKaar leren kennen die dan weer gaan trouwen)
  47. elkaar vliegen afvangen (=op onbeduidende details elKaar beconcurreren dan wel duidelijk willen laten uitkomen dat men zelf gelijk heeft en de ander niet)
  48. iets boven de tafel fietsen (=open Kaart spelen met bedoelingen)
  49. instorten als een kaartenhuisje (=plots en snel in elKaar zakken, tenietgedaan worden)
  50. de schellen vallen hem van de ogen (=plotseling iets begrijpen hoe het in elKaar steekt)

Het dialectenwoordenboek kent 62 spreekwoorden met `Kaar`

  1. Waregems: 'n p'rtietje koart'n (=een Kaartje leggen (Kaartspel))
  2. Turnhouts: 'k hoai koai Kaarte (=ik had slechte Kaarten)
  3. Deinzes: 'n en plankierkoarter (=een slechte Kaartspeler)
  4. Brakels: klavers: kappers zijn geen groavers (=Kaartterm: klaveren is troef)
  5. Walshoutems: fraus dong (=Bedriegen v.b met Kaartspelen)
  6. Bornems: en Kaarlees (=een karspoor)
  7. Huizers: kaerswerk is naerswerk (=in de schemer ( bij Kaarskicht) bezig zijn)
  8. Overmeers: nen boek koarten (=een Kaartspel)
  9. Sint-Niklaas: das nog ne stuken (=die oude man gaat nog Kaarsrecht)
  10. Sint-Niklaas: gè misgeven (=gij hebt verkeerd gegeven (Kaartspel))
  11. Waregems: an wie lig het (Kaartspel) (=wie heeft er tot nu de hoogste Kaart gelegd)
  12. Sint-Niklaas: uit zin (=het spel winnen (Kaartspel))
  13. Sint-Niklaas: misdelen (=verkeerd delen bij het Kaartspel)
  14. Waregems: trouwf moak'n (=troef maken (Kaartspel))
  15. Antwerps: die is gewoejn van noar de Kaark te goan, diën is in de Kaark gebore (=iemand die altijd vergeet de deur te sluiten)
  16. Munsterbilzen - Minsters: Kaarkësnès mok hannekesnès (=krapuul brengt alleen maar moeilijkheden mee)
  17. Sint-Niklaas: gè moet uitkommen (=gij moet beginnen spelen (Kaartspel))
  18. Waregems: oëger of mijn bijlke of 'k kappe in oi gat! (=hoger leggen (in Kaartspel))
  19. Antwerps: 't is duuveltjesKaarmis, tis Kaarmis in d'hel (=zon die schijnt bij regen)
  20. Kanners: 'n Kaar te groêt (=veel te groot)
  21. Sint-Niklaas: gè meugd uitspelen (uitgoan, uitkommen) (=jij mag beginnen( Kaartspel))
  22. Bilzers: de Kaar trékke (=zich als leider opwerpen)
  23. Waregems: 'n kèès' omsteek'n (=een Kaars aansteken)
  24. Munsterbilzen - Minsters: t pieëd aater de Kaar spanne (=het verkeerd aanpakken)
  25. Sint-Niklaas: twurd allangsom Kaar (=het wordt stilaan kouder)
  26. Bilzers: n Kaar te laot koëme (=veel te laat komen)
  27. Bilzers: de kaot staeke (=de Kaarten schudden)
  28. Limburgs: kriet in ut laok (=gelijk spel bij Kaarten)
  29. Achels: wan prenteboek/voele (=ik heb slechte Kaarten)
  30. Roosendaals: nat gaon (=verliezen met Kaarten)
  31. Sint-Niklaas: 'k gô mè ertus (koekus, kloavurs, schippus) uitgoan (uitkommen) (=ik ga met harten(......) beginnen spelen (Kaartspel))
  32. Deinzes: de geete (geit) hèn (=in het Kaartspel van elke kleur evenveel hebben)
  33. Westerkwartiers: die het wat op zien Kaarfstok !! (=die heeft veel op zijn geweten !)
  34. Tilburgs: toen den illektriek ötviel, hèmme mar en kèrske gebraand. (=toen de stroom uitviel, hebben we maar een Kaarsje aangestoken.)
  35. Munsterbilzen - Minsters: n Kaar te graut (=veel te groot)
  36. Westerkwartiers: zij was uut 't veld sloag'n (=zij was van de Kaart)
  37. Bilzers: aander vër zen Kaar spanne (=anderen voor zich laten werken)
  38. herenthouts: de koarten husselen (=de Kaarten ondereen steken)
  39. Waanroods: gi prinke in men (zen) han hemmen (=slechte Kaarten hebben)
  40. Hoogstraats: mej de kaorten speulen (=met de Kaarten spelen)
  41. Overijses: giene rotte Kaar nemi (=bezit geen 25 cent meer)
  42. Budels: as de as brékt vilt de Kaar (=het een volgt op het ander)
  43. Koersels: He hit mich tege men Kaar gereen (=Hij heeft mij misnoegd)
  44. Achels: wan pèèèrde/wan stup/houwe op die toffel (=ik heb goede Kaarten)
  45. Bilzers: vür de Kaar lotte spanne (=laten overreden om mee te doen)
  46. tilburgs: wen tadderakken (=Ik heb slechte Kaarten in de hand)
  47. Ninoofs: ze koêrtn in Parausj nie beter (=je bent slecht aan het Kaarten)
  48. Weerts: Ze gaon altiêd op 't aod Kaar aan (=Kinderen gaan graag naar hun ouders)
  49. Munsterbilzen - Minsters: mèt de Kaar geetet nog, mèr de raer dooge nimei (=slecht te been zijn)
  50. Munsterbilzen - Minsters: vrümde minse vër zen Kaar spanne (=zijn zaakjes laten oplossen door buitenstaanders)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen