Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


5 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `KORTE`

  1. een gehuurd paard en eigen sporen maken KORTE mijlen (=eigen bezit beschadigt men minder dan gekregen of gehuurd bezit)
  2. hij stond erbij voor Jan met de KORTE achternaam. (=hij had geen zinvolle activiteit.)
  3. KORTE afrekening maakt lange vriendschap (=snel terugbetalen (teruggeven) voorkomt ruzie)
  4. KORTE metten maken (=doortastend optreden)
  5. leugens hebben KORTE benen. (=met een leugen schiet iemand niets op, na verloop van tijd komt de waarheid altijd naar buiten)

7 betekenissen bevatten `KORTE`

  1. water in je kelder hebben (staan). (=een te KORTE broek aanhebben.)
  2. mooie liedjes duren niet lang. (=geluk is van KORTE duur)
  3. op het procrustesbed leggen (=grofweg inKORTEn)
  4. in een mum van tijd (=in heel KORTE tijd)
  5. in een zwenk (=in heel KORTE tijd)
  6. in een vloek en een zucht (=in heel KORTE tijd , zonder moeite)
  7. in een wip (=in heel KORTE tijd , zonder moeite)

Het dialectenwoordenboek kent 309 spreekwoorden met `KORTE`

  1. Kotnaaks: tegriest goin (=een KORTEre weg nemen)
  2. Valkenswaards: Umzeumen (=Broek KORTEr maken)
  3. Sint-Niklaas: de KORTEn steken (=speelkaarten in de hand schikken)
  4. Zeeuws: kwa khi mn padje KORTEn (=naar huis of naar bed)
  5. Twents: disse weg is richter (=dit is een KORTEre weg)
  6. Veurns: èn oek ofsteek'n (=een KORTEre weg nemen)
  7. Kotnaaks: te griest goin (=een KORTEre weg nemen)
  8. Gents: ejei achter den trein geluupe, ije woater in zijne kelder. (=iemand met een te KORTEbroek)
  9. Venloos: As d'n oerworm vogels vraet, dan is de shoarma nog neet riep. (=De dagen worden alsmaar KORTEr.)
  10. Roois (Sint-Oedenrode): Den kèrrèk is grotter dan den torre (=Echtpaar waarvan de man KORTEr van stuk is)
  11. Lutters: ie, ie: (=KORTE ie, lange ie)
  12. Waregems: van tsnoens tot t'n twolvn (=van zeer KORTE tijdsduur)
  13. Kortenbergs: t'es on 't zuie ! (=het kookt!)
  14. Genneps: Enne kersentied duu.re (=Een KORTE periode)
  15. Lutters: oe, oe: (=KORTE oe, lange oe)
  16. Erps: op nen nik en nen tik (=in een KORTE tijdsspanne)
  17. Munsterbilzen - Minsters: de tijd begint te kotte (=nog KORTE tijd te gaan)
  18. Renkums: Woarum goa je niet binnendeur, da's toch veul richter (=waarom ga je niet binnendoor, dat is toch veel KORTEr)
  19. Zeeuws: tis oog witter hloof k (=te KORTE broek)
  20. Renkums: Woarum goa je nie binnendeur, da's toch veul richter (=waarom ga je niet binnendoor, dat is toch veel KORTEr)
  21. Kortenbergs: kakkemoikes vertelle (=blaasjes wijsmaken)
  22. Kortenbergs: ik veul maai aurdeug (=ik voel me onpasselijk)
  23. Kinrooi: Wiej langer des te laefs wiej KORTEr det 't doortj! (=Hoe langer dat je leeft hoe KORTEr dat het duurt!)
  24. Brugs: stoat 't er woatere in jen kaldere (=iemand met een te KORTE lange broek)
  25. Sint-Niklaas: 'k bèn ies noargeloapen (=voor een KORTE wijl ergens haastig of al lopende binnenkomen)
  26. Westerkwartiers: ien 'n vloek en 'n zucht (=in een hele KORTE tijd)
  27. Waregems: t nie lang etrook'n en (=na een KORTE ziekte overlijden)
  28. Leuvens: kette mette moke (=KORTE metten maken)
  29. Zeeuws: un kwartje ai op je broek trapt! (=te KORTE broek)
  30. Diesters: water in de kelder (=te KORTE pantalon)
  31. Kortenbergs: bai aave schabbernak pakke (=beetnemen)
  32. kortemarks: jis goan schuufeln (=hij is vertrokken)
  33. kortemarks: jis goan zantn (=hij is vertrokken)
  34. kortemarks: wytgat open (=helemaal open)
  35. kortemarks: in uldr illement (=in hun sas)
  36. kortemarks: jee ze gettn an (=hij is dronken)
  37. Sint-Niklaas: die é woater in zènne kaalder stoan (=iemand met een te KORTE broek)
  38. Kortenbergs: 't zie zwet van 't volk (=Het is druk)
  39. Waregems: lieëge van stirtebieën (=klein van gestalte, met KORTE beentjes)
  40. tervurens: aa ie wooter in zaaine kelder (=man met een KORTE broek)
  41. Kortemarks: twoajt lik e bièèste (=het waait hard)
  42. Kortemarks: tweegt mièèr dan me drienkgeld (=het weegt zwaar)
  43. Kortemarks: je verroert van gièèn vinne (=hij beweegt niet meer)
  44. Kortemarks: jeet weer in ze gat (=hij is slechtgezind)
  45. Kortemarks: ze schytn deur tselfste gat (=het zijn beste vrienden)
  46. Kortemarks: je zit mè miern an ze gat (=hij is zenuwachtig)
  47. Kortemarks: tis moar e schorte groît (=het is klein)
  48. Kortemarks: tis ol werk voe dn drol (=het is verloren moeite)
  49. Kortemarks: tis nog gièèn leugn (=het is waar)
  50. kortemarks: tkan me nie bommn (=het interesseert me niet)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen