Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


4 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `In huis`

  1. ergens als kind In huis zijn (=ergens bekend of goed behandeld worden)
  2. het zonnetje In huis (=iemand die zorgt voor een goede, opgeruimde sfeer)
  3. met de deur In huis vallen (=meteen ter zake komen / onmiddellijk over datgene beginnen waarvoor men kwam zonder)
  4. veel In huis hebben (=over veel capaciteiten beschikken)

2 betekenissen bevatten `In huis`

  1. wat het huis verliest, brengt het weer terug (=als men iets In huis zoek maakt, komt het meestal vanzelf weer tevoorschijn)
  2. Een blind paard zou er geen schade doen. (=Daar In huis is letterlijk niets meer)

Het dialectenwoordenboek kent 161 spreekwoorden met `In huis`

  1. Eekloos: thuis blijvers kerre (=huisarrest)
  2. Twents: Hee is zie’n hoesbreef verget’n (=hij is zijn huisbrief vergeten)
  3. Amsterdams: De huissiesmelker is een slome duikelaar (=De huisbaas is een sufferd)
  4. Bilzers: zieg mér dattet haus nie optech énvült (=je bent een echte huiskat)
  5. Boakels: d'n herd kêijere (=de huiskamer vegen)
  6. Munsterbilzen - Minsters: hae geet noë Koot Kernisj, Roendhauze en Costa Démeris (=hij is een huismis)
  7. Sint-Niklaas: oeveel verwoonde dor? (=hoeveel huishuur betaal je daar?)
  8. Tilburgs: hur höskaomer is un èèchte pötjesmèrt (=haar huiskamer is een echte rommelkamer)
  9. Helders: iemand naar Huisduinen brengen (=iemand begraven)
  10. Huizers: Reejen en kleejen (=Huishouden gaande houden)
  11. turnhouts: D'r zit een haar in de boter (=ruzie in het huishouden)
  12. Klings: gelijk rees peckkoek (=heel vuil huishouden hebben)
  13. Tilburgs: daor is aatij kêet in de kiet. (=in dat huishouden is altijd ruzie.)
  14. Munsterbilzen - Minsters: hae hoel aanes gene frang iëver (=de huisschilder werkte alléén maar in het zwart)
  15. Tilburgs: un höske meej un bojèmke (=huisje met een tuintje)
  16. Mechels (BE): Tis greun aat (=Ruzie in het huishouden)
  17. Antwerps: 't is gruen hout (=ze hebben ruzie in het huishouden)
  18. Westfries: huisie zonders meubels (=mooie vrouw met weing inhoud)
  19. Antwerps: ieder huiske ei z'n kruiske moar veur den iënen een loeie en veur den aandere een stroeie (=ieder huisje heeft zijn kruisje maar voor de een is het van lood en voor de andere van stro)
  20. Twents: 't Hoes is van mie, mer 't wief hef'n slöttel (=Ik ben de huiseigenaar, maar m'n vrouw heeft de sleutel)
  21. Fries: mosk (=zo naar huisje dan)
  22. Lichtervelds: in ieder kot istr etwod (=ieder huisje heeft zijn kruisje)
  23. Kinrooi: Ins örges lekker gaon aete duit veul hoeselik leid vergaete! (=Eens ergens lekker gaan eten, doet veel huiselijk leed vergeten!)
  24. Evergems: De kadde zit in dorloge. (=De kat zit in de horloge. Er is ruzie in het huishouden.)
  25. Amies: Dei tèlt zien vrouw de koffieboene veur (=Hij laat zijn echtgenote een zuinig huishouden bestieren)
  26. Steins: eder huuske haet zien kruuske (=Bij ieder huishouden is wel wat aan de hand.)
  27. Heusdens: ast meurege nie bieeteris gunich ne dendoktoer (=als het morgen niet beter gaat,ga ik naar de huisarts)
  28. Munsterbilzen - Minsters: èn wëlk kot èster naut niks on de hand (=ieder huisje heeft zijn kruisje)
  29. Ostêns: roermod (=huis)
  30. Waregems: tes spel in de menoizje, 't zit 'n oar in de bootre/beutre(in Nieuwenhove), de katte zit in d'arloeizje (=er heerst ruzie binnen het huishouden)
  31. Soasels: op 'n heanig spil he'j ok wa wil (=in een kleIn huisje kan het ook goed wonen zijn)
  32. Zeeuws: noaruus (=naar huis)
  33. Waanroods: te hunnest (=in hun huis)
  34. Brakels (gld): Ut Hièruhuis of ut Huis Broakel (=Het Herenhuis of het Huis Brakel)
  35. Mestreechs: Gaank naor dien brak tow! (=Ga naar huis!)
  36. Drents: hij giet hen huus (=Hij gaat naar huis)
  37. Luyksgestels: ut is hijt int kot (=Het is heet In huis)
  38. Hulshouts: 'Ktrek eroat (=Ik ga naar huis)
  39. Katwijks: van de poemus komme (=dronken naar huis gaan)
  40. Brugs: k zien no men kot (=ik ga naar huis)
  41. Renkums: Ik ga thuus kieke (=Ik ga naar huis)
  42. Bocholtz: ich joan noa heem (=ik ga naar huis)
  43. Sallands: 'k gao op 'n huus an (=ik ga naar huis)
  44. Zonhovens: kgaan tauwes (=ik ga naar huis)
  45. Riemsts: jawes gwö (=naar huis gaan)
  46. Westerkwartiers: hommeles ien 'e keet (=ruzie In huis)
  47. Munsterbilzen - Minsters: nimei bènne mauge (=uit huis gebannen zijn)
  48. Westerkwartiers: we goan'n op huus aan (=we gaan naar huis)
  49. Liessents: Ze het de boks an (=Ze is de baas In huis)
  50. Drents: hij giet noa huus (=hij gaat naar huis)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen