Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

Eén spreekwoord bevat `In de Wind`

  1. iets In de Wind slaan (=naar een advies niet naar luisteren)

Het dialectenwoordenboek kent 37 spreekwoorden met `In de Wind`

  1. westlands: voordewind (=met de wind in de rug)
  2. Liwwadders: in 'e wien op (=tegen de wind in)
  3. Westerkwartiers: liek teeg'n de wiend ien (=pal tegen de wind in)
  4. Ninoofs: de boeërne vrou es doeë (=de wind huilt)
  5. Elspeet: Teegn de wiend in sniesteren (=Tegen de wind in plassen)
  6. Gents: zuu rap oof de wind (=vliegensvlug)
  7. Munsterbilzen - Minsters: draeë waaj ne wèndhaon (=met de wind meedraaien (fig.))
  8. Valkenswaards: De wèind van vurre krijgen (=De wind van voren krijgen)
  9. Genneps: Hij mos flink knéje tegen de wiend ien (=tegen de wind in fietsen)
  10. Brugs: mè de wiend in 't gat (=met de wind in de rug)
  11. Ninoofs: wie eet er ier ieënen afgetrokken (=Van waar komt de wind?)
  12. Zeeuws: jestienkt zeven roen de wind in (=stinken)
  13. Oudenbosch: ijee nie slecht geboerd (=het is hem voor de wind gegaan)
  14. Munsterbilzen - Minsters: noenk dae stoenk totte wêrd vergoenk (=nonkel stonk boven de wind uit)
  15. Munsterbilzen - Minsters: hae ho(ch) nie slaech geboerd (=het ging hem duidelijk voor de wind)
  16. Amsterdams: Hij is een mazzelpik (=Hij is iemand die altijd de wind van voren heeft)
  17. Westerkwartiers: we mozz'n toe de wiend opboksel'n (=we moesten tegen de wind op tornen)
  18. Londerzeels: hij he tege de wind in gebeird (=iemand met zomersproeten)
  19. Westlands: voor de wind hebbe (=windje mee hebben)
  20. Zeeuws: de wind dr onder (=goed in de hand hebben)
  21. Lovendegems: uren boven de wind stinken (=zeer hard stinken*)
  22. Zeeuws: ie is de wind kwiet (=hij ligt te slapen)
  23. Sevenums: dreijende wink is stande waer (=als de wind op de dag vaak draait, dan blijft het meestal vast weer)
  24. Twents: loat moar waaien, van de wéénd krig ie geen keender (=laat maar waaien, van de wind krijg je geen kinderen)
  25. Klemskerks: saluu en de kost en die wiend vanachter: zegwijze die men iemand naroept die kwaad vertrekt na een ruzie (=Saluut en de kost en de wind vanachter)
  26. Graauws: de wind van voren krijgen (=op je nummer gezet worden)
  27. Zeeuws: noe weet je wi a de wind van din komt (=op je plaats gezet)
  28. Munsterbilzen - Minsters: tlaeve hèt de zin van woste tron gifs (=de windrichting kan je niet veranderen, je kan wel de zijlen verzetten)
  29. Hals: Gotj me da kintj eut de wintj of 't wetj blintj (=ga met dat kind uit de wind of het wordt blind)
  30. Merenaars: die van boven de windj (=dorpen tussen mere en zottegem)
  31. Sallands: K'heb de wind en de mest deurmekaare (=ik ben aan de diarree.)
  32. Loksbergs: Hum wit ni van moe de wind komt (=Hij weet niet wat er gebeurt)
  33. Zwols: ij ef de wind in zien gat (=hij is zo druk , er is storm op komst)
  34. Dunges: Zelfs de wind ut Skèndel deugt nie (=Uit Schijndel komt niet veel goeds)
  35. Giessendams: zo de wind waait, waait mijn vesie (=hij/zij kun je alle kanten mee op)
  36. Buggenhouts: hei hait achter de beerkeir geloeipen tegen de wind in (=iemand met sproeten op zijn gezicht)
  37. Liemers: De wind huul haeveg um de keet haen gi-j zol d'rvan eiges gaon weg waei-je (=Hard waaien om het huis)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen