Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

39 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Ijs`

  1. 's Lands wIjs, 's lands eer. (=ieder volk is gehecht aan zijn eigen gewoonten, hoewel anderen ze maar raar vinden.)
  2. als de kalveren op het Ijs dansen (=nooit)
  3. als de wijn is in de man, is de wIjsheid in de kan. (=drank verdringt gezond verstand.)
  4. als het bier is in de man dan is de wIjsheid in de kan (=van dronkaards verwacht men geen verstandige woorden)
  5. als het water zakt, kraakt het Ijs. (=elke oorzaak heeft gevolgen.)
  6. beslagen ten Ijs komen (=goed voorbereid zijn)
  7. dat gaat erin als klokspIjs (=dat gaat er gemakkelijk in)
  8. de jongste schepen wIjst het vonnis (=de kinderen willen het het best weten)
  9. de wIjsheid in pacht hebben (=erg verstandig zijn of althans doen alsof)
  10. de zeilen hIjsen (=opstaan, vertrekken)
  11. door schade en schande wordt men wIjs. (=een mens leert het beste van z'n fouten)
  12. door vragen wordt men wIjs. (=door het stellen van vragen kun je veel te weten komen en veel kennis opdoen)
  13. er ingaan als klokspIjs (=er gemakkelijk ingaan (voedsel of wat gezegd wordt))
  14. er is geen Ijs of het kost mensenvleis (=als er ijs op de sloten en vijvers ligt, verdrinken er altijd mensen)
  15. goede waar prIjst zichzelf (=goed materiaal moet niet aangeprezen worden)
  16. het Ijs breken (=een gesprek op gang brengen)
  17. het Ijs is gebroken (=na een kil begin is men vriendelijk tegen elkaar)
  18. het spoor bIjster zijn (=de juiste weg niet meer weten)
  19. iemand bIjspijkeren (=iemand met geld ondersteunen)
  20. iets er met de haren bIjslepen (=een argument gebruiken dat niets met de zaak te maken heeft)
  21. iets in de Ijskast zetten (=met iets niets meer doen)
  22. Ijskoud zijn gang gaan (=zich nergens van aantrekken)
  23. in de Ijskast zetten (=(tijdelijk) niet uitvoeren)
  24. in het donker zijn alle katten grIjs/grauw. (=als de situatie niet duidelijk is, zijn de zaken niet goed te beoordelen.)
  25. met de klompen op het Ijs komen (=zich onvoorzichtig ergens begeven waar men niet thuis hoort)
  26. met de klompen van het Ijs blijven. (=zich met iets niet inlaten.)
  27. met Sint Juttemis als de kalveren op het Ijs dansen (=nooit (Sint Juttemis valt op 17 augustus, en dan ligt er geen ijs))
  28. niet over een nacht Ijs gaan (=eerst nadenken voor men iets doet - geen risico's nemen)
  29. onbeslagen ten Ijs komen (=niet voorbereid zijn)
  30. op oud Ijs vriest het licht (=een oude kwaal komt gemakkelijk weer boven)
  31. ParIjs is wel een mis waard. (=om een voordeel te behalen bij tegenstanders aansluiten)
  32. prIjs stellen op (=weten te waarderen, graag willen)
  33. verandering van spIjs doet eten. (=eens iets anders te doen doet de mens goed)
  34. voorzichtigheid is de moeder der wIjsheid (=doe het voorzichtig, dan komt er geen schade)
  35. we gaan geen Ijsje eten. (=alles mislukt.)
  36. zelfkennis is het begin van alle wIjsheid (=men moet eerst zichzelf kennen om verdere kennis te kunnen verwerven)
  37. zich op glad Ijs wagen/begeven (=ergens over gaan praten waar die weinig van af weet)
  38. zo wIjs als Salomo's kat zijn (=erg wijs denken te zijn, maar eigenlijk totaal niet zijn)
  39. zuinigheid die de wIjsheid bedriegt (=door het baseren van een beslissing (bv aankoop) op basis van hoeveel iets kost, levert dit later juist extra problemen en kosten met zich mee zodat iemand duurder uit is)

51 betekenissen bevatten `Ijs`

  1. aan de voeten van Gamaliël zitten (=aandachtig luisteren naar de les die een wIjs persoon meegeeft)
  2. iemand tot op zijn hemd uitkleden (=alles van iemand afnemen, een te hoge prIjs laten betalen)
  3. er is geen ijs of het kost mensenvleis (=als er Ijs op de sloten en vijvers ligt, verdrinken er altijd mensen)
  4. daar is kop noch staart aan te vinden (=daar geraak je niet uit wIjs)
  5. dat snijdt geen hout (=dat heeft er niets mee te maken; het bewIjst niets.)
  6. een papieren zoldertje (=een dunne Ijskorst)
  7. de hoofdvogel schieten. (=een hoofdprIjs winnen, maar vaak ironisch bedoeld. Letterlijk: de hoofdvogel is de hoofdprIjs bij het vogelschieten.)
  8. een bodem in de markt leggen (=een minimumprIjs vastleggen)
  9. een vaatje zuur bier (=een oude vrIjster)
  10. vaatje zuur bier (=een oude vrIjster)
  11. ergens bekaaid (van) afkomen (=een te lage prIjs ervoor krijgen)
  12. een vreemde eend in de bijt (=een vreemd exemplaar in de groep. (Een bijt is een opening in het Ijs).)
  13. een hoge borst opzetten (=eigenwIjs en hoogmoedig zijn)
  14. iets met de haren erbij slepen (=er iets bIjslepen dat er niets mee te maken heeft)
  15. in de knoop zitten (=er niet meer wIjs uitraken - van slag zijn)
  16. erbij staan of men geen tien kan tellen (=er onnozel bIjstaan)
  17. zo wijs als Salomo's kat zijn (=erg wIjs denken te zijn, maar eigenlijk totaal niet zijn)
  18. zich in de kaart laten kijken (=geheim prIjsgeven)
  19. de tramontane kwijt zijn (=het spoor bIjster zijn)
  20. een van de vijf is uit kuieren (=hij is niet goed wIjs)
  21. het scheelt hem in zijn bovenverdieping (=hij is niet goed wIjs)
  22. Er zit een schroefje bij hem los (=hij is niet helemaal goed wIjs)
  23. iemand iets diets maken (=iemand iets wIjs maken)
  24. iemand voor het lapje houden (=iemand iets wIjs maken of voor de gek houden)
  25. iemand iets op de mouw spelden (=iemand iets wIjsmaken)
  26. iemand oren aannaaien (=iemand iets wIjsmaken)
  27. iemand zand in de ogen strooien (=iemand iets wIjsmaken)
  28. iemand een rad voor de ogen draaien (=iemand iets wIjsmaken / iemand op gemene wijze bedriegen)
  29. iemand verlakken (=iemand onwaarheden wIjs maken of bedriegen)
  30. knollen voor citroenen verkopen (=iemand wat wIjsmaken, met praatjes foppen)
  31. iets voetstoots aannemen (=iets geloven zonder bewIjs / iets tegen zijn zin aannemen)
  32. zijn eigen naad naaien. (=iets op zijn eigen manier uitvoeren; eigenwIjs zijn.)
  33. voor een appel en een ei iets hebben gekocht/verkocht (=iets voor een veel te lage prIjs hebben gekocht of verkocht)
  34. iemand een oor aannaaien (=iets wIjs laten maken / Iemand oplichten)
  35. bij de neus hebben (=iets wIjsmaken)
  36. een rad voor de ogen draaien (=iets wIjsmaken)
  37. oren aannaaien (=iets wIjsmaken)
  38. zand in de ogen strooien (=iets wIjsmaken)
  39. het kruit niet uitgevonden hebben (=niet bIjster slim zijn)
  40. niet goed bij zijn hoofd zijn. (=niet goed wIjs zijn, gekke dingen doen.)
  41. het zijn niet allen koks die lange messen dragen (=niet het uiterlijk vertoon bewIjst iemands vaardigheid)
  42. het zijn niet allen monniken die kappen dragen (=niet het uiterlijk vertoon bewIjst iemands vaardigheid)
  43. met Sint Juttemis als de kalveren op het ijs dansen (=nooit (Sint Juttemis valt op 17 augustus, en dan ligt er geen Ijs))
  44. papieren zoldertje lopen (=op dun Ijs lopen - grote risico's nemen)
  45. uit de staatsruif eten (=van de bIjstand leven)
  46. iets voor een appel en een ei verkopen (=voor een erg lage prIjs verkopen)
  47. op de kop tikken (=voor een goede prIjs iets kopen)
  48. voor een prikje kopen (=voor een zeer lage prIjs kopen)
  49. twee joden weten wat een bril kost (=we hoeven elkaar niets wIjs te maken)
  50. aan de oren naaien (=wIjsmaken)

Het dialectenwoordenboek kent 33 spreekwoorden met `Ijs`

  1. Overmeers: nen toeter Ijska (=een Ijskreem)
  2. Hoeilaart: Bè de zot (=Ijsroomverkoper)
  3. Liedekerks: en gallet met kaat van bij Brilleken (=een gallet met Ijs van bij de Ijsboer Brilleken)
  4. Gents: de muize liggen duud in eu Ijskasse, der es nie veele te fritte (=de muizen liggen dood in uw Ijskast (er ligt niet veel eetwaar in uw Ijskast))
  5. Westerkwartiers: hij was an 't hen en weerken (=hij liep te Ijsberen)
  6. Bilzers: tés beistekaad (=het is Ijskoud)
  7. Heusdens: we gun een sleurboan make (=we gaan een glijbaan maken (Ijsglijden))
  8. Liwwadders: ut is róétkoud (=het is Ijskoud)
  9. Oudenbosch: ge kun n ei in z n gat gaorkoke (=Ijsberen)
  10. Westerkwartiers: drenzel niet zo (=loop niet zo te Ijsberen)
  11. Sint-Laureins: der is Ijsgang (=het is glad)
  12. Zelzaats: Dèsteren (=Ijsberen, nerveus heen en weer lopen, doelloos rondslenteren)
  13. Lichtervelds: mn andn zien lik ysbrokkn (=mijn handen hebben Ijskoud)
  14. Bergs: me Ijse de zeiele (=we hIjsen de zeilen)
  15. Mestreechs: heer köp ziech 'n ieske (=hij koopt een Ijsje)
  16. Brakels (gld): Du mist schèt of vrèt Ijs (=De mist geeft of neemt Ijs)
  17. Diesters: bongke rije (=baantje glijden op het Ijs)
  18. Ammeroois: Taailappe (=snel over dun Ijs lopen)
  19. Kampers: buug trappen (=sterkte van Ijs proberen)
  20. Liwwadders: skotsje lope (=over dun Ijs lopen)
  21. Westerkwartiers: 't ies is brook'n (=breken - het Ijs is gebroken)
  22. Liwwadders: skotsjelope (=over onbetrouwbaar Ijs lopen)
  23. Aalsmeers-kudelstaarts: 'n Ijssie va vijf, en 'n hille dikke. (=een Ijsje van vijf en een hele dikke.)
  24. Westfries: klispoot had, natsoik (=met 1 voet door het Ijs gezakt)
  25. Roois (Sint-Oedenrode): TIjs lèjt (=Je kan op het Ijs.)
  26. Zaans: aisie liddere (=over het eerste Ijs te lopen)
  27. Fries: net op it ies komme (=niet op het Ijs komen)
  28. Sint-Katelijne-Waver: Ne kreimeglas van baa de Joppe (=Een Ijsje van bij Van Dessel)
  29. Tilburgs: de klèèn kènder kraffelde oover et èès. (=de kinderen krabbelden over het Ijs.)
  30. Hams: der ligt nen toeter kadIjs in de zep (=er ligt een hoorntje Ijs in de goot)
  31. Oudenbosch: zijn de paoters al op de weel gewiest ? (=het Ijs : houdt het al ( op de Weel ) ?)
  32. Sint-Niklaas: er angen prekels on de vengsters (=er hangt Ijs, buiten aan de ramen)
  33. Munsterbilzen - Minsters: wae zich op Ijs begif, kan autsjampe (=wie altijd op zijn tenen moet lopen, staat niet stevig in zijn schoenen)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen