Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


53 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ISt`

  1. aan de rand van het ravijn bloeien de mooISte bloemen. (=de beste resultaten dragen tegelijkertijd de grootste risico's)
  2. aan een boom zo vol geladen, mISt men een twee pruimpjes niet. (Naar Hieronymus van Alphen) (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden.)
  3. alle regISters opentrekken (=z'n uiterste best doen)
  4. als een bok op de haverkISt (=wakend om de gelegenheid niet te laten voorbijgaan)
  5. als je alles van tevoren wISt, dan kwam je met een dubbeltje de wereld rond. (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  6. andermans boeken zijn duISter te lezen (=de toestand of bedoelingen van een ander zijn moeilijk in te schatten)
  7. dat past als een vuISt in een oog (=dat past helemaal niet)
  8. de beste breISter kan wel eens een steek laten vallen (=ieder maakt wel eens een fout)
  9. de juISte man op de juISte plaats zijn (=zeer geschikt zijn voor het werk)
  10. de sleutel op de doodskISt leggen (=een erfenis weigeren)
  11. een Egyptische duISternis (=een inktzwarte duisternis)
  12. een kruisje is genoeg voor een boterham uit het vuIStje (=voor een gewone broodmaaltijd moet niet te veel gebeden worden)
  13. een nagel aan iemands doodkISt (=een groot verdriet of iemand die een groot verdriet veroorzaakt)
  14. een pleISter op de wonde leggen (=iets troostends aanbieden)
  15. een sprong in het duISter (=een stap in het onbekende)
  16. een twIStappel vormen (=een onderwerp van ruzie/conflict/onenigheid zijn)
  17. een vuISt maken. (=krachtig opstellen.)
  18. erop zitten als de bok op de haverkISt (=er bijzonder happig op zijn)
  19. had je me gISteren gehuurd dan was ik vandaag je knecht geweest (=je moet zo niet commanderen - dat doe ik gewoon niet!)
  20. het is een pleISter op een houten been. (=het is een nutteloos voorstel.)
  21. het is een pleISter op een zere wonde. (=het is bedoeld om het leed wat te verzachten.)
  22. het juISte midden vinden (=een goed evenwicht vinden tussen twee tegengestelde aanpakken. Bijvoorbeeld, als het er om gaat hoeveel bevoegdheden de politie moet hebben om de rechtsstaat te handhaven.)
  23. het muISt al wat van katten komt (=ieder volgt zijn karakter)
  24. hij heeft met een zilveren (of gouden) hengel gevISt (=die heeft vis gekocht in plaats van gevangen. Ook: met bedrog zijn doel bereiken)
  25. hij is in Rome geweest, maar heeft de Paus gemISt (=hij heeft het belangrijkste laten schieten)
  26. hij vISt in troebel water (=hij is een profiteur)
  27. hij zit erop als de bok op de haverkISt (=hij is er bijzonder happig op)
  28. ieder vISt op zijn getij (=iedereen maakt gebruik van het geschikte ogenblik)
  29. iemand iets in het oor fluISteren (=iemand iets zachtjes zeggen, heimelijk laten weten)
  30. ik geloof er in als een jood in Jezus ChrIStus. (=ik geloof er maar weinig in.)
  31. in het duISter tasten (=er niets over weten, geen aanknopingspunten vinden)
  32. in het oor fluISteren (=zachtjes (heimelijk) zeggen)
  33. in zijn vuIStje lachen (=in jezelf ergens plezier hebben / Op ietwat stiekeme wijze ergens voordeel van hebben)
  34. jong bier moet gISten (=kinderen hebben recht op plezier)
  35. luISteren als een vink (=erg gehoorzaam zijn)
  36. luISteren naar groeien van het gras (=erg lui zijn.)
  37. naar de filIStijnen (=reddeloos verloren / kapot)
  38. naar het lek luISteren (=niets doen)
  39. niet van gISteren zijn (=veel weten, veel begrijpen en snel doorhebben)
  40. niet van vandaag of gISteren (=niet dom)
  41. nu komt er licht in de duISternis. (=nu komt er een oplossing)
  42. op de pianISt schieten (=de onschuldige (de brenger van het nieuws) straffen)
  43. op de vuISt gaan. (=knokken.)
  44. over smaak valt niet te twISten. (=over verschil in smaak moet men geen ruzie maken.)
  45. schelen zijn de mooISten niet, maar ze worden wel het meest aangekeken. (=als relativerend antwoord wanneer men zegt dat ze het niets kan schelen.)
  46. twISten om des keizers baard (=om kleinigheden ruzie maken)
  47. uit het vuIStje (=uit de hand , zonder gebruik van mes en vork)
  48. voor de vuISt weg (spreken) (=zonder voorbereiden iets moeten vertellen)
  49. wie luIStert aan de wand verneemt zijn eigen schand (=wie anderen afluistert, kan wel eens iets negatiefs over zichzelf horen)
  50. wie veel eISt krijgt veel. Wie te veel eISt krijgt niets. (=je kan door het te vragen veel bij mensen gedaan krijgen, maar als je onredelijk wordt zal je worden overgeslagen)

79 betekenissen bevatten `ISt`

  1. iemand (niet) voor vol aanzien (=(niet echt) naar iemand luISteren wanneer iemand meepraat)
  2. aan iemands lippen hangen (=aandachtig luISteren)
  3. het oor scherpen/spitsen (=aandachtig luISteren)
  4. aan de voeten van Gamaliël zitten (=aandachtig luISteren naar de les die een wijs persoon meegeeft)
  5. de barricades opgaan. (=actie voeren om iets voor elkaar te krijgen of juISt tegen te houden.)
  6. aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet. (Naar Hieronymus van Alphen) (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemISt worden.)
  7. als oude honden blaffen, is het tijd om uit te zien. (=als ervaren mensen waarschuwen moet je luISteren.)
  8. ze waren fout. (=collaborateurs en fascISten gedurende de Tweede Wereldoorlog.)
  9. al krijg ik geld mee! (=dat doe ik beslISt niet!)
  10. morgen brengen (=dat geloof je toch zelf niet! dat doe ik beslISt niet!)
  11. iemands rechterhand zijn (=de belangrijkste assIStent zijn)
  12. de rechte man op de rechte plaats (=de juISte man voor de juISte taak)
  13. het spoor bijster zijn (=de juISte weg niet meer weten)
  14. door de mazen der wet kruipen (=de wet lIStig ontduiken)
  15. zijn beslag krijgen (=definitief ten einde lopen , beslISt worden)
  16. goed gereedschap is het halve werk. (=door de juISte hulpmiddelen te gebruiken wordt het karwei snel geklaard)
  17. recht praten wat krom is. (=door een ingewikkelde, onjuISte redenering een onzuivere situatie, daad of besluit trachten van een rechtvaardiging te voorzien.)
  18. een Babylonische spraakverwarring (=door elkaar spreken zonder naar elkaar te luISteren en elkaar niet verstaan)
  19. zuinigheid die de wijsheid bedriegt (=door het baseren van een beslissing (bv aankoop) op basis van hoeveel iets kost, levert dit later juISt extra problemen en kosten met zich mee zodat iemand duurder uit is)
  20. een loden pijp hebben. (=een hete vloeIStof snel kunnen opdrinken.)
  21. een Egyptische duisternis (=een inktzwarte duISternis)
  22. een duit in het zakje doen. (=een kleine bijdrage leveren. HIStorisch de kleinst mogelijke gave in het collectezakje van de kerk.)
  23. met beide benen op de grond staan (=een realISt zijn)
  24. de muren hebben oren (=er kan ongewenst worden meegeluISterd door anderen)
  25. er zouden geen achterklappers zijn waren er geen aanhoorders (=er wordt alleen geroddeld als er ook naar geluISterd wordt)
  26. geen oren hebben naar iets (=ergens niet naar willen luISteren)
  27. een vrouw zonder man is als een vis zonder fiets (=feminIStische uitspraak)
  28. het hoofd boven water houden. (=financieel rondkomen, juISt genoeg geld hebben om te kunnen leven.)
  29. de oren scherpen (=goed luISteren)
  30. de oren spitsen (=goed luISteren)
  31. geheel oor zijn (=heel goed opletten - goed luISteren)
  32. ergens naar kunnen fluiten (=het beslISt niet krijgen)
  33. er klopt geen hout van (=het is geheel onjuISt.)
  34. spreken is zilver, zwijgen is goud. (=het is goed om ergens niet over te praten. / Het is heel waardevol om iets geheim te kunnen houden. / Men heeft niet altijd de behoefte, te luISteren naar wat je zegt. / Een gefluISterd woord kan men mijlen ver horen.)
  35. er zit een luchtje aan (=het is niet juISt, niet goed)
  36. er is maar een f in het abc (=het juISte midden vinden, is moeilijk)
  37. het niet over de balk gooien (=het niet verkwISten)
  38. het klopt als een zwerende vinger (=het past goed; het is logisch; het is volkomen juISt; er is niets tegen in te brengen. (Equivalent aan: het sluit als een bus.))
  39. het over de balk gooien (=het verkwISten)
  40. hij heeft de klok horen luiden maar weet niet waar de klepel hangt (=hij weet er wel iets over, maar kent de juISte toedracht niet)
  41. iemand iets in het oor bijten (=iemand iets op bitsige wijze influISteren)
  42. de kat op het spek binden. (=iemand volop de gelegenheid geven zich te vergrijpen aan wat hij wil, maar beslISt niet mag hebben.)
  43. de ontbrekende schakel (=iets dat nog mISt om iets compleet te maken)
  44. geen profeet is in zijn (eigen) land geëerd. (=in tegenstelling tot vreemden, zijn mensen uit je woonplaats minder bereid te luISteren)
  45. in het ootje (=influISteren)
  46. men moet het ijzer smeden als het heet is. (=je moet op het juISte moment de kansen grijpen en dingen doen)
  47. vliegt de blauwvoet storm op zee (=leuze van de Vlaamse nationalISten (ontleend aan Conscience))
  48. het oor lenen (=luISteren)
  49. te woord staan (=luISteren naar en bereid zijn te spreken met)
  50. met een half oor (=maar half luISterend)

Het dialectenwoordenboek kent 52 spreekwoorden met `ISt`

  1. Schevenings: Me gæne ‘æle: 't ISter van ‘æle! (=aankondiging dat het net binnengehaald zal worden)
  2. Zeels: den ISten, d'ISte (=de eerste)
  3. Zeeuws: ie ISter an versliengert (=verslaafd)
  4. drents: woei deest leISt ISter gesnaat (=wie dit leest is gek)
  5. Heusdens: IStwier zoeweit (=is het weer zover)
  6. Lichtervelds: in ieder kot IStr etwod (=ieder huisje heeft zijn kruisje)
  7. Oudenbosch: ij ISter zowene vaan mun emmer raok me gat niet (=hij is een pietjeprecies)
  8. Lokers: Tingelinge baale wie ISter duuëd, 't is de kromme leiëze die ligt op struuët (=Lokers liedje)
  9. Oudenbosch: oonze Fraans is toch flienk geleertor okkal IStie gin pestoor geworre (=een goeie tweede is ook mooi)
  10. Sallands: wat ISt (=wat is er)
  11. Sallands: ISt oente of miente (=is 't de jouwe of de mijne)
  12. Brasschaats: morge ISt te loat (=morgen is het te laat)
  13. Flakkees: waer ISt groatje? (=waar is je vrouw?)
  14. eindhovens: Wa ISt derke (=Wat is er aan de hand meisje)
  15. Lichtervelds: tis van oîrn zeggn, oak liege ISt van oîrn zeggn dak liege (=ik heb het gehoord)
  16. Twents: mangs ISt better iets moois an de klos (=soms is het beter iets moois te verliezen, beter verliezen dan dat je het nooit heb gehad)
  17. Antwerps: doar ISt (=daar is het)
  18. Brugs: ISt ol? (=is dit alles?)
  19. Iepers: 't ISt 't bakche vul (=een plaats die vol is)
  20. Brussels: oe ISt na mougelijk (=hoe is dat mogelijk)
  21. Gronings: hou ISt der mit (=hoe is het ermee)
  22. Genneps: á.chterum ISt kèrrmis (=je komt maar achterom)
  23. Lichtervelds: dn duuvl ISt wys (=niemand weet het)
  24. Heusdens: vurwanie ISt (=voor wanneer is het)
  25. Baols: binnen langs de achterdeur (=achterom ISt kermes)
  26. Hulsters (NL): die ha nie af voor dun elevu en dan ISt nog dun (=krenterig persoon)
  27. Oudenbosch: eerst waarut uit en nou ISt wir aon (=zij hebben opnieuw verkering)
  28. Fries: Sa ISt en net oars, want as 't oars wie, wie t net sa (=Zo is het en niet anders, want als het anders was was het niet zo)
  29. Kastels: Hoe ISt ermee ? (=Hoe gaat het met jou ?)
  30. Twents: ISt ankieken wa weerd (=heeft een mooi uiterlijk)
  31. Sint-Niklaas: nô ISt on ô (=nu is het uw beurt)
  32. Roeselaars: wuk ISt me gie! (=Wat is er met jouw)
  33. Geels: waduur ISt? (=hoe laat is het?)
  34. Dendermonds: oe ISt begot meegelaik? (=Hoe is het mogelijk?)
  35. Lichtervelds: oe ISt Godsmeuglik (=hoe is het toch mogelijk)
  36. Lichtervelds: dn duuvl ISt wys (=niemand weet het)
  37. Hulsters (NL): ISt serieus? (=is het echt waar?)
  38. turnhout: hoe ISt mejaaw (=hoe gaat het met je)
  39. Kastels: Me Sint-Jan zoe hiët ast kan , en me Sinte-Peter ISt nôg hiêter . (=Met Sint-Jan zo heet als het kan , en met Sint-Peter is het nog heter.)
  40. Liempds: tennenan ISt krek inter (=daar achter is het precies hetzelfde)
  41. Tielts: ei waor ISt skitus ? (=exuseer maar waar is het toilet ?)
  42. kortemarks: da vintje ISt gat teegn dêirde (=het is een klein ventje)
  43. Ransts: wa ISt valt ave kelder in? (=tegen iemand die een boertje laat)
  44. Sint-Niklaas: wor ISt nô koers (=waar loop je nu naar toe?)
  45. Tilburgs: vasthaawe wè ge hèt èn vatte wè ge krèège kunt, ISt èlfde gebòd. (=de wereld is vol hebzucht.)
  46. Flakkees: `n zo ISt e en niet aorester (=en zo is het en niet anders)
  47. Ransts: door ISt ok keeremis (=onderrok of voering die onder rok komt uitpiepen)
  48. Sint-Niklaas: ja gèt gelijk, ISt nô goed? (=ja je hebt gelijk, is het nu goed,)
  49. Driels: Aveseer is n bietje want in Ammerooi ISt al donker (=Opschieten want t is al laat)
  50. Snekers: de kest ut wel zegge, mar ISt oek su ? (=ja kan het wel zeggen, maar is het ook zo ?)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen