Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


27 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Hoog`

  1. als de nood het Hoogste is, is de redding nabij (=in hoge nood komt er vaak plotseling een oplossing)
  2. de druiven hangen te Hoog (=van iets dat men niet krijgen kan, zeggen dat men het niet wil)
  3. de lat Hoog leggen (=moeilijk haalbare doelen stellen)
  4. ergens geen Hoogte van kunnen krijgen (=iets maar niet kunnen begrijpen)
  5. geen Hoogvlieger zijn (=weinig talent hebben)
  6. geen turf Hoog zijn (=erg klein zijn, erg teleurgesteld zijn)
  7. geen zee te Hoog (=niets is onmogelijk)
  8. heden in Hoogheid verheven morgen onder de aarde (=vandaag nog heel belangrijk, maar morgen misschien al dood)
  9. het hart Hoog dragen (=erg trots zijn)
  10. het Hoogste lied zingen (=de baas zijn)
  11. het Hoogste woord hebben (=baas zijn (of willen zijn))
  12. het zeil (Hoog) in de top halen (=een grootse vertoning weggeven)
  13. Hoog en droog (=veilig en wel)
  14. Hoog opnemen (=zeer kwalijk nemen)
  15. Hoog spel spelen (=gevaarlijk spel spelen, veel inzetten)
  16. Hoog te paard zitten (=verwaand zijn, eigendunk hebben)
  17. Hoog van de toren blazen (=het grote woord willen hebben / opscheppen)
  18. Hoogmoed komt voor de val (=iemand die erg trots is of hoogmoedig, krijgt gauw de bijbehorende ellende)
  19. Hoogtij vieren (=overvloedig aanwezig zijn)
  20. huizenHoog springen (=erg gelukkig zijn)
  21. iets Hoog opnemen (=ergens zeer gekrenkt over zijn)
  22. niet Hoog timmeren (=weinig verstand hebben)
  23. op de Hoogte stellen (=informeren)
  24. op de Hoogte zijn (=het weten)
  25. poolsHoogte nemen (=zich vooraf informeren over de situatie)
  26. wie Hoog klimt kan laag vallen (=belangrijke zaken snel kwijt raken door kleine dingen)
  27. zijn Hoogste lied zingen (=zeer vrolijk zijn)

24 betekenissen bevatten `Hoog`

  1. bij kris en kras volhouden (=bij Hoog en bij laag volhouden)
  2. bij kris en kras zweren (=bij Hoog en bij laag zweren)
  3. dat gaapt zo wijd als een oven (=dat is Hoogst onwaarschijnlijk)
  4. dat is een brug te ver (=dat is te Hoog gegrepen)
  5. dat is alleen voor pater en mater en niet voor het hele convent (=dat is voor jou te Hoog gegrepen)
  6. die de minste tanden hebben, kauwen het meest (=de domste mensen voeren gewoonlijk het Hoogste woord)
  7. het gouden kalf aanbidden (=de Hoogste waarde hechten aan geld / zich onderdanig gedragen tegenover rijken)
  8. in zijn kraag duiken (=de kraag Hoog opzetten tegen de koude)
  9. een hoge borst opzetten (=eigenwijs en Hoogmoedig zijn)
  10. ergens lucht van krijgen (=ergens van de op de Hoogte geraken, iets in de gaten krijgen)
  11. met de rug tegen de muur staan (=geen kant op kunnen, Hooguit een laatste uitweg)
  12. de boventoon voeren (=het Hoogste woord hebben)
  13. de eerste viool spelen (=het Hoogste woord hebben en de baas spelen)
  14. de kroon spannen (=het Hoogtepunt vormen)
  15. hij heeft peper in zijn achterwerk (=hij heeft een Hoog tempo)
  16. grote vissen scheuren het net (=Hooggeplaatste personen worden niet zo gemakkelijk gestraft)
  17. hoe hoger het hart, hoe lager de ziel (uit het Fries) (=Hoogmoed is het kenmerk van een dwaas)
  18. doorslaan als een blinde vink (=Hoogst onlogisch redeneren)
  19. hoogmoed komt voor de val (=iemand die erg trots is of Hoogmoedig, krijgt gauw de bijbehorende ellende)
  20. summa cum laude (=met de Hoogste eer)
  21. weten waar Petrus de sleutel had (=op de Hoogte zijn van wat niet iedereen weet)
  22. ex cathedra (=volgens uitspraak van het Hoogste gezag (meestal de paus))
  23. haastige spoed is zelden goed (=zaken in te Hoog tempo afwerken vergroot de kans op fouten)
  24. in de hanenbalken (=zeer Hoog , op zolder)

Het dialectenwoordenboek kent 63 spreekwoorden met `Hoog`

  1. Veurns: een dikkenek èn (=Hooghartig zijn)
  2. Munsterbilzen - Minsters: twatter steed em tot on zene mond (=dat wordt Hoogdringend)
  3. Bilzers: riezing van den hauge boom (=Hoogoplopende ruzie)
  4. Waregems: ie ee veel noot'n ip zijne zang (=hij spreekt met pretentie (Hoogdravend))
  5. Sallands: ik binne noar oogeveene ennewest (=ik ben naar Hoogeveen geweest)
  6. Veurns: stief grots zien (=heel Hoogmoedig zijn)
  7. Flakkees: di heit stroengt anzn schoenen (=een Hoogmoedig mens)
  8. Bilzers: daai és ümhaug gevalle (=die is Hoogmoedig !!!)
  9. Temse: die é et oog in zijnen bol (=iemand die Hoogmoedig is)
  10. Munsterbilzen - Minsters: dae haug krüp kan diep valle (=Hoogmoed komt voor de val)
  11. drents: Pas op veur Hoogmoed en 'n leeg zoldertie, veur dait wit heij 'n bult an de kop (=Hoogmoed komt voor de val)
  12. Westfries: as heer op 'n hond (puur zo veul de witjes in Hougkarspel, as heer op 'n hond!) (=een grote hoeveelheid (bv. er wonen veel de Witten in Hoogkarspel))
  13. Drents: Boven de koestal oetgruien willen, maor in 't zwienhok terechte kommen. (=Hoogmoed komt voor de val)
  14. Westerkwartiers: het gijt met Hoogt'n en leegt'n (=het gaat wat op en neer)
  15. Twents: bloas nig zo Hooge van de toorn (=doe maar normaal)
  16. Kalforts: de markt en ‘t succursaal, ‘t zal alles nog naar Kalfort gaan (=Kalfort lacht met al die puurse Hoogmoed (gezegde van vôôr 1900))
  17. Bilzers: aste moes gon kakke, lot dan zen broek al mer zakke (=als de nood het Hoogst is, is de redding nabij)
  18. Hoogstraats: platten baand hebben (=lek rijden)
  19. Diesters: tes hoeweg taat (=het is Hoog tijd)
  20. Walshoutems: veul broodvet make (=Hoog van de toren blazen)
  21. Hooge mierds: dès neffe de knèèn af (=dat is niet normaal (ook: asociaal))
  22. Overmeers: nen dikken nek (=iemand die zich Hoog gedraagd)
  23. Bilzers: t wotter steed em tot on zen kin (=Hoog tijd)
  24. Zeeuws: schiet vier blis assie (=Hoog van de toren)
  25. Hoogstraats: dat is van keskeschiet (=dat trekt nergens op)
  26. Hoogstraats: 'n echte pinegel (=iemand die altijd tegendraads is)
  27. Hoogstraats: een stuk in awe frak hemme (=zat zijn)
  28. Hoogstraats: mej de kaorten speulen (=met de kaarten spelen)
  29. Oudenbosch: ne grote wulle zijn op un klein dorp (=de dorpswaan zit Hoog)
  30. Twents: Den hef droosjes an t gat (=Die heeft kapsones/Hoog in de bol)
  31. IJmuidens: Bijna bij de heere Jezus aan tafel zitten (=Hoog in een flat wonen)
  32. Klemskerks: stroent, wien (h)èt er je gescheetn?: platte uitdrukking ter karakterisering van een Hooghartig, pretentieus persoon (=stront, wie heeft er je gescheten?)
  33. Hoogstraats: over den eirt kome (=bij iemand thuis komen)
  34. Hoogstraats: duiven gaan lappen (=Duiven ergens zuidwaarts gaan loslaten)
  35. Londerzeels: Hije es oemHoog gevalle (=hij heeft het Hoog in zijn bol)
  36. Londerzeels: ne propere smeirlap (=iemand die de schijn Hoog houdt)
  37. Hoogstraats: we goan nor de foor (=we gaan naar de kermis)
  38. Hoogstraats: Naa valt mijne frang (=Nu wordt het me duidelijk!)
  39. Liemers: Hentum van Bentum draei-j den end um anders verbrentum (In kwazie latijn). (=Pastoorsmeid Hentje van Bentum was ook de koster en hadden eend in de pan die dreigde aan te branden onder de Hoogmis de pastoor draaide zich om en zong:)
  40. Munsterbilzen - Minsters: tès haug tijd vür ze laeve te baetere (=het is de Hoogste tijd om er nog wat van te maken)
  41. Sittards: Hae haet väöl wèndj naeve zich (=Hij heeft het Hoog in zijn bol)
  42. Zeeuws: nie van je neuze makn (=niet zo Hoog van de toren blazen)
  43. Evergems: mijen gidon van mijen velo stoat toage (=het stuur van fiets staat te Hoog)
  44. Hulsters (NL): un waif meej eijl veul sjiesjie (=iemand (vrouw) die het Hoog in haar bol heeft)
  45. Munsterbilzen - Minsters: at ich mich moet versjangeniëre, bèste nog nie goed aof (=als ik kwaad word, is het je Hoogste tijd)
  46. Diesters: ich hem Hoog water (=ik moet dringend plassen)
  47. Genneps: 't Hoog ien de kop hèbbe (=verwaand zijn)
  48. Maas en waals: die he't Hoog in de kop (=ze is erg verwaand)
  49. Zwartebroeks: D'r staot mer een dun zwaoidje gres op 't laand (=Het gras staat niet Hoog)
  50. Westfries: noh maid het je het in je broeks skoit (=heb je het te Hoog in je bol)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen