Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


16 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Haas`

  1. die niet omziet is Haast teniet (=overhaastig werken leidt tot ongelukken)
  2. een slak op de goede weg, wint het van een Haas op de verkeerde weg. (=je kunt beter iets langzaam en goed doen, dan snel en niet goed.)
  3. Haast en spoed is zelden goed (=iets te snel doen, resulteert vaak in iets dat slecht gedaan is)
  4. Haast je langzaam. (=doe het zo snel mogelijk, maar niet sneller (uit het Latijn: Festina lente))
  5. Haastig gebakerd (=driftig van aard)
  6. Haastige spoed is zelden goed. (=zaken in te hoog tempo afwerken vergroot de kans op fouten.)
  7. het Haasje zijn (=het slachtoffer zijn)
  8. het Haasje zijn (=diegene zijn die er voor opdraait)
  9. hoe een koe een Haas vangt (=het is niet te voorspellen / Een oplossing voor een schijnbaar onmogelijk oplosbaar probleem.)
  10. je kunt nooit weten hoe een koe een Haas vangt (=je weet nooit hoe het onmogelijke toch waar wordt)
  11. je weet nooit hoe een koe een Haas vangt. (=het kan altijd wel eens lukken)
  12. men kan niet weten hoe een koe een Haas vangt. / Men weet nooit hoe een koe een Haas vangt. (=op onverwachte wijze tot een oplossing komen)
  13. men weet nooit hoe een koe een Haas vangt (=je weet nooit of het onmogelijke toch niet waar zou kunnen worden)
  14. mijn naam is Haas. (=ik weet nergens van en wil er niks mee te maken hebben!)
  15. om een ladder te beklimmen begin je met de onderste sport. (Haastige spoed is zelden goed) (=)
  16. wat de vos niet weet, weet de Haas ook niet. (=het is moeilijk iets te weten als het je nooit verteld is)

9 betekenissen bevatten `Haas`

  1. benen maken (=(Haastig) weggaan)
  2. wee de wolf die in een kwaad gerucht staat (=als je je goede naam verliest is die Haast niet terug te winnen)
  3. aan het lijf schieten (=Haastig aantrekken (kleding))
  4. op zijn dooie gemak (=heel rustig, zonder zich te Haasten)
  5. Rome is niet op een dag gebouwd (=je moet het niet overHaasten)
  6. morgen komt er weer een dag (=niet zo Haastig, morgen kan het ook nog)
  7. op hete/gloeiende kolen zitten. (=ongeduldig wachten / veel Haast of spanning hebben)
  8. nattevingerwerk zijn / Met de natte vinger doen (=onnauwkeurig, overHaast of zonder de geschikte methode of middelen uitgevoerd werk)
  9. die niet omziet is haast teniet (=overHaastig werken leidt tot ongelukken)

Het dialectenwoordenboek kent 64 spreekwoorden met `Haas`

  1. Rotterdams: Hange heb geen Haast. (=Haastige spoed is zelden goed.)
  2. Dordts: menu ome cor (=Haasbiefstuk)
  3. Aalsters: te post en te peerd (=Haastig)
  4. Sint-Niklaas: ostug zin (=Haastig zijn)
  5. Weerts: de Zjaak zeên (=het Haasje zijn)
  6. Zaans: Je Haaste as je de taid heb, dan heb je de taid as je Haast heb! (=Het heeft geen zin je te Haasten als je te laat bent.)
  7. Sint-Niklaas: buzze geven (=zich Haasten)
  8. Sint-Niklaas: aflappen, flikken (=Haastig afwerken)
  9. Waregems: goan link nen buzzesnijere, deuretert'n (=Haastig stappen)
  10. Liemers: Hei-j de hazepaeper nog in de kont zitte of bu'j deur dén Haas gedek (=Haast hebben)
  11. Mestreechs: dee heet angs wie uh sjiet hunneke (=een angst Haasje zijn)
  12. Waregems: in 'n skoffelskeude (=extreem Haastig iets doen)
  13. Zottegems: get gij hoazepatee geten zekers (=je bent zo Haastig)
  14. Zottegems: Van nen hoaze gepoept zijn (=Haastig zijn)
  15. Sint-Niklaas: iets uitflodderen (=iets Haastig wassen)
  16. Marine jargon (veelal Maleis): kakken tekort (=Haast)
  17. Ronsisch: ien e rapke (=In der Haast)
  18. Sinttruins: zoe zwat as ne Haasdouk (=zeer vuil)
  19. Oudenbosch: gauw is dood en lui lif nog (=je Haasten is slecht)
  20. Izegems: in een schoffelscheute (=iets Haastig doen)
  21. Sint-Niklaas: de soep binnesjoefelen (=Haastig soep eten)
  22. Lokers: Mee den (h)auten schoen strijken (=Strijken op een slordige, Haastige manier)
  23. Oudenbosch: ik kannie ekse (=zo vlug kan ik me niet Haasten)
  24. Waregems: 'i es eprisseerd (=hij heeft Haast)
  25. Munsterbilzen - Minsters: op zen zokke (=Haast geruisloos)
  26. betuws: Motte goan hooie? (=Heb je Haast?)
  27. Moes: allei jom, oustouwa (=komaan, Haast je wat)
  28. Genneps: dat vret gèn brood (=dat heeft geen Haast)
  29. Zeeuws: moi je nog ooien (=heb je Haast)
  30. Zeeuws: ei j jacht? (=heb je Haast?)
  31. Westfries: moet je met de Hoornse boot mee? (=wat een Haast!)
  32. Hoekschewaards: mojje gaan hooiju (=heb je Haast)
  33. Utrechts: Je momme nie zo jâchte (=Je moet me niet zo Haasten)
  34. Liemers: De Haas en de slaek hemme geliek ni-jjaor. (=De Haas en de slak hebben gelijk nieuwjaar.)
  35. Munsterbilzen - Minsters: zau smijte ze de kiëning zen Haase ook (=geven en niet gooien !)
  36. Twents: Vroag mie niks, ik wet nargens wat van, (=Mijn naam is Haas)
  37. Sint-Niklaas: 'k bèn ies noargeloapen (=voor een korte wijl ergens Haastig of al lopende binnenkomen)
  38. Bilzers: zou gaeve ze de kiëneng zen Haase ook (=geven, niet gooien !)
  39. Asses: gebare van kroemmen Haas (=zich onwetende houden)
  40. Weerts: dae mich jeugtj, dae môt nog geboeëre waere (=ik laat me door niemand Haasten)
  41. Genneps: Ga.w is ân de schiet gestörve; langsaam lèèft nog (=Haast je langzaam)
  42. Epers: dah kump weh... (=Daar is geen Haast bij, Dat is geen prioriteit.)
  43. Fries: as de 1e haze hast, hast de twadde haze hast... (=als je de 1e Haas hebt, heb je de 2e bijna....)
  44. Lebbeeks: pèid: Te post en te pèid ieveranst nautoe rouijn (=Erg Haastig ergens naartoe rijden)
  45. Zaans: Et hangt niet (=Het heeft geen Haast)
  46. Zeeuws: tei hin jacht (=t heeft geen Haast)
  47. Zeeuws: De tange lei in 't vier (=We hebben Haast)
  48. Diesters: dieje is ok nie deur ne Haas gepoept (=die is ook niet de snelste)
  49. Liwwadders: ut hoeft niet flug as ut maar un bitsje flot gaat (=je hoeft je niet te Haasten (sarcastisch))
  50. Oeffelts: Bende host verrig (=Ben je Haast klaar)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen