Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


97 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `HAr`

  1. (HAring) bij de vleet (=in overvloed. (Een `vleet` is een groot net dat door de haringloggers werd/wordt gebruikt.))
  2. aan de scHArrel zijn (=verkeren zonder verloofd of getrouwd te zijn)
  3. alles op HAren en snaren zetten (=alle middelen aanwenden / alles in het werk stellen)
  4. als HAringen in een ton zitten (=zich erg dicht op elkaar bevinden)
  5. beter HArd geblazen dan de mond gebrand (=het is beter dat men zich inspant dan dat er door slordigheid of luiheid iets fout gaat)
  6. bitter in de mond maakt het HArt gezond (=ook wat minder aangenaam is, kan gezond of goed zijn)
  7. Daar steekt meer in dan een enkele panHAring (=Daar zit meer achter)
  8. Daar wordt niet HArd op gebikt. (=Met tegenzin eten.)
  9. de gelegenheid bij de HAren grijpen (=de kans niet laten voorbijgaan)
  10. de hand over zijn HArt strijken (=voor één keer toestaan)
  11. de HAren ten berge (doen) rijzen (=ergens erg van (doen) schrikken)
  12. De HAring braadt hier niet (=Het gaat niet zoals het zou moeten)
  13. De HAring braden om de hom of kuit (=Iets opofferen om een kleinigheid)
  14. De HAring hangt aan zijn eigen kieuwen (=Men dient verantwoording te nemen voor de eigen daden)
  15. de HAringvijver (=de Noordzee)
  16. de HArp aan de wilgen hangen (=de bezigheden stopzetten)
  17. die HAring braadt niet (=dat (meestal geniepige) plannetje schijnt niet te lukken)
  18. een goed HArt is goud waard (=je treft niet snel meer mensen met een goed karakter)
  19. een goed HArt toedragen (=goed kunnen verdragen)
  20. een gouden HArt hebben (=heel aardig/lief zijn)
  21. een HArd gelag zijn (=iets is moeilijk te dragen)
  22. een HArd hoofd in iets hebben (=er geen oplossing in zien)
  23. een HArde dobber (zijn/worden) (=niet gemakkelijk (zijn/worden))
  24. een HArde huid hebben (=veel kunnen verdragen)
  25. een HArde knoest heeft een scherpe bijl nodig (=een slechte gewoonte is moeilijk te verdringen)
  26. een HArde nek hebben (=erg onbuigzaam zijn)
  27. een HArde noot kraken (=dingen bespreken die moeilijk liggen, een moeilijk karwei doen)
  28. een HArdloper van luie kees (=een treuzelaar)
  29. Een HArk zonder steel (=Iets waardeloos)
  30. een HArt van steen hebben (=geen medelijden met anderen hebben)
  31. een HArtje zonder zorg (=een zorgeloos iemand)
  32. een klein HArtje hebben (=weinig durven/gauw bang zijn)
  33. een pak van het HArt (=een grote opluchting)
  34. een vos verliest wel zijn HAren maar niet zijn streken (=mensen veranderen zelden echt)
  35. elkaar in de HAren vliegen (=ruzie maken)
  36. ergens HAring of kuit van willen hebben (=ergens precies van willen weten hoe het in elkaar steekt)
  37. geen HArt in het lijf hebben (=geen greintje medelijden kennen)
  38. glasHArd liegen (=liegen zonder er iets van in zijn houding te laten merken)
  39. gras gaat niet HArder groeien als je eraan trekt (=sommige dingen hebben tijd nodig)
  40. grijze HAren zijn kerkhofsbloemen (=als je grijze haren krijgt, ben je niet zo ver van het kerkhof)
  41. HArd tegen HArd gaan (=niemand die wil toevoegen en er beide voor gaan om te winnen)
  42. HArde noten kraken (=moeilijke tijden moeten doormaken)
  43. HArdlopers zijn doodlopers (=wie te snel begint, haalt misschien het einde niet)
  44. HAring in het land, dokter aan de kant (=haring eten is zeer gezond; haring is zelfs één van de beste vissen voor je gezondheid)
  45. HAring of kuit ergens van willen hebben (=hij wil iets zeker weten of uitgezocht zien)
  46. HArtzeer van iets hebben (=er geestelijk onder lijden)
  47. heb het HArt eens (=heb de moed om dat te doen. (Eigenlijk: als je dat doet, zal ik je ongenadig straffen))
  48. het HArde woord moet eruit (=het onaangename moet gezegd worden)
  49. het HArnas aantrekken (=ten strijde trekken)
  50. het HArt ergens aan ophalen (=ergens van genieten)

44 betekenissen bevatten `HAr`

  1. zonder geluk vaart niemand wel (=alleen met HArd werken komt men er niet, ook een beetje geluk is nodig om ergens te komen)
  2. grijze haren zijn kerkhofsbloemen (=als je grijze HAren krijgt, ben je niet zo ver van het kerkhof)
  3. Je bent om op te eten (met boter en suiker). (=Beeldig, snoezig, HArtveroverend, snoeperig.)
  4. daar zal wat zwaaien (=daar zal een HArtig woordje gesproken worden)
  5. een muur van onbegrip (=een HArdnekkig gebrek aan begrip)
  6. het land hebben aan iets/iemand (=een HArtgrondige afkeer hebben)
  7. zoiets is monnikenwerk (=een saaie, HArde, langdurige taak. / Een taak waar heel veel geduld bij komt kijken)
  8. het vuur uit de sloffen lopen (=een uiterste inspanning leveren door HArd te lopen)
  9. eruit zien of men een paal ingeslikt heeft (=er erg stijf, HArkerig uitzien)
  10. arbeiden als een galeislaaf (=erg HArd werken)
  11. met open armen ontvangen (=erg HArtelijk ontvangen worden)
  12. geld verzoet de arbeid (=geld dat je krijgt maakt het HArde vervelende werk weer goed)
  13. het geld groeit niet op de rug (=geld komt niet zomaar binnen, er moet HArd voor gewerkt worden)
  14. zo komt het luie zweet eruit (=gezegd van iemand die HArd werkt)
  15. poot-aan spelen (=HArd doorwerken (om op tijd te zijn))
  16. zich een bult lachen (=HArd lachen)
  17. geen voetbreed wijken (=HArd op zijn standpunt blijven)
  18. een keel opzetten (=HArd schreeuwen)
  19. de sokken erin zetten (=HArd weglopen)
  20. Werken als een paard. (=HArd werken)
  21. werken als een molenpaard (=HArd werken)
  22. Die werkt als een paard zal haver eten. (=HArd werken is voor de meeste mensen geen garantie op een goed inkomen)
  23. Die werkt als een paard zal haver eten. (=HArd werken is voor de meeste mensen geen garantie op een goed inkomen.)
  24. een Homerisch gelach (=HArde en gemene lach om het ongeluk, de mislukking of de handicap van tegenstrevers.)
  25. haring in het land, dokter aan de kant (=HAring eten is zeer gezond; HAring is zelfs één van de beste vissen voor je gezondheid)
  26. door merg en been gaan (=HArtverscheurend zijn)
  27. liegen of/dat het gedrukt staat (=heel erg HArd liegen)
  28. zo hard als een spijker (=heel HArd)
  29. schreeuwen of men levend gevild wordt (=heel HArd schreeuwen)
  30. je het apelazarus werken (=heel HArd werken)
  31. het regent pijpenstelen (=het regent heel HArd)
  32. Hij loopt alsof hij het vuur in zijn aars heeft (=Hij loopt heel HArd)
  33. Ieder bakt zijn koek zoals hij hem eten wil. (=Iedereen beHArtigt zijn zaken, op een manier zoals hij dat zelf wil.)
  34. met man en macht iets doen (=iedereen werkt HArd mee)
  35. Iemand een hengst verkopen. (=Iemand een HArde klap geven)
  36. (haring) bij de vleet (=in overvloed. (Een `vleet` is een groot net dat door de HAringloggers werd/wordt gebruikt.))
  37. je hebt luxe paarden en werkpaarden (=niet iedereen heeft dezelfde positie, de een moet HArder of zwaarder werken dan de ander)
  38. arbeid adelt (=van HArd te werken word je een nobeler/beter mens)
  39. ex animo (=van HArte)
  40. hoe groter geest hoe groter beest (=wel verstandig, maar daarom niet goedHArtig)
  41. werken als een paard (=zeer HArd werken)
  42. ruwe bolster, blanke pit (=ziet er sterk uit, maar heeft een goed HArt)
  43. lege vaten klinken het holst (=zij die er niets over weten, roepen het HArdst)
  44. blaffende honden bijten niet (=zij die het HArdst roepen, zijn het minst gevaarlijk)

Het dialectenwoordenboek kent 173 spreekwoorden met `HAr`

  1. brabants: stampuh jonge (=HArdcore)
  2. Lovendegems: om ter Miest (=om ter HArds*)
  3. Munsterbilzen - Minsters: ijzer moeste mèt ijzer sjerp maoke (=HArdleerse mensen moet je HArd aanpakken)
  4. Vechtdals: 't Anbarger plat (=het dialect van HArdenberg)
  5. Munsterbilzen - Minsters: zoe doof assen kwattel (=zo HArdhorig als een kwartel)
  6. Bilzers: noenk dae stoenk totte werd vergoenk (=zijn lijfgeur was niet te HArden)
  7. Liemers: Hei-j dén kaerl gezie:n meh dah paerd kaerl wah lie:p dah paerd. (=Kerel met HArdlopend paard.)
  8. Lierops: HArd getâld zijn (=hij /zij heeft een HArde stem)
  9. Hardinxvelds: Hij proat un bietie plât HArinxvelds (=Hij praat een beetje plat HArdinxvelds)
  10. Veurns: 't Was ard teeg'n oenzochte (='t Was een HArde strijd)
  11. Lovendegems: vriezen da't kroakt (=heel HArde vorst*)
  12. Hendrik-Ido-Ambachts: stevige bries (=HArde wind)
  13. Dilbeeks: zaan peire zeen (=HArde tijden doormaken, lijden)
  14. Hardinxvelds: Da mok nie (=Dat hoef ik niet)
  15. Hardinxvelds: een koppie leut (=een kopje koffie)
  16. Twents: enen de moat nehm (=een opmeten/ HArde maatregelen nemen.)
  17. Twents: An HArd lopen he-j nich völ, iej mot op tied van hoes goan (=Aan HArdlopen heb je niks, je moet gewoon op tijd van huis weggaan)
  18. Hardinxvelds: Da see jij ja (=Dat zei jij inderdaad)
  19. Hardinxvelds: wa mok nou (=wat moet ik nu)
  20. Lunters: een HArde kniester (=keiHArde)
  21. Waregems: 'n murre, 'n kèze (=HArde trap op een bal)
  22. Westerkwartiers: 't oog van de meester moakt 't peerd vet (=als de baas aanwezig is wordt er HArder gewerkt)
  23. Hardinxvelds: Woar héjuh datoch geloatuh (=Waar heb je dat toch gelaten)
  24. Tiens: nen tallaj gowen (=HArd vallen)
  25. Deinzes: Ui kluudn' afdroai'n (=HArd werken)
  26. Hals: zan kluuten afdroie (=HArd werken)
  27. Munsterbilzen - Minsters: goed sërvètte (=HArd lopen)
  28. Turnhouts: tregert aaw meujers (=HArd regenen)
  29. Antwerps: knoesten (=HArd werken)
  30. west-vlaams: koppekeijard (=zeer HArd)
  31. Hardinxvelds: Och, bel niiiint keind (=Ach wel nee mijn kind)
  32. Booms: nen boek mé een stoaf koffersool (=een boek met een HArde kaft)
  33. Aalsters: zen kloeiten afdroiën (=HArd werken)
  34. Ransts: zan botte afdroa (=HArd werken)
  35. Bilzers: zen kni (=HArd werken)
  36. Fries: bealchjen,gek dwan (=HArd werken)
  37. Aalsters: zen kloeïten afdroïn (=werken (HArd -))
  38. Katwijks: HArd edaisd (=toestand HArd achteruit gegaan)
  39. Hansbeeks: ij ee een arte nodde moedn kraukn (=hij heeft een HArde noot moeten kraken)
  40. Munsterbilzen - Minsters: e goed piëd èssen haover wiëd (=HArde werkers moeten goed beloond worden)
  41. Hardinxvelds: Mojjuh nog un baksie (=Wil je nog een kopje koffie/thee)
  42. Nuths: Kal neet tieegen ein ouves moel . (=Bij zo een HArde schreeuwer kun je beter niks zeggen.Laat een schreuwer maar doen.)
  43. Veurns: 't Vrieëst appestèèrte dikke (='t Vriest HArd)
  44. Zeeuws: ie vlooh de stie-ennun uut de stritte (=HArd rennen)
  45. Heerlens: 'r vruus dat 't krak (=HArd vriezen)
  46. Venloos: Bein make (=HArd weglopen uit angst)
  47. Zeeuws: me mossen we vuuf kwatier in n schof werkn (=HArd werken)
  48. Rotterdams: Je aige `t leplazerus werruke (=HArd werken)
  49. Turnhouts: van zen gat geeve (=HArd werken, lawaai maken)
  50. Kortemarks: twoajt lik e bièèste (=het waait HArd)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen