Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


230 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Eten`

  1. wEten hoe men dat in het vat zal giEten (=de oplossing weten)
  2. wEten uit welke hoek de wind waait (=weten hoe het in elkaar zit, wie de baas is)
  3. wEten van kikken noch mikken (=nergens van weten)
  4. wEten waar Abraham de mosterd haalt (=weten hoe iets in zijn werk gaat; dingen goed snappen)
  5. wEten waar de schoen wringt (=weten waar het probleem zit)
  6. wEten waar het schoentje knelt/wringt (=weten waar het probleem zit)
  7. wEten waar men aan toe is (=weten wat men te verwachten heeft)
  8. wEten waar Petrus de sleutel had (=op de hoogte zijn van wat niet iedereen weet)
  9. wEten wat de klok slaat (=weten hoe laat het is)
  10. wEten wat voor vlees men in de kuip heeft (=weten met wat voor iemand men te doen heeft)
  11. Wie Eten wil moet de kok niet beledigen. (=Hou je meerdere te vriend.)
  12. Wie gaat slapen zonder te hebben gegEten, staat op zonder te hebben geslapen. (=Voor de gezondheid zijn eten en slapen van belang.)
  13. wie honing wil Eten moet lijden dat de bijen hem steken (=wie iets wil bereiken moet daar iets voor over hebben)
  14. Wie in een boomgaard werkt mag er uit Eten / van de druiven Eten. (=Voordeel halen uit je werk.)
  15. Wie met de duivel uit één schotel wil Eten, moet een lange lepel hebben. (=Het valt niet mee iemand te bedriegen, die er zelf bedrieglijke parktijken op na houdt.)
  16. wie niet werkt zal niet Eten (=wie niet werkt verdient de kost niet)
  17. Wie niet werkt zal niet Eten. (=Werken is noodzakelijk om te kunnen leven.)
  18. willen wEten welk vlees men in de kuip heeft (=eerst willen weten hoe iemand is)
  19. willens en wEtens iets doen (=met opzet)
  20. zich de kaas niet van het brood laten Eten (=zich de voordelen niet zomaar laten afpakken)
  21. zich de kaas van het brood laten Eten (=zich laten ontnemen waarop men recht heeft)
  22. zich in de eigen voet schiEten (=zichzelf benadelen)
  23. zich met iemand mEten (=met iemand wedijveren)
  24. zich uit de voEten maken (=maken dat men wegkomt)
  25. zich voor de kop schiEten (=inzien dat men een grote stommiteit gedaan heeft - zelfmoord plegen)
  26. Zien Eten doet Eten. (=Iemand zien eten bevordert de eigen eetlust.)
  27. zijn koren/korentje groen Eten (=zich geen zorgen maken om de toekomst, niet sparen. )
  28. zijn kruit op de mussen verschiEten (=zijn woorden verspillen)
  29. Zijn pijlen verschiEten (=Te snel handelen)
  30. zwEten als een aandrager (=overmatig zweten)

260 betekenissen bevatten `Eten`

  1. veel in zijn mars hebben (=veel aanleg hebben en veel wEten)
  2. letters eten (=veel boekenwEtenschap opdoen)
  3. Eten als een wolf. (=Veel en gulzig Eten.)
  4. over de brug komen (=veel geld moEten betalen)
  5. slapende rijk worden (=veel geld verdienen zonder er iets voor te moEten doen)
  6. heel wat in zijn mandje hebben (=veel geleerd hebben, veel wEten)
  7. over heel veel schijven gaan (=veel hiërarchische of administratieve niveaus moEten zich ermee bemoeien)
  8. het zo druk hebben als een klein baasje (=veel kleine karweitjes moEten doen)
  9. van alle markten thuis zijn (=veel kunnen en handig zijn of veel wEten)
  10. honger als een paard hebben (=Veel trek in Eten hebben.)
  11. kennis is macht (=veel wEten kan veel invloed betekenen)
  12. niet van gisteren zijn (=veel wEten, veel begrijpen en snel doorhebben)
  13. uit zijn lood geslagen zijn (=verbaasd zijn, niet goed meer wEten hoe het verder moet)
  14. over het hoofd zien (=vergEten, niet opmerken)
  15. met stille trom vertrekken (=vertrekken zonder iemand het te laten wEten)
  16. zijn rolletje laten aflopen (=volop geniEten)
  17. aan alles een kleurtje weten te geven (=voor alles wel een uitleg wEten)
  18. Wie gaat slapen zonder te hebben gegeten, staat op zonder te hebben geslapen. (=Voor de gezondheid zijn Eten en slapen van belang.)
  19. voor elke naald een draad hebben (=voor elk probleem een oplossing wEten)
  20. voor elke spijker een gat weten (=voor elk probleem een oplossing wEten)
  21. voor ieder gat een spijker hebben (=voor elk probleem een oplossing wEten)
  22. voor zijn raap schieten (=voor het hoofd schiEten)
  23. kleur bekennen (=voor zijn standpunt uit moEten komen)
  24. als een luis op een teerton (=vorderen als een luis op een teerton: niet opschiEten)
  25. Als je veel eet, dan ben je lelijk als je dood bent. (=Waarschuwing tegen te veel Eten.)
  26. als katten muizen, mauwen ze niet (=wanneer je aan het Eten bent, praat je niet zoveel)
  27. schraalhans is hier keukenmeester (=weinig te Eten hebben)
  28. een vreemdeling in Kanaän zijn (=weinig wEten over het besproken onderwerp)
  29. wel onder zijn zolen kunnen schrijven (=wel mogen vergEten)
  30. weten uit welke hoek de wind waait (=wEten hoe het in elkaar zit, wie de baas is)
  31. weten waar Abraham de mosterd haalt (=wEten hoe iets in zijn werk gaat; dingen goed snappen)
  32. weten wat de klok slaat (=wEten hoe laat het is)
  33. weten hoe laat het is (=wEten hoever het staat)
  34. weten wat voor vlees men in de kuip heeft (=wEten met wat voor iemand men te doen heeft)
  35. zijn pappenheimers kennen (=wEten met wie men te maken heeft)
  36. prijs stellen op (=wEten te waarderen, graag willen)
  37. daar wringt de schoen (=wEten waar het probleem zit)
  38. weten waar de schoen wringt (=wEten waar het probleem zit)
  39. weten waar het schoentje knelt/wringt (=wEten waar het probleem zit)
  40. iemand zien aankomen (=wEten waar hij over zal beginnen, zich er alvast tegen wapenen)
  41. vaste grond onder de voeten hebben (=wEten waar men op steunt - in een goede positie verkeren)
  42. weten waar men aan toe is (=wEten wat men te verwachten heeft)
  43. liggen de handen dan liggen de tanden (=wie niet werkt verdient niet genoeg om te Eten)
  44. vieze varkens worden niet vet (=wie overal vies van is, zal niet veel te Eten krijgen)
  45. Vlugge eters zijn vlugge werkers. (=Wie snel kan Eten, kan ook snel werken.)
  46. Rap met de tanden, is rap met de handen. (=Wie snel kan Eten, kan snel werken.)
  47. Een schurftig paard vreest de roskam. (=Wie wat op z`n gewEten heeft, is bang voor het onderzoek)
  48. vogeltjes die zo vroeg zingen zijn voor de poes (=wie zo vroeg wil geniEten komt bedrogen uit)
  49. het fijne ervan willen weten (=willen wEten wat er precies aan de hand is)
  50. Iemand de oren van het hoofd eten. (=Zeer veel Eten.)

Het dialectenwoordenboek kent 242 spreekwoorden met `Eten`

  1. Zaans: Moet je 'n turref? (=Niet tijdens het Eten met je hoofd op je hand leunen!)
  2. Steins: Dao verhang ich mich veur (=Daar ben ik hartstikke gek op (meestal lekker Eten))
  3. Zeeuws: beuter an je had strieken en droog broead Eten (=weet je wat zonde is)
  4. Iepers: e n'es te dom om ooi t'Eten (=over iemand die dom is)
  5. Lokers: a'k nou een schete loaut zit er e gat in mijn broeke (=het Eten is pikant)
  6. Lichtervelds: je zoed eetn dat ne frang is (=hij zou zich ziek Eten)
  7. Westerkwartiers: is d'r nog wat te bikseln ? (=is er nog wat te Eten ?)
  8. Waregems: 'k ga versteekn (=ik krijg mijn Eten niet meer op)
  9. Munsterbilzen - Minsters: aete wot de pot sjaf (=niet kieskeurig zijn met Eten)
  10. Lokers: over de pot springen (=te laat voor het Eten)
  11. Bilzers: Boeste dabs, moeste pikke (=Waar je werkt, moet je Eten)
  12. Zeeuws: weet je wat atter jammer is :beuter an je had striekn en droohen broead Eten (=weet je wat)
  13. Waregems: een peird de ru(gg)e oit Eten, dood van d'n ouwre zijn (=zeer grote honger hebben)
  14. Dongens: husse frusse mee oew neus dur tussen (=antwoord op: wat Eten we vandaag)
  15. Westerkwartiers: d'r word'n gien vreders geboor'n, die word'n moakt (=(te) veel Eten wordt een gewoonte)
  16. Merenaars: mèn moug roejt op (=dat Eten ligt me zwaar op de maag)
  17. Westerkwartiers: dat maag 'em de pret niet drukk'n (=dat zal geen roet in het Eten gooien)
  18. Barghs: De riem op de vrèathòak zette (=De broekriem een tandje ruimer zetten na veel Eten)
  19. Bilzers: e goed vérke it zenen troëg aut (=fatsoenlijke mensen Eten uit beleefdheid hun telloor leeg)
  20. Budels: hie zal ur de bril nè van beschiEten (=hij krijgt weinig te Eten)
  21. Munsterbilzen - Minsters: wêrmen êrm, dinne dêrm (=goed gekleed ten koste van minder Eten)
  22. Oudenbosch: ge meu nie so zitte pitse (=je zit veel te kieskeurig te Eten)
  23. Kinrooi: In tieje van noeëd aete wae woost sónger broeëd! (=In tijden van nood Eten wij worst zonder brood!)
  24. Munsterbilzen - Minsters: iemed de aure van de kop aete en fraete (=iemand arm Eten en drinken)
  25. Zottegems: tzijn triestige buikskens woar da zo een kopke op stoat (=iets niet willen Eten)
  26. Deinzes: é kik een out'ne muile misschienst?! (=krijg ik niks om te Eten/drinken?)
  27. winterswijks: goi met brommers kiek'n (=met jouw wil ik wel een beschuitje Eten)
  28. Sint-Katelijne-Waver: Mee lange tanne ete (=Niet veel goesting hebben bij het Eten)
  29. Tilburgs: platte ribbekes meude meej oew tien gebôoje eete (=spareribs mag je met je handen Eten.)
  30. Bilzers: de dinks toch nie dattech de gebrojde haenkes zoumér énde mond koëme valle (=Voor Eten moet je werken)
  31. Drents: Met de haanden in de schoot kriej gien brood (=Wie niet werkt zal niet Eten)
  32. Veurns: ze buuksj' è zieëlemesse geev'n (=zich aan Eten te goed doen)
  33. Sevenums: zich erges aan taege aete (=zoveel van iets Eten dat je er tegenzin aan hebt)
  34. Lebbeeks: Op 'n agaken nog iet eet'n (=Heel vlug nog iets Eten)
  35. Zeeuws: beuter an je had strieken en drohen broe-ad Eten (=wat is zonde)
  36. Tilburgs: assie et lèkker vènt, kannie zenèège vaast eete. (=als hij het lekker vindt, kan hij zich klem Eten.)
  37. Lokers: edde de film geziene van kfret alliene (=als iemand alleen aan het Eten is zonder te vragen of je ook iets wilt)
  38. Munsterbilzen - Minsters: wae wènd zaet, zal stürm oogste (=als je uien vindt in je Eten, is de kans groot op hevige winden)
  39. Bosch: Zo zalde die dikke kop wel houwe!! (=Als je zo door gaat met Eten dan zal je wel op dat gewicht blijven.)
  40. Waregems: 't eetn volt vreë in de smoake, 'k zoe mij overeetn moar 'k maage nie, 'k zoe d'r min lipp'n an oflekn'n (=het Eten is zeer lekker)
  41. Merenaars: a moe krochen om 't binnen te krijgen (=hij moet zijn best doem om alles op te Eten)
  42. Zeeuws: weet je wat a zonde is :beuter an je had strieken en doog broe-ad Eten (=jammer)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen