Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


161 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `De h`

  1. aan de beterenDe hand zijn (=langzaam genezen, herstellen)
  2. aan De haak slaan (=te pakken krijgen)
  3. aan De haal gaan (=ergens mee vandoor gaan)
  4. aan De hand doen (=bezorgen)
  5. aan De hand van (=door middel van)
  6. aan De heidenen overgeleverd (=in zware moeilijkheden - in de macht van mensen zonder scrupules)
  7. alle duivels uit De hel vloeken (=heftig vloeken)
  8. als de armoede binnenkomt vliegt de liefDe het venster uit (=armoede betekent vaak het einde van vriendschappen en relaties)
  9. als De herder verdwaalt dolen de schapen (=als de leider het verkeerd doet weten de mensen die hem volgen niet wat ze doen moeten)
  10. als de kat om De hete brij heen draaien (=iets wel willen, maar het niet durven)
  11. als een bok op De haverkist (=wakend om de gelegenheid niet te laten voorbijgaan)
  12. als het in de kajuit regent ,druipt het in De hut (=als de baas problemen heeft, krijgen ook de ondergeschikten hun deel)
  13. als je hem een vinger geeft, neemt hij De hele hand (=als je iemand een beetje helpt, wil diegene altijd je hulp)
  14. als jut voor De haakmand staan (=beteuterd, triest)
  15. als ouDe honden blaffen, is het tijd om uit te zien (=als ervaren mensen waarschuwen moet je luisteren)
  16. beter één vogel in De hand dan tien in de lucht (=liever een beetje dan helemaal niets / kleine concrete resultaten zijn beter dan grootse plannen)
  17. Bij kleine lapjes leert men De hond leer eten. (=Geleidelijk aan wen je zelfs aan de onmogelijkste dingen.)
  18. blaffenDe honden bijten niet (=zij die het hardst roepen, zijn het minst gevaarlijk)
  19. dat is De hamvraag (=de vraag waar het om gaat)
  20. de fiets aan De haak hangen (=stoppen met wielrennen)
  21. de gelegenheid bij De haren grijpen (=de kans niet laten voorbijgaan)
  22. De haan en de vos hebben elkaar te gast (=Twee bedriegers zijn steeds op hun eigen voordeel uit)
  23. De hakken in het zand zetten (=zich opstellen als felle tegenstander van een voorstel of ontwikkeling, zonder de bereidheid te zoeken naar positieve aspecten of naar compromissen)
  24. De hakken laten zien (=zich uit de voeten maken)
  25. De hand aan de ploeg slaan (=flink aan het werk gaan)
  26. De hand aan zichzelf slaan (=zelfmoord plegen)
  27. De hand in eigen boezem steken (=zijn eigen fout inzien)
  28. De hand lenen tot (=helpen)
  29. De hand met iets lichten (=niet scherp opletten, het niet te streng nemen)
  30. De hand op de knip houden (=zuinig zijn)
  31. De hand op iets leggen (=ergens aan kunnen komen)
  32. De hand over zijn hart strijken (=voor één keer toestaan)
  33. De hand reiken (=vergiffenis schenken)
  34. De handen dicht mogen knijpen (=van geluk mogen spreken)
  35. De handen in de schoot (=werkloos)
  36. De handen slaan aan (=ontwijden)
  37. De handen thuis houden (=niet aanraken)
  38. De handen uit de mouwen steken (=aan de slag gaan en aanpakken)
  39. De handen van iemand aftrekken (=iemand niet langer steunen)
  40. De handschoen opnemen (=het gevecht aangaan)
  41. De haren ten berge (doen) rijzen (=ergens erg van (doen) schrikken)
  42. De haring braadt hier niet (=Het gaat niet zoals het zou moeten)
  43. De haring braden om De hom of kuit (=Iets opofferen om een kleinigheid)
  44. De haring hangt aan zijn eigen kieuwen (=Men dient verantwoording te nemen voor de eigen daden)
  45. De haringvijver (=de Noordzee)
  46. De harp aan de wilgen hangen (=de bezigheden stopzetten)
  47. De hebreeërs bouwden het, maar de Egyptenaren hebben het. (Exodus 1:11-14) (=het vuile werk door anderen opknappen en het resultaat zelf pakken)
  48. De heler is net zo goed als de steler (=wie gestolen goed koopt is even slecht als de dief)
  49. De hete aardappel doorspelen (=Iemand anders de vervelende klus laten opknappen)
  50. De hielen lichten (=weggaan)

55 betekenissen bevatten `De h`

  1. iemand het hof maken (=aardig tegen iemand doen in De hoop aardig gevonden te worden)
  2. eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand (=Als één persoon uit een groep zich misdraagt, wordt De hele groep erop aangekeken. / Een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen.)
  3. als het huis volbouwd is breekt men de steigers af (=als het doel bereikt is, vergeet men De helpers)
  4. draaien als een molen (=altijd meegaan met De heersende mening - naar de mond van de toehoorder praten)
  5. dat is een bal voor open doel (=dat is een opmerking waar een zeer voor De hand liggend weerwoord op gegeven kan worden)
  6. iemand de manchetten aandoen (=De handboeien aandoen)
  7. het ruime sop kiezen (=De haven uitvaren)
  8. kap en keuvel (=De hele boel)
  9. alles kort en klein slaan (=De hele inboedel kapot slaan)
  10. als de vis goedkoop is stinkt ze (=De herkomst ergens van is niet te vertrouwen)
  11. het gouden kalf aanbidden (=De hoogste waarDe hechten aan geld / zich onderdanig gedragen tegenover rijken)
  12. vreemde ogen dwingen (=de ogen van een vreemDe heeft meer invloed op je dan van een bekende)
  13. zijn schaapjes op het droge hebben (=de zaken op orDe hebben of voldoenDe hebben om niet meer te hoeven werken)
  14. aan de bel trekken (=duidelijk maken dat er iets aan De hand is; duidelijk maken dat er iets niet klopt)
  15. de kat uit de boom kijken (=een afwachtenDe houding aannemen)
  16. de hoofdvogel schieten (=een hoofdprijs winnen, maar vaak ironisch bedoeld. Letterlijk: De hoofdvogel is De hoofdprijs bij het vogelschieten)
  17. een schurftig schaap steekt de hele kudde aan (=een slechte persoon in een groep, maakt De hele groep slecht)
  18. balen als een stier (=er een gloeienDe hekel aan hebben)
  19. er is geen vuiltje aan de lucht (=er is niets aan De hand)
  20. ergens lucht van krijgen (=ergens van de op De hoogte geraken, iets in de gaten krijgen)
  21. zo dood als een pier (=geheel en al dood, als een aardworm die slap aan De hengel hangt)
  22. in koelen bloede iets doen (=geheel kalm en rustig iets doen, alsof er niets aan De hand is)
  23. de lade lichten (=geld uit de laDe halen)
  24. een Homerisch gelach (=harde en gemene lach om het ongeluk, de mislukking of De handicap van tegenstrevers.)
  25. zijn laatste troef uitspelen (=het laatste wat iemand achter De hand had naar buiten brengen)
  26. zoals de wind waait, waait zijn jasje (=hij gaat met De heersende mening mee of telkens van mening veranderen afhankelijk van de mensen om iemand heen)
  27. iemand in de arm nemen (=iemand De hulp vragen om te ondersteunen)
  28. iemand de handen zalven (=iemand een geschenk geven in De hoop een gunst te bekomen)
  29. iemand een worst voorhouden (=iemand een voordeeltje in het vooruitzicht stellen, teneinDe hem te bewegen ergens mee akkoord te gaan)
  30. iemands handen zalven (=iemand iets geven in De hoop een gunst te verkrijgen)
  31. iemand in zijn kielwater zeilen (=iemand op De hielen volgen)
  32. iemand op de kast jagen (=iemand zijn goeDe humeur doen verliezen door plagen)
  33. ergens je eigen plasje overheen doen (=iets een beetje veranderen zodat helemaal naar je zin is. In werksituaties kan dit soms uit De hand lopen, als er veel belanghebbers zijn die allemaal hun eigen plasje over een document willen doen. Het kan dan resulteren in een onleesbare tekst.)
  34. iets aan de knikker zijn (=iets niet in orde of aan De hand zijn)
  35. te kort schieten (=iets onvoldoenDe hebben of kunnen doen)
  36. op hoop van zegen (=in De hoop dat het lukt)
  37. aprilletje zoet, heeft nog wel eens een witte hoed (=in het begin (De hoed) van april kan het nog wel eens sneeuwen)
  38. (haring) bij de vleet (=in overvloed. (Een `vleet` is een groot net dat door De haringloggers werd/wordt gebruikt.))
  39. in het niet zinken (=in vergelijking met iets anders nog weinig waarDe hebben)
  40. het is een slechte muis die maar een hol heeft (=je doet er best aan een alternatieve oplossing achter De hand te hebben)
  41. summa cum laude (=met De hoogste eer)
  42. in grove lijnen (=met vooral aandacht voor De hoofdzaken)
  43. geen wolkje aan de lucht (=niets aan De hand - alles is prima in orde)
  44. niets om het lijf hebben (=niets betekenen, geen waarDe hebben)
  45. wie de pastoor niet eert, wie zijn absolutie riskeert (=om je ambitie te bereiken, moet je extra aardig zijn voor De hoge heren)
  46. weten waar Petrus de sleutel had (=op De hoogte zijn van wat niet iedereen weet)
  47. aan de pan gelikt hebben (=slecht terechtkomen of veel schaDe hebben)
  48. altijd hetzelfde deuntje zingen (=steeds weer hetzelfDe herhalen)
  49. met andermans kalf ploegen (=terwijl je De hulp van een ander gebruikt, doen alsof je het zelf alleen gedaan hebt)
  50. sap noch kracht hebben (=totaal geen waarDe hebben)

Het dialectenwoordenboek kent 6 spreekwoorden met `De h`

  1. Turnhouts: T'is neur de kloeute (=Het is naar De haaien ('kloten'))
  2. Epers: In Attem eb ze een untien in een ukkien met wat eui d'rin (=In Hattem kunnen ze De h niet zeggen)
  3. leuvens: Z'iet ne goeie sjeir gedon... (=Zij heeft een interessante partij aan De haak geslagen)
  4. Westerkwartiers: die goan noar De haai'n (=die gaan eraan !!)
  5. tervurens: ga kint er de (h)ond zaain kluute van (=je kent er niks van)
  6. Koersels: Ze gat dur De haag stjeken (=Op het moment dat het er toe doet zich er niets meer van aan trekken en de anderen het probleem laten oplossenlaten oplo)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen