Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


16 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Buik`

  1. de Buikriem aanhalen (=spaarzamer worden)
  2. Eerst even uitBuiken. (=Na een flinke maaltijd het eten laten zakken.)
  3. ergens zijn Buik van vol hebben (=ergens genoeg van hebben)
  4. Het varken is door de Buik gestoken (=1: Door krachtig optreden zijn de moeilijkheden uit de weg geruimd. 2: Alles is doorgestoken kaart, opgezet spel, de zaak is vooraf bedisseld)
  5. het zijn twee handen op een Buik (=ze verstaan elkaar volkomen)
  6. Hij maakt van zijn Buik een afgod. (=Lekker eten en drinken vindt hij belangrijk.)
  7. Iemand in de Buik straffen. (=Als straf geen eten geven.)
  8. iets op je Buik kunnen schrijven (=iets wel kunnen vergeten, dat wat je wilde gaat niet door)
  9. Liever vrij en geen eten dan een volle Buik aan een ijzeren keten. (=Vrijheid is een hoger goed dan materiële welvaart.)
  10. met het mes in de Buik zitten (=in grote angst verkeren)
  11. plat op de Buik gaan (=aan iemand toegeven, zich overleveren)
  12. schrijf het maar op je Buik (dan kan je het met je hemd weer uitvegen) (=vergeet het maar)
  13. twee handen op een Buik (=ze werken samen, ze denken er hetzelfde over)
  14. van je Buik een afgod maken (=erg veel geld uitgeven aan lekker eten en drinken)
  15. vlinders in zijn Buik hebben (=verliefd zijn)
  16. zijn Buik op de leest slaan (=te veel eten)

Eén betekenis bevat `Buik`

  1. de kronkel in de darm hebben (=hevige Buikpijn (koliek) hebben)

Het dialectenwoordenboek kent 51 spreekwoorden met `Buik`

  1. Munsterbilzen - Minsters: zen praaj volfraete (=zijn Buikje vol eten)
  2. Merenaars: de voeërink van zè gat skijten (=erge Buikloop hebben)
  3. Overmeers: 'n Buiksken bier (=een man met een ronde Buik)
  4. Westerkwartiers: 'k heb last van navvelsoez'n (='k heb last van Buikkriebels)
  5. Bilzers: zene kéttel vofraete (=Zijn Buikje rond eten)
  6. Venloos: Aan de dunne zien, slingerschiet hebbe, aan de reeskak (=Buikloop hebben)
  7. Sallands: K'heb piene in de pense. (=Ik heb Buikpijn.)
  8. Oudenbosch: ij gao gin zaand mir af (=hij heeft zijn Buikje lekker vol gegeten)
  9. Lummens: ich hemm penspaain (=ik heb Buikpijn)
  10. Walshoutems: Ich heub den rappe - ich heub den afgank (=Ik heb Buikloop)
  11. Westerkwartiers: 'k heb pien ien 't lief van 't lach'n (='k heb Buikpijn van het lachen)
  12. Zottegems: tzijn triestige Buikskens woar da zo een kopke op stoat (=iets niet willen eten)
  13. Flakkees: Een groate poke (=Een dikke Buik)
  14. Munsterbilzen - Minsters: mën dérm spiëlen op (=mijn Buik rommelt)
  15. Bilzers: spaor ze laeve mér nie ze geld (=beter een Buikje van het zuipen dan een bult van het werken)
  16. Brakels: nen helme onder zijn klirn, een puiste op zijn Buik, een kuipe op èn (=en dikke Buik hebben)
  17. Diems: mutvol, aangelaaje, een bult aan de buuk gegè:en (=volle Buik)
  18. Munsterbilzen - Minsters: tès oërlog èn men dêrm (=mijn Buik rommelt)
  19. Zeeuws: tzit zo te brobbelen in mn buuk (=Buikpijn)
  20. Munsterbilzen - Minsters: ne knoop èn zen derm hübbe (=Buikpijn hebben)
  21. Zeeuws: ik oa pien in mun pookuh (=ik heb Buikpijn)
  22. Gronings: pien in pens (=pijn in de Buik)
  23. Hunsels: euvereinhaoje (=Twee handen op een Buik)
  24. Bilzers: goed geteig hink onder e goed aofdaok (=een dikke Buik is zelfs goed)
  25. Mestreechs: twie han op eine boek (=twee handen op een Buik)
  26. Veurns: twi zieëlen in e kloefe (=twee handen op één Buik)
  27. Kerkraads: d'r jilles nit vol jenóg krieje (=de Buik niet vol genoeg kunnen krijgen)
  28. Kerkraads: d'r pansj nit vol krieje (=de Buik niet vol genoeg kunnen krijgen)
  29. Roermonds: Haaj 'em maar neet in ! (=Je hoeft je Buik niet in te trekken)
  30. Westlands: pain in mn pens (=pijn in mijn Buik)
  31. Mestreechs: un pans vuur op te sjiete (Pvots) (=een Buik om op te poepen)
  32. Munsterbilzen - Minsters: ich wol daste de krampe èn zen kloete krië(g)s (=hevige Buikpijn wens ik je toe)
  33. Amsterdams: tuintje op je Buik hebben (=dood zijn)
  34. Sint-Niklaas: der groei gras op zènnen Buik (=hij is begraven)
  35. Oudenbosch: da kunde op oewe Buik schrijve (=dat kun je wel vergeten)
  36. Oudenbosch: dur groeit gras op zunne Buik (=op het kerkhof begraven liggen)
  37. Sint-Niklaas: ei eéd een dikke pengs (=hij heeft een heel dikke Buik)
  38. Twents: He hef zik lillik in 'n boek betten (=Zijn opzet is mislukt ( hij heeft zichzelf in de Buik gebeten))
  39. Veurns: Tweeë zieël'n in e kloefe (=Twee handen op één Buik)
  40. Leids: Hij heb een tuin op ze Buik (=Hij is overleden)
  41. Oudenbosch: das tweejaande op ene Buik (=zij zijn het bij voorbaat eens)
  42. Oudenbosch: z n oge waare groter dan zunne Buik (=hij kreeg zijn bord niet leeg)
  43. Dendermonds: Oan a ol veer e sjalleke! (=Dat kan je op je Buik schrijven!)
  44. Oudenbosch: vor goei gereedschap eddun goei afdak nodig (=een beetje Buik mag je wel hebben)
  45. Snekers: sal ik dy een winkelhaak in e buuk skoppe (=Zal ik een winkelhaak in je Buik schoppen)
  46. Fries: beter de bûk barst as it iten bedoarn (=beter dat je Buik barst dan dat het eten bederft)
  47. Sint-Niklaas: zèn ogen zè groter as zènnen Buik (=hij eet weer teveel)
  48. Evergems: me gaume ons nen Buik zetten (=we gaan eens veel eten)
  49. Haags: Hij hep un tuin op z'n Buik (=Hij is dood)
  50. Leids: juh, daar loop een Buik met benen (=een vrouw die zwanger is)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen