Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

36 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `BOr`

  1. als je voor een dubbeltje geBOren bent, word je nooit een kwartje. (=wat je ook doet, als je in de lage stand geboren bent zul jij nooit van de hoge stand worden.)
  2. BOrgen is geen kwijtschelden (=uitstel is geen afstel)
  3. daar geBOren en getogen. (=daar geboren en opgegroeid)
  4. dat maakt een slok op een BOrrel (=dat scheelt heel wat)
  5. dat scheelt een slok op een BOrrel (=dat scheelt heel wat)
  6. de BOrdjes zijn verhangen (=de omstandigheden zijn veranderd)
  7. door de neus BOren (=iemand anders iets de mogelijkheid ontnemen)
  8. een adder aan zijn BOrst/boezem koesteren (=iets doen voor een ondankbaar iemand)
  9. een BOrd voor je kop hebben. (=je van niemand iets aantrekken.)
  10. een doodgeBOren kindje (=waardeloos, zonder toekomst)
  11. een hoge BOrst opzetten (=eigenwijs en hoogmoedig zijn)
  12. een slok op een BOrrel schelen (=een groot verschil maken)
  13. een verBOrgen agenda hebben. (=een doel hebben dat voor de anderen verborgen gehouden wordt, bijvoorbeeld in een samenwerkingsverband.)
  14. iemand iets door de neus BOren (=ervoor zorgen dat iemand iets niet krijgt)
  15. iemand iets door de neus BOren (=iemand iets niet geven waar hij recht op heeft)
  16. iemand uit de loog BOrstelen (=hem nieuwe kleren geven)
  17. ik ben geen uithangBOrd. (=ik heb meer te doen, ik blijf niet wachten/zo staan.)
  18. in de grond BOren (=een idee op vervelende wijze sterk afkeuren)
  19. in de kerk geBOren zijn (=de deur open laten staan)
  20. maak je BOrst maar nat. (=bereid je voor op een zware klus (of op veel tegenstand).)
  21. met de helm (op) geBOren zijn (=de toekomst kunnen voorspellen / bijzonder voorzichtig zijn)
  22. met een baksteen in de maag geBOren worden. (=graag een huis willen hebben dat van jezelf is, dat je eigendom is.)
  23. met een BOrd voor de kop lopen (=niet voor andere omstandigheden of zienswijzen open staan.)
  24. met twee linkerhanden geBOren zijn (=erg onhandig zijn)
  25. onder een gelukkig gesternte geBOren zijn (=altijd voorspoed hebben en gelukkig zijn)
  26. rusten aan abrahams BOrst (=een rustig, aangenaam leven leiden)
  27. tap hem maar BOrg hem niet (=wantrouw hem)
  28. tegen de BOrst stuiten (=ergens zwaar moeite mee hebben / met tegenzin ondervinden)
  29. van een mooi BOrd kun je niet eten (=aan uiterlijk alleen heb je niets.)
  30. wie tapt die moet BOren (=men moet de gevolgen van zijn handelen dragen)
  31. wie tot een penning geBOren is kan tot geen stuiver komen (=wat het lot voor je in petto heeft kan je niet ontlopen)
  32. wie voor een dubbeltje geBOren is, wordt nooit een kwartje. (=je kunt nooit boven de stand komen waarin je geboren bent. Arm geboren, zal wel arm blijven)
  33. wie voor het oortje geBOren is, zal tot de stuiver niet geraken. (=wie in een lage sociale klasse geboren is, zal niet in een hogere sociale klasse terechtkomen.)
  34. zich met de BOrst op iets toeleggen (=iets erg vlijtig beoefenen)
  35. zichzelf op de BOrst slaan (=duidelijk aan de omgeving laten weten dat men ergens bijzonder trots op is)
  36. zo onschuldig als een pasgeBOren kind (=zeer onschuldig)

24 betekenissen bevatten `BOr`

  1. zijn eer verpanden (=BOrg staan op zijn erewoord)
  2. ze waren fout. (=collaBOrateurs en fascisten gedurende de Tweede Wereldoorlog.)
  3. daar geboren en getogen. (=daar geBOren en opgegroeid)
  4. een natte deken (=een BOrrel)
  5. een pannetje lusten (=een BOrrel lusten)
  6. een slaapmutsje nemen (=een BOrreltje nemen voor het slapen gaan)
  7. een verborgen agenda hebben. (=een doel hebben dat voor de anderen verBOrgen gehouden wordt, bijvoorbeeld in een samenwerkingsverband.)
  8. een krop opzetten (=een hoge BOrst opzetten - een fiere houding aannemen)
  9. er schuilt een addertje onder het gras. (=er is een verBOrgen risico in het spel.)
  10. het licht zien (=geBOren worden, ontstaan)
  11. het levenslicht aanschouwen/zien. (=geBOren worden.)
  12. binnen mikken zijn (=geBOrgen zijn)
  13. binnen zijn (=geBOrgen zijn)
  14. hij heeft bot gegeten (=hij is dom geBOren en dat zal hij wel blijven ook)
  15. zijn ogen zijn groter dan zijn maag (=hij neemt meer op zijn BOrd dan hij kan eten)
  16. iets aan het licht brengen (=iets bekend maken wat verBOrgen is)
  17. wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje. (=je kunt nooit boven de stand komen waarin je geBOren bent. Arm geBOren, zal wel arm blijven)
  18. het oog is groter dan de maag. (=meer op het BOrd scheppen dan er opgegeten kan worden)
  19. voor de mast zitten (=niet opkunnen wat men op zijn BOrd heeft)
  20. iemand een steek onder water geven (=tegen iemand lelijke dingen zeggen op een bedekte/verBOrgen wijze)
  21. als je voor een dubbeltje geboren bent, word je nooit een kwartje. (=wat je ook doet, als je in de lage stand geBOren bent zul jij nooit van de hoge stand worden.)
  22. wie voor het oortje geboren is, zal tot de stuiver niet geraken. (=wie in een lage sociale klasse geBOren is, zal niet in een hogere sociale klasse terechtkomen.)
  23. wie een varken is moet in het schot (=wie voor het ongeluk geBOren is, hoeft geen geluk te verwachten)
  24. ze is zo plat als een botje (scholletje) (=ze heeft bijna geen BOrsten)

Het dialectenwoordenboek kent 19 spreekwoorden met `BOr`

  1. Sint-Niklaas: 't is precies BOrak (=het eten is heel fel gezouten)
  2. Westerkwartiers: van 't boov'mste BOrdje (=van de bovenste plank)
  3. Maldegems: tjèle (=BOrd)
  4. Kampers: niet ier in drumene en ut tek in (=BOrdje bij de voordeur van een boer: `niet hier in, erom heen en het hek in`)
  5. Geels: iemand de groond in BOre (=van iemand kwaadspreken)
  6. Zaans: op ze Oossaans ete (=het BOrd helemaal schoonlikken)
  7. Helmonds: vat us un burt (=pak eens een BOrd)
  8. Sint-Niklaas: een BOrdje (= baard) zetten (=al spelend met een stoppelbaard op de wang van een kind wrijven)
  9. Gronings: hai het n bred veur de kop (=hij heeft een BOrd voor z'n kop)
  10. Zeeuws: moet je een schoon BOrd (=iemand laat een boer)
  11. Zottegems: zijn ugn zijn gruter dan zijn buik (=iemand die zijn BOrd niet leeg eet)
  12. Maldegems: Der ligt ne taet op meun tele (=Er ligt een aardappel op mijn BOrd)
  13. Oudenbosch: z n oge waare groter dan zunne buik (=hij kreeg zijn BOrd niet leeg)
  14. Sint-Niklaas: 'k moet me wjeiren (=ik moet moeite doen om alles op mijn BOrd op te eten)
  15. Dordts: Ken me BOrd niet meer op. (=Ik heb voldoende gegeten.)
  16. Mestreechs: zit neet zoe te fippen (=zit niet zo moeilijk te doen over wat er op je BOrd ligt (is eigenlijk niet te vertalen))
  17. Rotterdams: Van 'n mooi BOrd kèje nie ete. (=mooie spullen zijn niet altijd goed)
  18. Westfries: Al skait ie op de rand vamme BOrd, as't 'r maar niet in komt (=wat hij doet interesseert me geen ene zak pis)
  19. Westfries: al skait ie op de rand vamme BOrd, ast 'r maar niet inkomt (=wat hij doet dat skilt main gien iene zak pis)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen