Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


4 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `BOC`

  1. door de BOCht gaan (=toegeven)
  2. een BOCht nemen (=van gedachten veranderen)
  3. kort door de BOCht (=voorbarig, nuanceringen negerend. Voorbeeld:`De bewering dat fractiediscipline de democratie om zeep helpt is misschien wat te kort door de bocht.`)
  4. zich in allerlei BOChten wringen (=er op alle mogelijke wijzen proberen onderuit te geraken)

Eén betekenis bevat `BOC`

  1. kort door de bocht (=voorbarig, nuanceringen negerend. Voorbeeld:`De bewering dat fractiediscipline de democratie om zeep helpt is misschien wat te kort door de BOCht.`)

Het dialectenwoordenboek kent 56 spreekwoorden met `BOC`

  1. Zeeuws: haa naa je moeder en pis de (=BOCk op)
  2. Ninoofs: BOCkstoeël es doeë (=Zijn broek is te kort)
  3. Mechels (NL): Um d'r drièën (=Om de BOCht)
  4. Denderleeuws: aske den BOCht om gotj\r\naske annendroé pakt (=als je de BOCht om gaat)
  5. Bocholtz: kwakket (=kikvors)
  6. Bocholtz: wiedschaf (=cafe)
  7. Bocholtz: koppieng (=hoofdpijn)
  8. Bocholtz: kino (=bioscoop)
  9. Bocholtz: kluute (=eierkolen)
  10. Bocholtz: schies (=mortel)
  11. Bocholtz: jedderenge (=iedereen)
  12. Bocholtz: schweegel (=lucifer)
  13. Bocholts: boe geiste hiene (=waar ga je naartoe)
  14. Bocholts: waat geiste doan (=wat ga je doen)
  15. Mestreechs: iech höb miech in de BOCh goeijd (=ik heb mij zelf iets aan geschaft/gekocht)
  16. Bocholtz: pinzel (=kwast)
  17. Bocholtz: hingerlid (=achterlicht)
  18. Bocholtz: ziegele (=zegels)
  19. Bocholtz: heengenerum (=achterom)
  20. Bocholtz: schpatseerschtek (=wandelstok)
  21. Bocholtz: tunes (=neus)
  22. Bocholtz: tapieet (=behang)
  23. Bocholtz: doeveberg (=vlengendaal)
  24. Bocholtz: moer (=wortel)
  25. Bocholtz: koetnelles (=jong jongen)
  26. Bocholtz: kuuche (=dom mens)
  27. Bocholtz: en de puutsch (=schoesterschroam)
  28. Bocholtz: t, steepuutsje (=de bron)
  29. Bocholtz: kaboets (=regenjas met muts)
  30. Bocholtz: schnouts (=snor)
  31. Bocholtz: namenstaag (=naamfeest)
  32. Bocholtz: kieke (=kijken)
  33. Bocholtz: loemel (=vod)
  34. Bocholtz: fietmop (=vlinder)
  35. Bocholtz: koekverbirige (=verstoppertje)
  36. Bocholtz: makkedam (=asfalt)
  37. Bocholts: noew zeik mig tog de stoof oewt (=hoe kan dat nu)
  38. Bocholtz: schproonk (=stoep)
  39. Bocholtz: knoeesche (=morsen)
  40. Bocholtz: loag (=gat)
  41. Bocholtz: moel (=mond)
  42. Bocholtz: deusch (=tafel)
  43. Bocholtz: oonge (=beneden)
  44. Bocholtz: uvertsoog (=sloop)
  45. Bocholtz: floep (=angst)
  46. Bocholtz: tzemmelig (=tamelijk)
  47. Bocholtz: schtugeliezer (=pook)
  48. Simpelveld: booches leeg jeklauwd (=BOCholtz leeg geplunderd5)
  49. Bocholtz: schwoap (=grote zwarte kever)
  50. Bocholtz: schlons (=slonzige vrouw)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen