Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


30 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Altijd`

  1. Altijd brood eten verdriet ook. (=Een mens wil ook eens een verzetje.)
  2. Altijd de kwade pier zijn (=altijd als de schuldige aangewezen worden)
  3. Altijd de oude knecht blijven (=geen vorderingen maken (ook geen achteruitgang))
  4. Altijd het oude liedje (=steeds weer hetzelfde)
  5. Altijd hetzelfde deuntje zingen (=steeds weer hetzelfde herhalen)
  6. Altijd op hetzelfde aambeeld hameren/slaan (=steeds weer op hetzelfde onderwerp terugkomen)
  7. bij de buren is het gras Altijd groener (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  8. buurmans gras is Altijd groener (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  9. dat komt als mosterd na de maAltijd (=dat komt op een moment dat het geen nut meer heeft)
  10. de boog kan niet Altijd gespannen zijn (=men moet zich soms ook kunnen ontspannen)
  11. een kat komt Altijd op z'n pootjes terecht (=ingewikkelde en vervelende dingen kunnen vanzelf weer voor elkaar komen)
  12. een vliegende kraai/vogel vangt/vindt Altijd wat (=als je er maar op uit gaat, vind je altijd wel wat in je voordeel)
  13. eenmaal gestolen Altijd een dief (=een verkeerde daad wordt niet vlug vergeten)
  14. er is Altijd wel ergens een vogel die zingt (=er is altijd wel een lichtpuntje als je maar goed je oren en ogen open zet)
  15. er zijn Altijd meer zwijgers dan sprekers (=lang niet iedereen komt altijd voor zijn mening uit)
  16. het gras is Altijd groener bij de buren (=er is altijd iets te vinden om jaloers op te zijn)
  17. het is Altijd koekoek éénzang (=altijd hetzelfde verhaal vertellen of zelfde voorbeeld geven)
  18. het is Altijd rouwen en trouwen (=het leven is een afwisseling van goede en slechte tijden)
  19. het is Altijd vet op een andermans schotel (=een ander heeft het schijnbaar altijd beter)
  20. het kan niet Altijd kaviaar zijn (=niet elke dag is een topdag)
  21. het leven gaat niet Altijd over rozen (=het is niet altijd zo mooi, iedereen heeft wel eens tegenvallers)
  22. het lot valt Altijd op Jonas (=hij heeft vaak pech)
  23. het oog ziet Altijd van zich af (=de eigen fouten ziet men niet, maar andermans fouten altijd wel)
  24. het water loopt Altijd naar de zee (=zij die al het meest hebben, krijgen ook het meeste)
  25. kreupel wil Altijd voordansen (=de zwaksten willen het hoge woord hebben)
  26. mosterd na de maAltijd (=een oplossing die te laat komt)
  27. niet geschoten is Altijd mis (=als je het niet probeert, komt er ook niks van)
  28. wie een hond wil slaan, vindt Altijd wel een stok (=als je kritiek wil hebben op iemand, vind je altijd wel een reden)
  29. zijn haan moet Altijd koning kraaien (=hij wil altijd de baas zijn)
  30. zijn hoed zit Altijd op zijn hoofd (=hij groet nooit iemand)

87 betekenissen bevatten `Altijd`

  1. Wie weet waarom de ganzen blootsvoets gaan? (=Alles heeft een reden, ook al is die niet Altijd even duidelijk)
  2. er is geen ijs of het kost mensenvleis (=als er ijs op de sloten en vijvers ligt, verdrinken er Altijd mensen)
  3. een vliegende kraai/vogel vangt/vindt altijd wat (=als je er maar op uit gaat, vind je Altijd wel wat in je voordeel)
  4. als je hem een vinger geeft, neemt hij de hele hand (=als je iemand een beetje helpt, wil diegene Altijd je hulp)
  5. wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok (=als je kritiek wil hebben op iemand, vind je Altijd wel een reden)
  6. altijd de kwade pier zijn (=Altijd als de schuldige aangewezen worden)
  7. op de kloosters reizen (=Altijd bij vrienden of kennissen logeren)
  8. recht door zee gaan (=Altijd eerlijk blijven/zijn)
  9. de pastoor gaat voor en de dominee loopt met hem mee (=Altijd eerst de machtige mensen, dan de mindere mens)
  10. semper virens (=Altijd groen)
  11. het is altijd koekoek éénzang (=Altijd hetzelfde verhaal vertellen of zelfde voorbeeld geven)
  12. met alle winden draaien (=Altijd iedereen gelijk geven)
  13. met alle winden meedraaien (=Altijd iedereen gelijk geven)
  14. met alle winden waaien (=Altijd iedereen gelijk geven / door alles en iedereen laten beïnvloeden)
  15. van leugens aaneenhangen (=Altijd maar liegen)
  16. draaien als een molen (=Altijd meegaan met de heersende mening - naar de mond van de toehoorder praten)
  17. die veel begeert veel ontbeert (=Altijd meer willen maakt ongelukkig)
  18. op zijn stokpaard rijden (=Altijd over hetzelfde praten of klagen)
  19. een bodemloos vat zijn (=Altijd te weinig van iets zijn of opraken)
  20. onder een gelukkig gesternte geboren zijn (=Altijd voorspoed hebben en gelukkig zijn)
  21. semper idem (=Altijd weer hetzelfde)
  22. strijk en zet (=Altijd weer opnieuw)
  23. niets dan wonden en builen zoeken (=Altijd willen vechten)
  24. niet in een goed vel steken (=Altijd ziek zijn, nooit gezond)
  25. bij de buren is het gras altijd groener (=bij anderen lijkt het Altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  26. buurmans gras is altijd groener (=bij anderen lijkt het Altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  27. vis moet (wil) zwemmen (=bij een goede maAltijd hoort een goed glas wijn (bier))
  28. twee ruilen een huilen (=bij het ruilen is de een Altijd beter af dan de ander)
  29. Wie de teugel slap laat hangen, kan met een mak paard nog op hol raken. (=Blijf Altijd aandachtig en geconcentreerd)
  30. wanneer de boeren niet meer klagen, nadert het einde der dagen (=boeren klagen Altijd)
  31. kinderen die vragen worden overgeslagen (=brutale kinderen die Altijd overal om vragen, worden genegeerd)
  32. het oog ziet altijd van zich af (=de eigen fouten ziet men niet, maar andermans fouten Altijd wel)
  33. de beste stuurlui staan aan wal (=de toeschouwers kunnen het Altijd beter dan de uitvoerders)
  34. alles komt uit al moesten de kraaien het uitbrengen (=de waarheid komt Altijd uit)
  35. schijn bedriegt (=dingen zijn niet Altijd zoals ze zich voordoen)
  36. het is altijd vet op een andermans schotel (=een ander heeft het schijnbaar Altijd beter)
  37. goed bloed kan niet liegen (=een edele afkomst wordt Altijd opgemerkt)
  38. Boontjes uit water eten. (=Een eenvoudige maAltijd.)
  39. een handwerk heeft een gouden bodem (=een goed vakman verdient Altijd zijn brood)
  40. eerlijk duurt het langst (=een leugen komt op den duur Altijd uit, maar de waarheid blijft Altijd waar)
  41. een renegaat is nog erger dan een Turk (=een vroegere vriend is een veel gevaarlijker vijand dan iemand die Altijd een vijand is geweest)
  42. Vrouwenhanden en paardentanden staan nooit stil. (=Een vrouw is Altijd wel wat aan het doen)
  43. zolang er leven is, is er hoop (=er is Altijd hoop, dus geef nooit op!)
  44. het gras is altijd groener bij de buren (=er is Altijd iets te vinden om jaloers op te zijn)
  45. er is altijd wel ergens een vogel die zingt (=er is Altijd wel een lichtpuntje als je maar goed je oren en ogen open zet)
  46. een baas boven baas zijn (=er is Altijd wel iemand die het beter kan of het beter denkt te kunnen)
  47. het is een kwade wind die niemand voordeel brengt (=er is Altijd wel iemand die van de omstandigheden weet te profiteren)
  48. eén gek kan meer vragen dan tien wijzen kunnen beantwoorden (=er zijn Altijd wel vragen waar niemand het antwoord op weet)
  49. alle wegen leiden naar Rome (=er zijn veel manieren om je doel te bereiken / de uitkomst is Altijd hetzelfde)
  50. een heilig boontje zijn (=erg braaf doen, maar niet Altijd braaf zijn)

Het dialectenwoordenboek kent 215 spreekwoorden met `Altijd`

  1. Vechtdals: ait verdan (=Altijd verder)
  2. Munsterbilzen - Minsters: naut(s) gevocheld ès Altijd e gemis (=niet geschoten is Altijd mis)
  3. Westerkwartiers: doar ken j'altied terecht (=daar is men Altijd welkom)
  4. Westerkwartiers: d'r is doar weineg varioatie (=het is daar Altijd hetzelfde)
  5. helmonds: 't is dn deger wa (=het is ook Altijd wat)
  6. Munsterbilzen - Minsters: dae hètten dreig laever (=hij heeft Altijd dorst)
  7. Lichtervelds: jis ooltn teegndroad (=hij doet Altijd het tegenovergestelde)
  8. Lichtervelds: jis oolsan in zeevn oastn (=hij is Altijd gehaast)
  9. Oudenbosch: ij waar altijt in de weer (=hij was Altijd bezig)
  10. Tilburgs: daor is aatij kêet in de kiet. (=in dat huishouden is Altijd ruzie.)
  11. Twents: Mangs wa, aait nich (=Soms wel niet Altijd)
  12. Enschedees: mangs wa, aait nie (=soms, niet Altijd)
  13. Zeeuws: t is stille dr a t noeait waait (=t is Altijd wat)
  14. Vechtdals: manks wel, ait nie (=soms, maar niet Altijd)
  15. Venloos: Veur altied eine Venlonaer! (=Voor Altijd een venlonaar)
  16. Bilzers: haenke de viëste spiële (=Altijd het laatste woord hebben)
  17. Giethoorns: Daor is't altied pik in 't vuur (=Daar is het Altijd ruzie)
  18. Sint-Niklaas: een modepop (=een vrouw die Altijd modieus gekleed is)
  19. Bilzers: den éne zen daud es den andere ze braud (=er zijn Altijd profiteurs)
  20. Tilburgs: hiet te liege (=de naam hebbend, Altijd te liegen)
  21. Geels: die möst naa es altij (=die moppert nu eens Altijd)
  22. Westerkwartiers: vandoag is guster niet (=het gaat niet Altijd op dezelfde manier)
  23. Mestreechs: d'n duuvel sjit op d'n groetste haop (=hij heeft Altijd geluk)
  24. Sint-Niklaas: 't is ne plangtrekker (=hij kan het Altijd slim oplossen)
  25. Zichers: dè/dij hêt onder de duezedrup gestane (=hij/zij is Altijd klein gebleven)
  26. Drents: Aj in Beilen verkolden wordt, bi'j in Börk ziek en in Elp dood. (=mensen overdrijven Altijd)
  27. Sallands: manks wèh, mar aait niet (=soms wel, maar niet Altijd)
  28. Munsterbilzen - Minsters: daaj ès vanner leste lieëge nog nie gebarste (=ze liegt Altijd)
  29. Bilzers: de vaulste verke krijge t beste stroi (=De beste werkman krijgt niet Altijd het beste loon)
  30. Brugs: un diltekoatere (=gast Altijd op toer met een ander lief)
  31. Melseels: 't is alt e jonk of un aa mie 'em (=het is Altijd wat met hem)
  32. Tilburgs: van heure zègge is unne slèèchte raodgeever (=je mag niet Altijd op geruchten afgaan)
  33. Tilburgs: ge most um atèèj meej alles aachternò rêepe (=je moest hem Altijd met alles achterna hollen)
  34. Westerkwartiers: mörg'n- en oamdgedacht'n benn'n niet altied geliek (=iemand denkt niet Altijd hetzelfde over iets)
  35. Bilzers: aste kénder sjiks, kraaj(g)ste kender taus (=kinderen zijn nog Altijd kinderen)
  36. Diesters: naa leet dië nog altaat in zenne nest (beddebak) (=nu ligt hij nog Altijd in zijn bed)
  37. Munsterbilzen - Minsters: de moes geen aa sjoen voertdoen, vÛrdaste nauw hübs (=zorg Altijd dat er op tijd vervanging is)
  38. Oudenbosch: tis nooit nie kaant en klaor ovvur aopert hier en daor wa (=er mankeert Altijd wel wat aan iets)
  39. Turnhouts: den besten turnauter hè nog altaai een seuzie gepikt (=de beste turnhouter heeft nog Altijd een deken gestolen)
  40. Valkenswaards: Rozengeur en maneschijn is in oew leven mooi meegenomen, mar rekent zo af en toe ok mar op un flinke onweersbui. (=Het is niet Altijd rozengeur en maneschijn)
  41. Betuws: in avuzoath zeggé wie alted moar dekke mó je (=in avezaath zeggen we Altijd maar zo nueken moet je)
  42. Tilburgs: zèède gevalle nèè zôo stap ik aaltij van mènne fiets aaf ! (=Is U gevallen nee hoor zo stap ik Altijd van mijn fiets af !)
  43. Antwerps: die is gewoejn van noar de kaark te goan, diën is in de kaark gebore (=iemand die Altijd vergeet de deur te sluiten)
  44. Weldens: zoals mijn grootmoeder Altijd zegde\r\nhet konijnenkot is wepel!\r\n\r\nDidier (='t konenekot is wepel)
  45. Hoogstraats: den duvel scheit Altijd op de grote hoop (=die veel geld heeft, krijgt nog meer geld)
  46. Texels: Die is òllòn op driêvende kiêl (=Die is Altijd de hort op, Altijd onderweg)
  47. Heusdens: as de vrollie va heusde be hunne vulo weg zen daan es alté wa te beleive (=als de vrouwen van heusden met hun fiets weg zijn dan is er Altijd wat te beleven)
  48. Bilzers: ne boemerang kump Altijd trég (=als we kwaad zijn op iemand, wreken diens fouten zich op ons)
  49. Oudenbosch: daor kondoeweige Altijd gelijk innut zweet gaon staon jakke (=daar moest je meteen vanaf het begin in een hoog tempo aan het werk)
  50. Munsterbilzen - Minsters: ich hëb wollen dikke k., mér ich moetter toch Altijd zelf opzitte (=je hebt pas gevoel voor humor als je om jezelf kan lachen)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen